Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:OGHACMB:2025:291 ECLI:NL:OGHACMB:2025:291 AI generated

ECLI:NL:OGHACMB:2025:291 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Case Number ECLI:NL:OGHACMB:2025:291
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

de naamloze vennootschap HNO VASTGOED EN BEHEER N.V., gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en A. Schennink, 2. de stichting STICHTING SONA, gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. K. Frielink en J.C. Maris, tegen de besloten vennootschap naar Nederlands recht BALLAST NEDAM INFRA B.V., gevestigd te Nieuwegein, Nederland, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. R.C. Luttikhuizen. Partijen worden hierna HNO, Sona en BNI genoemd. HNO en Sona worden gezamenlijk ook HNO c.s. genoemd.

Legislator headnote

AI generated

art. 6:97 BW, art. 6:125 BW, art. 6:119 BW; ECLI:NL:OGHACMB:2025:291 · Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: In dit geval zijn de bewoordingen van groot gewicht (maar op zichzelf niet doorslaggevend). 3.9 Volgens § 44 lid 4 UAV-GC 2005 moet de opdrachtnemer bij zijn aanspraak op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging alle directe en indirecte kosten, alsmede een redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico vermelden. Dit moet worden aangemerkt als de overeengekomen wijze waarop de in de overeenkomst genoemde kostenvergoeding dient te worden begroot. Deze kostenvergoeding is een vorm van schadevergoeding. Een recht op vergoeding van kosten, veroorzaakt door een omstandigheid die niet aan de rechthebbende kan worden toegerekend, is immers een recht op een vorm van schadevergoeding.

Keywords

AI generated
art. 6:97 BW art. 6:125 BW art. 6:119 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 6:97 BW
Dat kan ertoe leiden dat bepaalde elementen in de berekening hoger of lager uitvallen dan het geval zou zijn geweest indien de schade zou worden begroot op de voet van de eerste volzin van art. 6:97 BW (begroting van de schade op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard ervan).
art. 6:125 BW
Dat kan ertoe leiden dat bepaalde elementen in de berekening hoger of lager uitvallen dan het geval zou zijn geweest indien de schade zou worden begroot op de voet van de eerste volzin van art. 6:97 BW (begroting van de schade op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard ervan).
art. 6:119 BW
Volstaan kan worden met de overweging dat BNI recht heeft op de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW (van Curaçao).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:OGHACMB:2025:227
Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknummers: CUR202004030 – CUR2023H00206 en CUR2023H00209 Uitspraak: 9 september 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1. de naamloze vennootschap HNO VASTGOED EN BEHEER N.V., gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en A. Schennink, 2. de stichting STICHTING SONA, gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. K. Frielink en J.C. Maris, tegen de besloten vennootschap naar Nederlands recht BALLAST NEDAM B.V., gevestigd te Nieuwegein, Nederland, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. R.C. Luttikhuizen. Partijen worden hierna HNO, Sona en BNI genoemd. HNO en Sona worden gezamenlijk ook HNO c.s. genoemd. 1De zaak in het kort In 2013 heeft Sona BNI opgedragen een nieuw ziekenhuis te bouwen te Willemstad, Curaçao. Naar aanleiding van vertraging in de bouw zijn geschillen gerezen tussen Sona en BNI. Hierover heeft een geschillencommissie in 2017 en 2018 beslist. Partijen zijn niet tevreden over de beslissingen van de geschillencommissie en leggen hun geschillen in dit geding voor aan de overheidsrechter. HNO stelt in de plaats van Sona te zijn getreden. Het Gerecht heeft de vorderingen over en weer afgewezen. In hoger beroep hebben partijen hun vorderingen gewijzigd. Het Hof heeft reeds een mondelinge behandeling bepaald op 14 november 2025. Nu wijst het Hof een tussenvonnis ter voorbereiding van die mondelinge behandeling. 2Het verloop van de procedure 2.1 Bij op 14 juli 2023 ingekomen akte van appel is Sona in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op respectievelijk 17 oktober 2022 (hierna: het tussenvonnis) en 5 juni 2023 (hierna: het eindvonnis) uitgesproken vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. 2.2 Bij op 17 juli 2023 ingekomen akte van appel is ook HNO in hoger beroep gekomen van het eindvonnis. 2.3 Bij op 25 augustus 2023 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft Sona één grief tegen de vonnissen aangevoerd en toegelicht en haar eis gewijzigd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen gedeeltelijk zal vernietigen, bepaalde verklaringen voor recht zal uitspreken en, uitvoerbaar bij voorraad, de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van HNO zal toewijzen, met veroordeling van BNI in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente. 2.4 Bij eveneens op 25 augustus 2023 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft HNO zes grieven tegen de vonnissen aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen zal vernietigen, en, uitvoerbaar bij voorraad, twee beslissingen van de Dispute Adjudication Board zal aanpassen en BNI zal veroordelen tot bepaalde betalingen, met haar veroordeling in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente. 2.5 Bij op 23 oktober 2023 ingekomen memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties, heeft BNI de grieven van Sona en HNO bestreden. BNI heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en drie grieven aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt in de principaal hoger beroepen ertoe dat het Hof Sona en HNO daarin niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vonnissen gedeeltelijk zal bevestigen, met hoofdelijke veroordeling van HNO c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in principaal hoger beroep, met nakosten en rente. In het incidenteel hoger beroep strekt haar conclusie ertoe dat het Hof de vonnissen gedeeltelijk zal vernietigen, de beide beslissingen van de Dispute Adjudication Board gedeeltelijk zal vernietigen en Sona en/of HNO zal veroordelen tot bepaalde betalingen, met hun hoofdelijke veroordeling in de proceskosten in incidenteel hoger beroep, met nakosten en rente. 2.6 Bij op 6 december 2023 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft HNO de grieven van BNI bestreden. Haar conclusie strekt tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van BNI, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten daarvan, met nakosten en rente. 2.7 Bij op 11 december 2023 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft ook Sona de grieven van BNI bestreden. Ook haar conclusie strekt tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van BNI, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten daarvan, met nakosten en rente. 2.8 Op 20 februari 2024 heeft Sona mondeling pleidooi gevraagd. Op 13 juni 2024 heeft Sona alsnog afgezien van mondeling pleidooi. Met instemming van alle partijen is de zaak naar de rol verwezen voor schriftelijk pleidooi. Op 8 oktober 2024 hebben alle partijen pleitnotities ingediend. HNO en Sona hebben daarbij ieder een productie in het geding gebracht en BNI drie producties. 2.9 Op 22 mei 2025 heeft het Hof partijen bericht dat het een mondelinge behandeling van de zaak heeft bepaald op vrijdag 14 november 2024 om 8.30 uur. Ter voorbereiding van die mondelinge behandeling wijst het Hof vandaag een tussenvonnis. 3De beoordeling Feiten 3.1 Het Hof gaat uit van de volgende feiten. 3.1.1 Op 16 augustus 2011 heeft Sona ten behoeve van de bouw van een ziekenhuis te Willemstad, Curaçao, een managementovereenkomst gesloten met Berenschot International B.V. (hierna: Berenschot). Op grond daarvan voerde Berenschot taken uit in naam van en voor rekening van Sona. 3.1.2 Bij overeenkomst van 4 januari 2013 heeft Sona aan BNI opgedragen het ziekenhuis te bouwen. Op deze aannemingsovereenkomst zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen 2005 (hierna: de UAV-GC 2005) van toepassing verklaard. In de overeenkomst is bepaald dat partijen geschillen zullen voorleggen aan een Dispute Adjudication Board (geschillencommissie, hierna: de DAB) met inachtneming van de in een bijlage bij de overeenkomst opgenomen dispute adjudication rules. Deze bepalen dat een beslissing van de DAB bindend voor een partij is, tenzij deze binnen 28 dagen na ontvangst van de beslissing een notice of dissatisfaction stuurt aan de wederpartij. 3.1.3 In het najaar van 2013 heeft het Land Curaçao besloten dat het ziekenhuis niet zal worden gebouwd op het voormalige Amstelterrein, maar naast het Sint Elisabeth Hospitaal. Dit heeft geleid tot wijziging van de aannemingsovereenkomst. 3.1.4 Delen van het bouwterrein zijn te laat aan BNI vrijgegeven. Deelgebied 6 is niet vóór 1 maart 2015 vrijgegeven en deelgebied 7 niet vóór 20 april 2015. Dit heeft tot vertraging in de bouw geleid. In verband hiermee maakt BNI aanspraak op schadevergoeding door Sona. Sona betwist de hoogte van de gestelde schade (en voerde aanvankelijk nog meer verweren). Dit geschil heeft BNI voorgelegd aan de DAB. 3.1.5 Bij brief van 5 december 2015 en bij e-mail van 16 december 2015 heeft [directeur] (hierna: [directeur]), directeur van Berenschot en van USONA (Uitvoeringsorgaan Sona), zich uitgelaten over de schadeclaim van BNI. De brief vermeldt in de aanhef “voorlopige erkenning van de interim claim”. In de brief staat onder meer: De doortelling van de posten accountable / tzt accountable / overige directe schadeposten / rente en prijsindexering komen uit op een voorlopige schadevergoeding van USD 8.793.000. De detailberekening van de schadecomponenten d.d. 30 november 2015 is opgenomen in bijlage 1. De eenheidsprijzen van de schadeposten, zoals vermeld in de kolom “Ond.Aann.”, waarbij in de kolom “onderbouwing” staat vermeld “Accountant” zullen door BNI en SONA ter beoordeling worden voorgelegd aan een accountant; deze dient vast te stellen of de opgevoerde eenheidsprijzen werkelijke schade van BNI betreffen. Indien de eenheidsprijzen afwijken van de werkelijke kosten van BNI, dan zal BNI deze eenheidsprijzen aanpassen. 3.1.6 Ook bij e-mail van 16 december 2015 heeft [directeur] zich uitgelaten over de schadeclaim van BNI. 3.1.7 Het bouwterrein is ook tussen 2 mei 2016 en 25 augustus 2016 niet geheel vrijgegeven, ook weer met bouwvertraging tot gevolg. Hierover is een tweede geschil tussen partijen gerezen, ook weer over (de hoogte van) de door Sona aan BNI te betalen vergoeding. Dit geschil is voorgelegd aan de DAB in een tweede geding. 3.1.8 Op 31 december 2016 heeft Sona Berenschot ontheven van haar taken. 3.1.9 Bij uitspraak van 23 februari 2017 (hierna: DAB-1) heeft de DAB in het eerste geding beslist, verkort weergegeven, dat Sona USD 11.848.219 aan BNI dient te betalen, waarvan een deel volgens de uitspraak al betaald is en het restant betaald moet worden volgens een betaalschema, met rente en kosten. 3.1.10 In maart 2017 hebben Sona en BNI notices of dissatisfaction aan elkaar gestuurd betreffende DAB-1. 3.1.11 Bij verzoekschrift van 20 september 2017 heeft BNI gevorderd, verkort weergegeven, dat Sona wordt veroordeeld tot betaling van de bedragen die uit DAB-1 voortvloeien (zaaknummer CUR201702136 - AR 83771/2017). 3.1.12 Bij verzoekschrift van 26 september 2017 heeft Sona onder meer gevorderd, verkort weergegeven, dat het Gerecht voor recht verklaart dat Sona uit hoofde van DAB-1 niets verschuldigd is aan BNI (zaaknummer CUR201702082 - AR 83826/2017). 3.1.13 Bij verzoekschrift van 23 oktober 2017 heeft BNI in kort geding gevorderd, verkort weergegeven, dat Sona wordt veroordeeld tot betaling van voorschotten. Bij vonnis van 30 november 2017, KG 8404/2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:182, heeft het Gerecht deze vorderingen van BNI grotendeels toegewezen, namelijk tot hoofdsommen van in totaal USD 1.476.241 en NAf 14.685. 3.1.14 Bij verzoekschrift van 5 maart 2018 heeft BNI in kort geding gevorderd, verkort weergegeven, dat Sona wordt veroordeeld tot betaling van verdere bedragen (zaaknummer CUR201800720). 3.1.15 Bij vonnis in kort geding van 6 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:119, heeft het Gerecht BNI verlof verleend om conservatoir derdenbeslag(en) te doen ten laste van Sona. 3.1.16 Bij verzoekschrift van 17 april 2018 heeft Sona in kort geding, verkort weergegeven, opheffing gevorderd van de in opdracht van BNI ten laste van Sona gelegde conservatoire derdenbeslagen (zaaknummer CUR201801119). 3.1.17 Bij beslissing van 1 mei 2018 (hierna: DAB-2) heeft de DAB in het tweede geding het volgende beslist, verkort weergeven. De datum van oplevering wordt uitgesteld van 28 mei 2018 naar 13 augustus 2018. Sona dient aan BNI te betalen: B. USD 2.577.743 als vergoeding voor directe bouwplaatskosten, C. USD 258.333 als vergoeding voor kosten van maatregelen, D. USD 972.552 als vergoeding wegens onderdekking, E. USD 61.863 aan rente, F. USD 54.030,00 als vergoeding van een vordering van Muller Afbouw, G. USD 446.370 aan schade wegens verminderde efficiency, met rente, volgens een schema, met een verrekening achteraf in verband met een prijsrisico (het totaal van de bedragen B tot en met G is USD 4.370.891). 3.1.18 In mei 2018 hebben Sona en BNI notices of dissatisfaction aan elkaar gestuurd betreffende DAB-2. 3.1.19 Bij vonnissen van 7 mei 2018, ECLI:NL:HR:OGEAC:2018:79, ECLI:NL:HR:OGEAC:2018:80 en ECLI:NL:HR:OGEAC:2018:81, heeft het Gerecht de vordering van BNI van 20 september 2017 grotendeels toegewezen, namelijk tot hoofdsommen van in totaal USD 3.875.000, en de vordering van Sona van 26 september 2017 en die van BNI van 5 maart 2018 afgewezen. 3.1.20 Bij vonnis van 28 mei 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:119, heeft het Gerecht op het verzoek van Sona van 7 april 2018 het beslag of de beslagen opgeheven. 3.1.21 Op 27 juni 2019 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is bepaald dat BNI een bankgarantie zal doen stellen ten behoeve van Sona. Verder zijn partijen onder opschortende voorwaarden overeengekomen dat HNO in de plaats zou treden van Sona onder de aannemingsovereenkomst. 3.1.22 BNI heeft de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde bankgarantie doen stellen ten behoeve van Sona. 3.1.23 Op 15 november 2019 is het nieuwe ziekenhuis in gebruik genomen. De bouw was toen nog niet afgerond. 3.1.24 Op 23 december 2019 heeft BNI een bankgarantie doen stellen ten behoeve van HNO. 3.1.25 Bij verzoekschrift van 23 januari 2020 heeft BNI in kort geding onder meer gevorderd, verkort weergegeven, dat Sona de ten behoeve van haar gestelde bankgarantie teruggeeft (zaaknummer CUR202000211). Bij vonnis van 4 maart 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:32, heeft het Gerecht de vorderingen afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof bij vonnis van 13 oktober 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:243, het vonnis van het Gerecht vernietigd en Sona alsnog bevolen de bankgarantie terug te geven. 3.1.26 Deze zaak (zaaknummer in eerste aanleg CUR202004030) is begonnen met een verzoekschrift van 14 oktober 2020. 3.1.27 Bij vonnissen van 11 oktober 2022, zaaknummers CUR2018H00166 en CUR2018H00167, ECLI:NL:OGHACMB:2022:113 en ECLI:NL:OGHACMB:2022:114, heeft het Hof de vonnissen van het Gerecht van 7 mei 2018 bevestigd waarbij het Gerecht het verzoek van BNI van 20 september 2017 grotendeels heeft toegewezen en dat van Sona van 26 september 2017 heeft afgewezen. Vorderingen in eerste aanleg 3.2 In dit geding hebben HNO c.s. in eerste aanleg, verkort weergegeven, betaling gevorderd van USD 11.115.792 als onverschuldigd betaald ter uitvoering van DAB-1 en DAB-2 en onverschuldigd betaalde indexering, met rente en kosten. 3.3 In reconventie heeft BNI, na vermeerdering van eis bij conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie, gevorderd, verkort weergegeven: vernietiging van DAB-1 en DAB-2 voor zover daarin vorderingen van BNI zijn afgewezen en betaling van € 846.748 en USD 1.141.006, met rente en kosten. Beslissingen van het Gerecht 3.4 Bij het bestreden tussenvonnis heeft het Gerecht de zaak naar de rol verwezen voor nader partijdebat. 3.5 Het Gerecht heeft hiertoe, verkort weergegeven, als volgt overwogen. Sona heeft gelet op de vaststellingsovereenkomst belang bij toewijzing van vorderingen aan HNO (4.1). De rechter dient het geschil in volle omvang te toetsen, ook de geschilpunten waarover de DAB heeft geoordeeld (4.2). Uit de door HNO c.s. overgelegde productie 14 kan het Gerecht niet afleiden dat HNO c.s., overeenkomstig hun stelling, in totaal USD 17.130.889 aan BNI hebben betaald (4.3). HNO c.s. maken geen misbruik van procesrecht. De zaak wordt niet aangehouden totdat het Hof zal hebben beslist in andere tussen partijen aanhangige zaken (4.5). HNO c.s. hebben een vordering ingesteld op grond van hun stelling dat BNI kosten heeft bespaard door een bedongen bankgarantie niet te stellen. Deze vordering dienen zij op straffe van niet-ontvankelijkheid eerst aan de DAB voor te leggen, tenzij BNI alsnog aanvaardt dat de overheidsrechter op deze vordering beslist zonder dat die aan de DAB voorgelegd is geweest (4.6-4.7). Onvoldoende duidelijk is wat de feitelijke geschilpunten zijn. Zonder die duidelijkheid kan het Gerecht niet oordelen over het gestelde recht op vergoeding van kosten zoals die van rechtsbijstand en advies (4.8). Het ligt voor de hand dat de rechter te zijner tijd een deskundigenbericht zal gelasten, bij voorkeur uit te voeren door (een) deskundige(n) over wie partijen het eens zijn, maar zo ver is het nog niet (4.9). Op basis van het tot nog toe gevoerde partijdebat is het Gerecht niet in staat feiten vast te stellen en de vorderingen met hun grondslagen te beoordelen. Met name kan het Gerecht niet beoordelen voor wiens rekening de opgetreden vertragingen met hun gevolgen komen (4.10). Onduidelijk is of partijen een volledige herbeoordeling van hun vorderingen beogen of slechts beoordeling van de financiële gevolgen van feiten die tussen hen vaststaan (4.11). Indien partijen een volledige herbeoordeling beogen, dienen zij bij akte meer feiten te stellen en te onderbouwen (4.12). 3.6 Bij het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht de vorderingen over en weer afgewezen. 3.7 Het Gerecht heeft hiertoe, verkort weergegeven, als volgt overwogen. Ook in het partijdebat na het tussenvonnis is onduidelijk gebleven welke feiten partijen aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Partijen hebben de kans niet benut die hun bij tussenvonnis was geboden. Partijen hebben daarom niet voldaan aan hun stelplicht, met name niet waar het hun vorderingen op grond van de vertragingen betreft (2.1). HNO c.s. wensen een volledige herbeoordeling. Hetgeen zij hebben aangevoerd over de mogelijkheid van een directe beoordeling door een deskundige is te vaag. BNI heeft niet aangevoerd dat beoordeling door een deskundige voldoende is (2.2). Alle vorderingen die betrekking hebben op tijdens de bouw opgetreden vertragingen, worden afgewezen zonder dat het Gerecht toekomt aan bewijslevering (2.3). Dit geldt ook voor de vorderingen tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand en advies (2.4). BNI heeft alsnog aanvaard dat de overheidsrechter over de vordering inzake de bankgarantie beslist zonder dat de DAB eerst over deze vordering oordeelt. Het Gerecht zal deze vordering afwijzen, omdat niet aannemelijk is dat de mogelijke kostenbesparing bij BNI heeft geleid tot schade bij HNO c.s. (2.5). Vorderingen in hoger beroep 3.8 HNO heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij vordert, verkort weergegeven: a. aanpassing van de uitspraken van de DAB zodat voor de claim in DAB-1 USD 4.034.654 aan BNI verschuldigd is en voor de claim in DAB-2 USD 2.845.647; b. betaling van USD 13.224.505 aan hoofdsom; c. betaling van USD 3.642.555 aan rente, met (verdere) rente en kosten. De gevorderde hoofdsom van USD 13.224.505 is als volgt berekend: b1. Betaald ter uitvoering van DAB-1 en DAB-2 17.130.889 b2. AF: Verschuldigd ter vergoeding van de in DAB-1 beoordeelde schade (4.034.654) b3. AF: Verschuldigd ter vergoeding van de in DAB-2 beoordeelde schade (2.845.647) b4. Kosten bankgarantie 853.417 b5. Onverschuldigd betaalde indexering 2.120.500 -------------- + Saldo 13.224.505 3.9 Ook Sona heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. Zij vordert, verkort weergegeven: d. verklaring voor recht dat Sona als kostenvergoeding voor de claim in DAB-1 USD 7.041.545 verschuldigd is en voor de claim in DAB-2 USD 3.124.561; e. toewijzing van de vorderingen van HNO, met rente en kosten. Het bedrag voor de claim in DAB-1 is als volgt berekend: d1. directe kosten DAB-1 6.430.635 d2. opslag algemene kosten en winst in DAB-1 610.910 -------------- + Totaal 7.041.545 Het bedrag voor de claim in DAB-2 is als volgt berekend: d3. directe kosten DAB-2 2.853.480 d4. opslag algemene kosten en winst in DAB-2 271.081 -------------- + Totaal 3.124.561 3.10 BNI heeft in hoger beroep betaling van € 444.609 en USD 1.141.006 gevorderd. Het gevorderde bedrag van € 444.609 is als volgt berekend: e. Kosten van rechtsbijstand DAB-1 241.797 f. Kosten Driver Trett 1 20.202 g. Kosten van rechtsbijstand DAB-2 113.360 h. Kosten Muller Afbouw 30.970 i. Kosten Pheijffer 1 14.813 j. Kosten Pheijffer 2 2.062 k. Kosten Driver Trett 2 21.405 -------------- + Totaal 444.609 Het gevorderde bedrag van USD 1.141.006 is als volgt berekend: l. Onderdekking van risico 2% DAB-1 626.087 m. Onderdekking van winst 5,5% DAB-2 351.492 n. Inefficiëntieschade 148.228 o. Kosten Plus Accountants 1 9.003 p. Kosten Plus Accountants 2 6.196 -------------- + Totaal 1.141.006 Grieven 3.11 Sona heeft één grief aangevoerd. Het hoger beroep van Sona strekt ertoe dat het Hof zich beperkt tot een herbeoordeling van de financiële gevolgen van de beslissingen van de DAB. Volgens haar heeft zij voldoende gesteld om de rechter in staat te stellen tot die herbeoordeling. Zij betwist haar aansprakelijkheid voor de bouwvertragingen niet. Wat betreft de onderwerpen parallelle vertraging, wisselkoers, indexering en bankgarantie sluit zij zich aan bij het standpunt van HNO. 3.12 Sona heeft, verkort weergegeven, als volgt betoogd. BNI moet haar schade stellen en bewijzen. De schadevergoedingsplicht wordt ingekaderd door de AUV-GC 2005. Uitgangspunt daarbij is een kostenvergoeding, eventueel met een opslag. BNI heeft te veel kosten opgevoerd in beide procedures bij de DAB. Dit is toegelicht in een rapport van Crawford. De DAB heeft daarnaast opslagen toegekend die in strijd zijn met de uitgangspunten van de AUV-GC 2005. 3.13 HNO heeft zes grieven aangevoerd. 3.13.1 Grief 1 betreft DAB-1. HNO heeft betoogd dat de DAB zich te veel heeft gebaseerd op een door BNI overgelegd rapport van BDO zonder een deugdelijke reactiemogelijkheid te bieden. De DAB heeft te veel directe kosten toegewezen, een verkeerde wisselkoers toegepast en ten onrechte een opslag toegepast, althans een te hoge opslag. Verder heeft de DAB geen rekening gehouden met door BNI zelf veroorzaakte vertraging en heeft de DAB de brief van [directeur] van 5 december 2015 ten onrechte opgevat als een erkenning. 3.13.2 Grief 2 betreft DAB-2. HNO heeft soortgelijke kritiek op DAB-2 als hiervoor weergegeven voor DAB-1. Verder heeft de DAB ten onrechte rente toegewezen. 3.13.3 Volgens grief 3 is BNI tekortgeschoten door een bedongen bankgarantie niet te stellen. Hierdoor heeft zij kosten bespaard en is zij ongerechtvaardigd verrijkt. 3.13.4 Grief 4 betreft de beslissingen van de DAB over indexatie. De DAB heeft beslist dat BNI bedragen voor verlate betaling in rekening mag brengen op basis van indexcijfers. Aan BNI komt echter geen recht op indexatie toe. 3.13.5 Bij grief 5 vordert HNO rente over het te veel betaalde. 3.13.6 Bij grief 6 vordert HNO een vergoeding van proceskosten. 3.14 BNI heeft in incidenteel hoger beroep drie grieven aangevoerd. 3.14.1 Grief 1 is gericht tegen 4.1 van het tussenvonnis. Volgens BNI heeft Sona, nu haar positie is overgenomen door HNO, geen belang bij haar vorderingen en dient zij daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3.14.2 Grief 2 is gericht tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen van BNI. De aansprakelijkheid voor de vertraging is niet betwist. Het gaat slechts om de hoogte van de vergoeding. BNI heeft voldoende gesteld om de rechter in staat te stellen de door BNI gevorderde posten (onderdekking, kosten van rechtsbijstand, kosten van deskundigen en inefficiëntieschade) te beoordelen. 3.14.3 Grief 3 is gericht tegen 2.4 van het eindvonnis. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de daadwerkelijke advocaatkosten van de onderhavige procedure, maar wel voor een veroordeling tot een vergoeding voor juridische bijstand en advies- en rapportagekosten. Beoordeling door het Hof 3.15 Ten behoeve van de rolzitting van 20 februari 2024 heeft de gemachtigde onder meer het volgende aan het Hof bericht: Het dossier is bewerkelijk en omvangrijk, zodat alleen een mondeling pleidooi daarin nog duidelijkheid kan verschaffen. (…) [Over en weer kunnen] ook vragen gesteld (…) worden. Gelet op het voorgaande voegt een mondeling pleidooi [toe aan dit langlopende geschil] dat de kwestie helder en begrijpelijk samengevat [wordt]. (…) Een passende voortzetting in appel komt (…) neer op een mondeling pleidooi, waarmee ook het maatschappelijk belang voldoende voor het voetlicht kan worden gebracht. 3.16 Het Hof onderschrijft dit betoog in zoverre dat het een mondelinge behandeling wenselijk acht, onder meer om tot een beter overzicht over de zaak te komen. De pleitnota’s die Sona, HNO en BNO op 8 oktober 2024 alsnog hebben ingediend, tellen respectievelijk 11, 34 en 128 pagina’s. Dit heeft de behoefte aan overzicht niet verminderd, integendeel. 3.17 Grief 1 van BNI strekt ertoe dat Sona niet-ontvankelijk verklaard wordt op de grond dat zij geen belang bij haar vorderingen heeft. Het Hof acht het niet zinvol om daar in dit stadium een oordeel of een voorlopig oordeel over te geven. Desgewenst kan deze grief bij de mondelinge behandeling aan de orde worden gesteld. 3.18 Voorshands is het Hof van oordeel dat BNI uit de brief van 5 december 2015 redelijkerwijs geen enkele erkenning mocht afleiden, ook geen erkenning onder voorbehoud van een toetsing door een accountant. De aanhef “voorlopige erkenning van de interim claim” maakt voldoende duidelijk dat de brief geen definitief standpunt inhoudt. 3.19 Voorshands is het Hof van oordeel dat Sona geen recht heeft op een vergoeding vanwege het nalaten van BNI om een bankgarantie te stellen. Op grond van hetgeen Sona heeft gesteld, kan niet worden aangenomen dat de door BNI uitgespaarde kosten tot een verarming bij Sona hebben geleid. Bewijs daarvan is niet geleverd of aangeboden. 3.20 Alle (overige) belangrijke geschilpunten hebben betrekking op de hoogte van de verschuldigde betalingen, vast te stellen door een juiste toepassing van de regels die daarover in de overeenkomst en de UAV-GC 2005 zijn gegeven. Uit het bepaalde in de bijlage bij de aannemingsovereenkomst volgt dat indien een partij tijdig een notice of dissatisfaction uitbrengt, deze partij niet is gebonden aan de uitspraak van de DAB. Beide partijen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt met betrekking tot beide uitspraken van de DAB. Daarom zijn partijen bij de formulering van hun geschilpunten niet gebonden aan hetgeen de DAB heeft overwogen en beslist. Ook de rechter is bij de beoordeling van de geschilpunten niet gebonden aan de overwegingen en beslissingen van de DAB. 3.21 Een deskundigenbericht, uit te brengen door een of meer door het Hof te benoemen deskundigen, lijkt noodzakelijk. Partijen wordt daarom verzocht uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandeling een schriftelijk voorstel bij het Hof in te dienen (met afschrift aan de wederpartij(en)) van de persoon/personen van de door het Hof te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. Het zou goed zijn als partijen hierover vooraf overeenstemming bereiken, met name over de persoon/personen van de deskundige(n). Zij dienen in elk geval met elkaar hierover te overleggen. 3.22 Het lijkt mogelijk en efficiënt om een deskundigenbericht te gelasten zonder dat het Hof vooraf enig inhoudelijk oordeel geeft. Indien partijen menen dat het beter is dat het Hof wel vooraf inhoudelijke oordelen geeft, dienen zij bij hun hiervoor bedoelde schriftelijke uitlating een lijstje te voegen van de geschilpunten die naar hun mening vooraf door het Hof zouden moeten worden beoordeeld. De geschilpunten behoeven niet te worden uitgewerkt. 3.23 De schriftelijke uitlating van iedere partij mag in totaal niet meer dan vijf pagina’s bedragen (zie HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, 3.3.1). B E S L I S S I N G Het Hof: handhaaft de beslissing dat een mondelinge behandeling van de zaak zal plaatshebben op vrijdag 14 november 2024 om 8.30 uur, met een maximale duur van 90 minuten; bepaalt dat partijen uiterlijk op vrijdag 31 oktober 2024 om 8.30 uur een schriftelijke uitlating indienen als hiervoor onder 3.19-3.21 bedoeld; houdt iedere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
ECLI:NL:HR:2024:1258
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/02925 Datum 20 september 2024 ARREST In de zaak van PONTE VECCHIO BEHEER B.V., gevestigd te Uithoorn, EISERES tot cassatie, hierna: PVB, advocaat: J.H.M.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Burgerlijke zaken over 2025 Zaaknummers: CUR202004030 – CUR2023H00206 en CUR2023H00209 Uitspraak: 2 december 2025 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap HNO VASTGOED EN BEHEER N.V., gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en A. Schennink, 2. de stichting STICHTING SONA, gevestigd in Curaçao, in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, gemachtigden: mrs. K. Frielink en J.C. Maris, tegen de besloten vennootschap naar Nederlands recht BALLAST NEDAM INFRA B.V., gevestigd te Nieuwegein, Nederland, in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, thans geïntimeerde principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, gemachtigde: mr. R.C. Luttikhuizen. Partijen worden hierna HNO, Sona en BNI genoemd. HNO en Sona worden gezamenlijk ook HNO c.s. genoemd.

1De zaak in het kort

In 2013 heeft Sona BNI opgedragen een nieuw ziekenhuis te bouwen in Curaçao. De bouw is vertraagd. In 2017 en 2018 heeft een geschillencommissie beslist over in dat verband gerezen geschillen. Partijen zijn niet tevreden over de beslissingen van de geschillencommissie en leggen hun geschillen in dit geding voor aan de overheidsrechter. HNO stelt in de plaats van Sona te zijn getreden. Het Gerecht heeft de vorderingen over en weer afgewezen. In hoger beroep hebben partijen hun vorderingen gewijzigd. Na een eerder tussenvonnis en een mondelinge behandeling wijst het Hof nu een eindvonnis. 2Het verdere verloop van de procedure 2.1 Bij vonnis van 9 september 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:227 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof overwegingen gegeven ter voorbereiding van een mondelinge behandeling. 2.2 Iedere partij heeft op 31 oktober 2024 een akte ingediend. 2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 14 november 2024.

Iedere partij heeft zich bediend van spreekaantekeningen, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Partijen hebben verder debat gevoerd en vragen van het Hof beantwoord. Het Hof heeft partijen gelegenheid geboden om te onderhandelen over een minnelijke regeling van hun geschil, maar die onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid.

3De verdere beoordeling

Plan van aanpak 3.1 Partijen hebben in hun akten na tussenvonnis eenstemmig erop gewezen dat een deskundigenbericht tot verdere vertraging en aanvullende kosten zal leiden en als hun voorkeur uitgesproken dat het Hof zelf oordeelt, behoudens voor zover het Hof een deskundigenbericht noodzakelijk acht. Bij de mondelinge behandeling hebben alle partijen ook hun aanbod om getuigenbewijs te leveren ingetrokken om verdere vertraging en aanvullende kosten te vermijden. Noodzakelijk is een deskundigenbericht niet. Het Hof zal daarom een eindvonnis wijzen zonder eerst een deskundigenbericht te gelasten of bewijsopdrachten te verstrekken. 3.2 De vorderingen van HNO en Sona zijn gebaseerd op het standpunt dat de Dispute Adjucation Board (hierna: de DAB) de claims voor te hoge bedragen heeft toegewezen; de vordering van BNI is gebaseerd op het standpunt dat de DAB de claims voor te lage bedragen heeft toegewezen.

Het Hof zal daarom beoordelen in hoeverre de claims bij de DAB toewijsbaar zijn. Daarna zal het Hof bezien wat dat betekent voor de vorderingen bij het Hof. Grondslag van de vergoedingsverplichting 3.3 Tussen partijen is toepasselijkheid overeengekomen van de Engelstalige versie van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen 2005 (hierna: de UAV-GC 2005). Het Hof gaat ervan uit dat de bepalingen van de Engelstalige versie dezelfde betekenis hebben als die van de Nederlandstalige versie. Partijen hebben het tegendeel ook niet aangevoerd. 3.4 De UAV-GC 2005 spreekt op diverse plaatsen van een recht van de opdrachtnemer op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging (zie onder veel meer § 6 lid 5, § 8 lid 3 en § 11 lid 2).

Zo ook in § 44 lid 1, aanhef en onder a, UAV-GC 2005. 3.5 Volgens § 44 lid 1, aanhef en onder a, UAV-GC 2005 heeft de opdrachtnemer recht op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging indien de UAV-GC 2005 daar uitdrukkelijk in voorzien. Ingevolge § 3 lid 1, aanhef en onder b, UAV-GC 2005 dient de opdrachtgever ervoor te zorgen dat de opdrachtnemer tijdig beschikt over het terrein waarop het werk moet worden gerealiseerd. Tussen partijen staat vast dat Sona niet aan die verplichting heeft voldaan. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat de UAV-GC 2005 uitdrukkelijk erin voorzien dat de opdrachtnemer bij schending van die verplichting recht heeft op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging.

BNI heeft aangevoerd dat deze verplichting de kern van de overeenkomst van 4 januari 2013 raakt en dat zij daarom recht heeft op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging. Sona en BNI hebben dat op zichzelf niet bestreden. Het Hof zal daarvan uitgaan. 3.6 Volgens § 44 lid 1, aanhef en onder a, UAV-GC 2005 heeft de opdrachtnemer recht op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging onder de voorwaarde dat kosten en/of vertraging hun oorzaak vinden in een omstandigheid die niet aan de opdrachtnemer kan worden toegerekend. De vraag of aan deze voorwaarde is voldaan, is blijkens het woord oorzaak de vraag naar het causaal verband tussen de omstandigheid enerzijds en de kosten en/of vertraging anderzijds.

Ter beantwoording van die vraag dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na die omstandigheid en de hypothetische situatie zonder die omstandigheid. Indien de feitelijke situatie na de omstandigheid ook zou zijn ontstaan zonder de omstandigheid, ontbreekt het condicio-sine-qua-non-verband (hierna: het csqn-verband) en daarmee het causaal verband. De stelplicht en bewijslast ter zake van het bestaan van csqn-verband rusten in beginsel op de opdrachtnemer. Aan de opdrachtnemer mogen in het kader van het aannemelijk maken van de hypothetische situatie echter geen strenge eisen worden gesteld.

Bij het vaststellen van de hypothetische situatie moeten inschattingen naar redelijkheid worden gemaakt. Bij deze inschattingen dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen. Bij die afweging heeft de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid. 3.7 De bedragen waartoe de DAB Sona heeft veroordeeld, zijn inmiddels betaald. De grondslag van de vorderingen van HNO en Sona is onverschuldigde betaling. Dat leidt niet tot een andere bewijslastverdeling dan volgt uit hetgeen zojuist is overwogen. Weliswaar draagt degene die stelt onverschuldigd te hebben betaald, in beginsel de stelplicht en bewijslast van feiten waaruit volgt dat de betaling zonder rechtsgrond is geschied, maar als de rechter met toepassing van hetgeen zojuist is overwogen over de bewijslastverdeling met betrekking tot de hypothetische situatie tot het oordeel komt dat de vergoedingsplicht lager is dan hetgeen is betaald, is daarmee ook gegeven dat hetgeen betaald is, deels onverschuldigd is betaald. 3.8 De overeenkomst van 4 januari 2013 en de UAV-GC 2005 moeten worden uitgelegd volgens de Haviltex-norm.

In dit geval zijn de bewoordingen van groot gewicht (maar op zichzelf niet doorslaggevend). 3.9 Volgens § 44 lid 4 UAV-GC 2005 moet de opdrachtnemer bij zijn aanspraak op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging alle directe en indirecte kosten, alsmede een redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico vermelden. Dit moet worden aangemerkt als de overeengekomen wijze waarop de in de overeenkomst genoemde kostenvergoeding dient te worden begroot. Deze kostenvergoeding is een vorm van schadevergoeding. Een recht op vergoeding van kosten, veroorzaakt door een omstandigheid die niet aan de rechthebbende kan worden toegerekend, is immers een recht op een vorm van schadevergoeding.

De begrotingswijze is rechtsgeldig overeengekomen, want Boek 6 Afdeling 10 BW (Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding) is grotendeels van regelend recht. De wijze waarop de schade dient te worden begroot, is dus contractueel genormeerd en gestandaardiseerd. Dat kan ertoe leiden dat bepaalde elementen in de berekening hoger of lager uitvallen dan het geval zou zijn geweest indien de schade zou worden begroot op de voet van de eerste volzin van art. 6:97 BW (begroting van de schade op de wijze die het meest in overeenstemming is met de aard ervan).

Dat is op zichzelf geen reden om af te wijken van hetgeen overeengekomen is. 3.10 Partijen zijn in hun overeenkomst niet afgeweken van de tweede volzin van art. 6:97 BW (schatting van de schade). Voor zover de omvang van de bestanddelen van alle directe en indirecte kosten, alsmede een redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico niet nauwkeurig kan worden bepaald, dient die dus te wordt geschat. 3.11 De termen die voorkomen in de zinsnede alle directe en indirecte kosten, alsmede een redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico zijn niet gedefinieerd in de UAV-GC 2005 of in de overeenkomst van 4 januari 2013.

Het Hof zal bij de uitleg van deze termen uitgaan van de meest voor de hand liggende betekenis, gelet op het algemene spraakgebruik en op hetgeen algemeen bekend is over kostencalculatie in de bouw. Mogelijk hebben deze termen een daarvan afwijkende specifieke betekenis voor specialisten op het gebied van kostencalculatie in de bouw en in de rechtspraak van de Raad van arbitrage in bouwgeschillen, maar het partijdebat geeft het Hof onvoldoende aanknopingspunten om dat (zonder deskundigenbericht) te kunnen vaststellen. 3.12 Het Hof zal het voorgaande toetsingskader hanteren.

Het Hof laat daarbij in het midden in hoeverre dit aansluit bij rechtspraak van de Raad van arbitrage in bouwgeschillen over diverse door partijen genoemde begrippen, zoals parallelle vertraging, onderdekking en leegloop. Voor zover het Hof heeft kunnen nagaan, komen de termen parallelle vertraging, onderdekking en leegloop overigens niet voor in de UAV-GC 2005 of in de overeenkomst van 4 januari 2013. Brief van [directeur] van 5 december 2015 3.13 Bij brief van 5 december 2015 heeft [directeur] (hierna: [directeur]), directeur van Berenschot en van Usona (Uitvoeringsorgaan Sona) zich uitgelaten over de schadeclaim van BNI.

Onder 3.18 van het tussenvonnis heeft het Hof als zijn voorshands oordeel gegeven dat BNI uit deze brief geen enkele erkenning mocht afleiden, ook geen erkenning onder voorbehoud van een toetsing door een accountant. 3.14 Bij de mondelinge behandeling heeft BNI (nogmaals) betoogd dat Sona delen van de claim heeft erkend in de brief van 5 december 2015. Het Hof blijft erbij dat de brief als zodanig geen rechtens bindende erkenning van de claim bevat. Wie onderhandelt over een geschil, zal daarbij de bereidheid uitspreken tegemoet te komen aan een deel van de wensen van de wederpartij.

In een onderhandelingssituatie kunnen dergelijke bereidverklaringen niet snel worden aangemerkt als bindend zolang men geen algehele overeenstemming heeft bereikt. De omstandigheid dat Sona volgens de Dispute Adjucation Rules en UAV-GC 2005 tijdig op de interim-claim moest reageren met een acceptatie of afwijzing (of in elk geval moest antwoorden op de grondslagen van de interim-claim), brengt niet mee dat de brief een bindende (gedeeltelijke) acceptatie bevat. Uit de opmerking in de e-mail van [directeur] van 14 november 2015 dat partijen hetzelfde streven hadden, volgt ook geen erkenning.

In de brief zelf staat in de aanhef “voorlopige erkenning van de interim claim” en aan het einde “wij willen met u nog nader bespreken of en hoe wij tot finale kwijting en afwikkeling kunnen komen ten aanzien van de interim-claim, zodat er een evenwichtige balans komt tussen het belang van beide partijen”. Deze uitlatingen wijzen erop dat de brief geen erkenning bevat. 3.15 Op 4 juli 2024 heeft de enquêtecommissie HNO haar definitieve rapport met betrekking tot het door haar uitgevoerde onderzoek gepresenteerd aan de Staten van Curaçao.

Op p. 88-89 van dat rapport staat: In de optiek van [naam] verliep de relatie met Berenschot goed van 2004 tot 2011, maar met het ziekenhuis ging het minder goed. Hij stelde: “Berenschot heeft bijvoorbeeld een claim van Ballast erkend van 8 miljoen dollar zonder SONA te betrekken. (…)” Deze verklaring is ten overstaan van de enquêtecommissie afgelegd in een politiek-bestuurlijke omgeving. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat de brief van 5 december 2015 enige erkenning bevat. De brief moet worden uitgelegd aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW.

Daarbij legt deze verklaring geen gewicht in de schaal. De verklaring kan ook zelf niet als bindende erkenning worden opgevat. 3.16 Het voorgaande laat onverlet dat bepaalde uitlatingen van [directeur] in de brief van 5 december 2015 bijdragen aan het oordeel van het Hof dat bepaalde betwistingen die Sona en HNO nu doen, als onvoldoende onderbouwd dienen te gelden en daarom dienen te worden gepasseerd. DAB-1 3.17 De DAB heeft bij uitspraak van 23 februari 2017 (hierna: DAB-1) feiten vastgesteld onder 6, a tot en met hh. Deze feiten zijn niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en dienen dus ook het Hof tot uitgangspunt.

Een samenvatting van de belangrijkste feiten heeft het Hof reeds gegeven in het tussenvonnis onder 3.1.1-3.1.7. 3.18 Blijkens DAB-1 heeft BNI gevorderd, verkort weergegeven: a. directe kosten USD 7.778.654 b. indirecte kosten USD 5.702.167 3.19 Hiervan heeft de DAB toegewezen: a. directe kosten USD 7.778.654 b. indirecte kosten USD 4.069.565 3.20 BNI heeft recht op vergoeding van de kosten die hun oorzaak vinden in de omstandigheid dat deelgebied 6 niet vóór 1 maart 2015 is vrijgegeven en op vergoeding van de kosten die hun oorzaak vinden in de omstandigheid dat deelgebied 7 niet vóór 20 april 2015 is vrijgegeven.

Directe kosten 3.21 BNI heeft bij DAB-1 in totaal USD 7.778.654 aan directe kosten gevorderd, zoals gespecificeerd in het BDO-rapport van 9 januari 2017, productie 44 van BNI. 3.22 HNO en Sona hebben zich beroepen op het Crawford-rapport van 16 april 2019, productie 23 van HNO en Sona. In dat rapport komt het totaal aan directe kosten voor DAB-1 uit op USD 6.155.635. 3.23 BNI heeft het Crawford-rapport bekritiseerd, onder meer met een beroep op het [rapporteur]-rapport van 29 maart 2021, productie 48 van BNI, en het Plus-rapport van 6 april 2021, productie 49 van BNI. 3.24 Het Hof stelt het toewijsbare bedrag voor directe kosten met betrekking tot DAB-1 vast op USD 6.901.727.

Zie tabel 1 in de bijlage bij dit vonnis voor een specificatie van dit bedrag. De toewijzing van de bedragen bij de diverse posten is erop gebaseerd dat de post niet is betwist of dat de betwisting van de post onvoldoende is onderbouwd; de afwijzing van het meerdere is erop gebaseerd dat de post onvoldoende is onderbouwd tegenover de betwisting. Nu partijen het Hof hebben verzocht af te zien van een deskundigenbericht heeft het Hof schattingen gemaakt, ook al beschikt het niet over specifieke kennis en ervaring op het gebied van kostencalculatie in de bouw.

Over de verschillende posten overweegt het Hof als volgt. 3.24.1 Bij de personeelskosten gaat het niet om de kosten die in werkelijkheid gemaakt zijn gedurende de periode dat er niet op het bouwterrein gewerkt kon worden omdat dit nog niet was vrijgegeven (het loon van improductieve bouwvakkers), want die kosten zouden naar redelijke verwachting (grotendeels) ook zijn gemaakt als het terrein wel tijdig zou zijn vrijgegeven. Het gaat om de personeelskosten die in werkelijkheid gemaakt zijn, deels aan het einde van de bouwperiode, en die naar redelijke verwachting niet gemaakt zouden zijn als het bouwterrein tijdig zou zijn vrijgegeven; in dat geval zou het werk naar redelijke verwachting eerder zijn voltooid.

Ook voor de andere kostenposten geldt dat het niet gaat om vergoeding van uitgaven die hun doel hebben moeten missen doordat het terrein niet tijdig is vrijgegeven, maar om uitgaven die naar redelijke verwachting niet gedaan zouden zijn als het terrein tijdig zou zijn vrijgegeven. 3.24.2 Het Crawford-rapport maakt voldoende aannemelijk dat de opgevoerde kosten voor UTA-personeel componenten bevat waarvan onvoldoende aannemelijk is dat de kosten in werkelijkheid zijn gemaakt en in de hypothetische situatie niet zouden zijn gemaakt. 3.24.3 Tegenover de opmerkingen daarover in het Crawford-rapport is onvoldoende aannemelijk dat de overwerkcomponent in de opgevoerde kosten voor CAO-personeel ziet op kosten die in werkelijkheid zijn gemaakt en in de hypothetische situatie niet zouden zijn gemaakt. 3.24.4 Het Crawford-rapport maakt voldoende aannemelijk dat de opgevoerde kosten voor materieel te hoog zijn ingeschat en dat de kostenpost ketenpark een doublure bevat. 3.24.5 In het Crawford-rapport (p.

10) staat dat geen inhoudelijk oordeel is gevormd over de juistheid van de post ‘installateurs’. Mede in het licht van de brief van [directeur] is de betwisting van deze kostenpost onvoldoende gemotiveerd. 3.24.6 Mede in het licht van de brief van [directeur] is de betwisting van de kostenpost extra kosten onvoldoende gemotiveerd. 3.24.7 BNI heeft een wisselkoers EUR/USD van 1,25 gehanteerd. Zij heeft aangevoerd dat deze wisselkoers is overeengekomen, met de aanname dat het aandeel kosten in euro 66% bedraagt. Zij heeft daartoe onder meer een beroep gedaan op een brief van BNI van 4 juli 2012 en een brief van Usona van 19 maart 2015 en op de omstandigheid dat deze wisselkoers ook is gehanteerd bij variations op de overeenkomst.

BNI meent daarom dat ook bij de berekening van de directe kosten een wisselkoers EUR/USD van 1,25 gehanteerd moet worden. Het Hof volgt dit standpunt niet. Indien een wisselkoers is overeengekomen, brengt dit slechts mee dat de kosten volgens die wisselkoers (en volgens de aanname over het aandeel in euro) berekend dienen te worden voor zover het werk wordt uitgevoerd zonder kostenvergoeding en/of termijnsverlenging. Als de opdrachtnemer vanwege een bepaalde omstandigheid recht heeft op kostenvergoeding en/of termijnsverlenging en deze opdrachtnemer door die omstandigheid koerswijzigingsschade lijdt die naar regelend recht voor vergoeding in aanmerking komt (zie art. 6:125 BW en HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1258), mag die koerswijzigingsschade in beginsel in rekening worden gebracht.

Indien de overeenkomst anders bedoeld is, had dat uitdrukkelijk overeengekomen moeten worden. 3.25 HNO en Sona hebben het verweer gevoerd dat BNI op 1 maart 2015 en 20 april 2015 op een aantal onderdelen van de bouw al achterliep op de planning. Bouwdeel H liep achter op de planning, voor twee weken toe te schrijven aan een late start, voor zes weken aan trage gegevensverstrekking en voor drie weken aan een lagere productie van wapeningvlechters. Naar de mening van HNO en Sona zijn deze omstandigheden aan BNI toe te rekenen en zouden deze tot een vertraging op het kritieke pad hebben geleid in het hypothetische geval dat de vertraging in de beschikbaarstelling van het bouwterrein zou zijn uitgebleven. 3.26 BNI heeft hiertegen aangevoerd dat zij in het zicht van de vertraagde terbeschikkingstelling van de terreinen haar werkzaamheden heeft getemporiseerd.

Zie ook onder 71 van DAB-2. 3.27 Het Hof verwerpt het verweer van HNO en Sona. Mede gelet op hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen over het causaal verband en de bewijslastverdeling, ziet het Hof in de op 1 maart 2015 en 20 april 2015 bestaande stand van de bouw onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat er toen reeds een achterstand op het kritieke pad bestond die niet veroorzaakt was door de te verwachten latere oplevering van het bouwterrein, of dat in de hypothetische situatie een achterstand op het kritieke pad zou zijn ontstaan waarmee rekening moet worden gehouden.

Indirecte kosten 3.28 De termen directe kosten en indirecte kosten hebben in het algemeen spraakgebruik en in het recht geen scherp omlijnde betekenis. De meest voor de hand liggende betekenis van indirecte kosten in het recht is: kosten die in een wat verder verwijderd csqn-verband staan met de omstandigheid waarop het recht op kostenvergoeding is gebaseerd, kosten dus waarbij de causale keten uit verschillende schakels bestaat. In de bedrijfseconomie en bij (bouw)kostencalculatie kan bij indirecte kosten worden gedacht aan vaste kosten (in tegenstelling tot variabele kosten) voor zover het redelijk is die toe te rekenen aan het werk.

Voor zover de opslag voor algemene kosten (AK) een vergoeding voor vaste kosten pleegt in te sluiten, is het echter niet redelijk om daarnaast een aanspraak op vergoeding voor vaste kosten op te voeren als indirecte kosten. 3.29 BNI heeft onder indirecte kosten in DAB-1 USD 612.000 geclaimd voor prijsindexering. De brief van BNI van 19 mei 2015, productie 21 van BNI, vermeldt hierover: 5.5 Prijsindexeringen Door de vertraging loopt de bouwtijd uit. Voor die tijd maakt BNI aanspraak op mogelijke prijsaanpassingen voor lonen en materialen. Indexering zal worden berekend met de BDB Index conform Annex XXII. 3.30 Bedoeld is kennelijk Annex XXIII.

Daarin staat onder XXIII.3.1 dat de index gebruikt wordt van de Stichting Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB). 3.31 Indien BNI door de vertraging aan het einde van de verlengde bouwtijd hogere kostprijzen moet betalen dan zonder vertraging nodig zou zijn geweest, vindt dat zijn oorzaak in de vertraging bij de beschikbaarstelling van het bouwterrein. Daarom voldoet deze kostenpost aan de omschrijving van § 44 lid 4 UAV-GC 2005. Daarbij is niet van belang of deze kosten aangemerkt moeten worden als directe kosten of als indirecte kosten. 3.32 HNO en Sona hebben het verweer gevoerd dat indexering in de overeenkomst is uitgesloten.

Hiertoe hebben zij een beroep erop gedaan dat Annex XXIII.3.1 bepaalt dat indexering slechts wordt vergoed to the start date of phase B. Dit verweer faalt. Die bepaling brengt slechts mee dat BNI geen kostprijsverhogingen mag doorbelasten voor zover het werk wordt uitgevoerd zonder kostenvergoeding en/of termijnsverlenging. Indien kostprijsverhogingen ook niet in rekening zouden mogen gebracht indien recht bestaat op kostenvergoeding en termijnsverlenging, had dat uitdrukkelijk overeengekomen moeten worden. Noch de aanduiding fixed price op p. 23 van de tender guide, noch de uitsluiting van § 11 lid 3 UAV-GC 2005 leidt tot een ander oordeel. 3.33 De DAB heeft geoordeeld dat het voor prijsindexering toewijsbare bedrag niet vooraf vastgesteld mag worden op basis van geprognosticeerde indices, maar alleen achteraf op basis van gepubliceerde indices.

Nu de bouw inmiddels is voltooid, is er in elk geval geen reden meer om een geprognosticeerde index te hanteren. Partijen hebben het Hof echter onvoldoende ingelicht over het verschil. Daarom zal het Hof ervan uitgaan dat dit geen verschil maakt. 3.34 BNI heeft aangevoerd dat partijen na DAB-1 overeenstemming hebben bereikt over de indexering. Dit baat haar niet. Bij deze overeenstemming is immers uitdrukkelijk overeengekomen dat partijen legal action mochten voeren tegen de beslissing van de DAB hierover, hetgeen HNO en Sona hebben gedaan door deze kostenpost in deze procedure aan de orde te stellen. 3.35 Het gevorderde bedrag van USD 612.000 is dus toewijsbaar. 3.36 BNI heeft onder indirecte kosten in DAB-1 USD 2.347.826 geclaimd voor onderdekking algemene kosten, USD 1.721.739 voor onderdekking winst en USD 626.087 voor onderdekking risico. 3.37 Onderdekking betekent in dit verband: inkomsten die de opdrachtnemer misloopt doordat hij in de feitelijke situatie geen opslagen op bepaalde kosten in rekening brengt die hij in de hypothetische situatie wel in rekening zou hebben gebracht.

Hiervoor sluit de in § 44 lid 4 UAV-GC 2005 voorziene redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico echter al een afdoende vergoeding in (in elk geval als de opslag redelijk is). Het Hof zal daarom in dit verband niets toewijzen onder het kopje indirecte kosten. Zie verder onder het kopje opslag. 3.38 BNI heeft onder indirecte kosten in DAB-1 USD 289.492 geclaimd voor rente over directe vertragingskosten en USD 105.022 voor rente over indirecte vertragingskosten. 3.39 Het Hof ziet ervan af bedragen te berekenen voor vertragingskosten. Volstaan kan worden met de overweging dat BNI recht heeft op de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW (van Curaçao).

De kosten waarvoor een vergoeding wordt toegekend, zijn gemaakt op verschillende momenten in de periode vanaf het moment dat het bouwterrein ter beschikking had moeten worden gesteld tot aan het einde van de bouw, inclusief de termijnsverlenging. Het Hof maakt gebruik van zijn bevoegdheid om schattingen te maken en acht het redelijk om de ingangsdatum voor het gehele bedrag te stellen op 1 juli 2017, ongeveer het midden van die periode. Opslag 3.40 De meest voor de hand liggende betekenis van opslag is: vermeerdering met een percentage. Een taalkundige uitleg van § 44 lid 4 UAV-GC 2005 leidt ertoe dat het bedrag dat met een percentage dient te worden vermeerderd, het totaal is van de directe kosten en de indirecte kosten als bedoeld in die bepaling.

Dat ligt in dit zinsverband besloten in de term opslag. Partijen moesten en mochten redelijkerwijs verwachten dat de opslag zo zou worden berekend. Indien een andere grootheid met een percentage zou dienen te worden vermeerderd, had dat tot uitdrukking dienen te komen in de bewoordingen van § 44 lid 4 UAV-GC 2005, bijvoorbeeld door te spreken van een redelijk bedrag in plaats van een redelijke opslag, of door te expliciteren waarover de opslag berekend moet worden. 3.41 Bij de vraag wat redelijk is, moeten in het algemeen alle omstandigheden van het geval in de beoordeling worden betrokken, in samenhang bezien.

Bij de vraag wat een redelijke opslag is in de zin van § 44 lid 4 UAV-GC 2005, is het volgende van belang. ( a) Het ligt het meest voor de hand om het percentage te hanteren dat BNI bij zijn offerte voor dit werk of in zijn begroting voor dit werk heeft gebruikt als opslag voor algemene kosten, winst en risico. Dit is slechts redelijk, indien Sona ten tijde van de offerte of de begroting met dat percentage bekend was en ermee akkoord ging. ( b) Als dit laatste niet het geval is, kan worden aangesloten bij wat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst of ten tijde van het maken van alle directe en indirecte kosten gebruikelijk was bij dit soort bouwprojecten. ( c) Als een dergelijk gebruik niet bekend is, kan het Hof een redelijk opslagpercentage vaststellen op grond van feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels. ( d) Als ook dat geen uitkomst biedt, moet het Hof een redelijk opslagpercentage vaststellen ex aequo et bono. 3.42 De brief van BNI van 19 mei 2015, productie 21 van BNI, vermeldt: 5.6 Onderdekking algemene kosten/winst/risico Door de stagnatie zal BNI niet in staat worden gesteld om omzet te genereren en loopt daarmee dekking voor opslagen t.b.v. algemene kosten (AK), Winst (W) en Risico (R) mis.

De gemiste dekking wordt als volgt berekend. De dekking voor AK = 7,5% voor winst & risico = 7,5% (en 2% voor coördinatie). De totale opslag is daarmee 17% over het eindbedrag. 3.43 De brief van [directeur] van 5 december 2015 vermeldt hierover onder meer dat de gehanteerde percentages niet overeenkomen met de bedrijfseconomische werkelijkheid van BNI. 3.44 In DAB-1 heeft de DAB onder 45 dat de gehanteerde percentages van 7,5% voor algemene kosten en 5,5% voor winst de DAB juist voorkomen. De door de DAB genoemde omstandigheid dat risico niet wordt gederfd, doet er niet aan af dat § 44 lid 4 UAV-GC 2005 ook voorziet in een redelijke opslag voor risico.

Over het gehanteerde percentage van 2% voor risico heeft de DAB zich (onder 46 of elders in DAB-1) niet uitgelaten. 3.45 Niet is gebleken dat BNI bij zijn offerte voor dit werk of in zijn begroting voor dit werk een bepaald percentage heeft gebruikt als opslag voor algemene kosten, winst en risico, en dat Sona ten tijde van de offerte of de begroting met dat percentage bekend was en ermee akkoord ging. Evenmin kan het Hof vaststellen wat ten tijde van het aangaan van de overeenkomst of ten tijde van het maken van alle directe en indirecte kosten gebruikelijk was bij dit soort bouwprojecten.

Het Hof is ook niet bekend met feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels waarop het zijn beslissing kan baseren. Het Hof kan de hiervoor onder 3.41 genoemde methoden (a), (b) en (c) dus niet toepassen. 3.46 Het Hof zal dus methode (d) toepassen. Het door BNI gehanteerde percentage komt het Hof bovenmatig voor. Het Hof acht een totale opslag voor algemene kosten, winst en risico van 10% redelijk. 3.47 Het toewijsbare bedrag aan opslag is dus: 10% x (USD 6.901.727 + USD 612.000) = USD 751.373. 3.48 Bij deze wijze van berekening is niet van belang dat volgens HNO en Sona de omzetstijging van BNI niet lineair is.

Slotsom met betrekking tot DAB-1 3.49 Voor DAB-1 is dus toewijsbaar: Directe kosten USD 6.901.727 Indirecte kosten 612.000 Opslag 751.373 Totaal 8.265.100 Het totaal is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag van de voldoening. DAB-2 3.50 De DAB heeft bij uitspraak van 1 mei 2018 (hierna: DAB-2) feiten vastgesteld onder 7, a tot en met r. Deze feiten zijn niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en dienen dus ook het Hof tot uitgangspunt. Een samenvatting van de belangrijkste feiten heeft het Hof reeds gegeven in het tussenvonnis onder 3.1.1-3.1.7. 3.51 Blijkens DAB-2 heeft BNI gevorderd, verkort weergegeven: a. directe kosten USD 2.577.743 b. mitigerende maatregelen 258.333 c. onderdekking algemene kosten en winst 1.291.304 d. rente 75.692 e. [onderaannemer] 85.000 f. inefficiëntieschade 594.598 g. prijsrisicoverrekening pm 3.52 Hiervan heeft de DAB toegewezen: a. directe kosten USD 2.577.743 b. mitigerende maatregelen 258.333 c. onderdekking algemene kosten en winst 972.552 d. rente 61.863 e. [onderaannemer] 54.030 f. inefficiëntieschade 446.370 g. prijsrisicoverrekening pm 3.53 BNI heeft recht op vergoeding van de kosten die hun oorzaak vinden in de omstandigheid dat de deelgebieden 6 en 7 tussen 2 mei 2016 en 25 augustus 2016 niet geheel zijn vrijgegeven.

Directe kosten 3.54 BNI heeft bij DAB-2 in totaal USD 2.577.743 aan directe kosten gevorderd, zoals gespecificeerd in het BDO-rapport van 12 oktober 2017, productie 45 van BNI en later verminderd als overwogen onder 59 en 60 van DAB-2. 3.55 In het Crawford-rapport van 16 april 2019, waarop HNO en Sona zich hebben beroepen, komt het totaal aan directe kosten voor DAB-2 uit op USD 2.148.777. 3.56 Het Hof stelt het toewijsbare bedrag voor directe kosten met betrekking van DAB-2 vast op USD 2.525.371. Zie tabel 2 op de bijlage bij dit vonnis voor een specificatie van dit bedrag.

De verschillende posten heeft het Hof aangepast op overeenkomstige gronden en op overeenkomstige wijze als bij de directe kosten van DAB-1. 3.57 Zoals hiervoor bij DAB-1 is overwogen, gaat het niet om vergoeding van uitgaven die hun doel hebben moeten missen doordat het terrein niet tijdig geheel is vrijgegeven, maar om uitgaven die naar redelijke verwachting niet gedaan zouden zijn als het terrein tijdig geheel zou zijn vrijgegeven. Dat is niet duidelijk tot uitdrukking gebracht in overweging 62 van DAB-2. Indirecte kosten 3.58 BNI heeft onder indirecte kosten in DAB-2 USD 258.333 geclaimd voor mitigerende maatregelen.

In het Crawford-rapport is opgemerkt dat dit niet onaannemelijk voorkomt (p. 10). De DAB heeft de post toegewezen (zie DAB-2 onder 70-76). Het Hof zal de post ook toewijzen. 3.59 BNI heeft onder indirecte kosten een bedrag geclaimd voor onderdekking. Het Hof zal hiervoor niets toewijzen onder het kopje indirecte kosten (zie 3.37 hiervoor). Zie verder onder het kopje opslag. 3.60 BNI heeft onder indirecte kosten een bedrag geclaimd voor rente. Het Hof zal net als bij DAB-1 wettelijke rente toewijzen. Het Hof zal als ingangsdatum 1 januari 2018 hanteren (een half jaar later dan 1 juli 2017), omdat de periode waarin de kosten zijn gemaakt bij DAB-2 ongeveer een jaar later is ingegaan dan bij DAB-1 en rond dezelfde tijd is geëindigd. 3.61 BNI heeft onder indirecte kosten € 85.000 geclaimd als aanspraak van [onderaannemer].

De DAB heeft dit bedrag toegewezen tot € 54.030. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de DAB dat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de gehele door [onderaannemer] gestelde vertraging toegerekend moet worden aan de vertraging bij het vrijgeven van het bouwterrein aan BNI. Het Hof zal daarom het door DAB gehanteerde bedrag toewijzen. 3.62 BNI heeft onder indirecte kosten USD 594.598 geclaimd als inefficiëntieschade. Aanvankelijk had zij hiervoor (kennelijk) USD 446.370 geclaimd. In het Crawford-rapport is opgemerkt dat Crawford hierbij geen aanmerkingen heeft.

De DAB heeft laatstgenoemd bedrag toegewezen. Het meerdere heeft de DAB afgewezen op de grond dat het extrapoleren van de inefficiëntie-trend naar andere uitgevoerde activiteiten te veel aannames bevat en onvoldoende is onderbouwd. Het Hof verenigt zich daarmee. Ook in dit geding is dat zo gebleven. Het Hof zal voor deze post dus USD 446.370 toewijzen. 3.63 BNI heeft onder indirecte kosten aanspraak gemaakt op prijsrisicoverrekening, waarmee zij kennelijk hetzelfde bedoelt als bij DAB-1 met de post prijsindexering. Zoals hiervoor bij DAB-1 is overwogen is dat in beginsel toewijsbaar. 3.64 Het toewijsbare bedrag aan indirecte kosten is dus:

USD 258.333 + € 54.030 + USD 446.370 + pm = USD 704.703 + € 54.030 + pm Opslag 3.65 BNI heeft recht op een opslag. Die dient op dezelfde wijze berekend te worden als bij DAB-1. De DAB heeft onder 83 onderzocht welke winst BNI op een ander werk had kunnen genereren (zie ook onder 78 en 79), maar het Hof hanteert een redelijk percentage zoals nader overwogen bij DAB-1. Het Hof zal dus uitgaan van 10%. 3.66 Het toewijsbare bedrag aan opslag is dus: 10% x (USD 2.525.371 + USD 704.703 + € 54.030 + pm) = USD 323.007 + € 5.403 + pm. Slotsom met betrekking tot DAB-2 3.67 Voor DAB-2 is dus toewijsbaar:

Directe kosten USD 2.525.371 Indirecte kosten USD 704.703 + € 54.030 + pm Opslag USD 323.007 + € 5.403 + pm Totaal USD 3.553.081 + € 59.433 + pm Het totaal is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening. Vergoeding van kosten van deskundigen en advocaten 3.68 BNI heeft in hoger beroep nog betaling gevorderd van de volgende bedragen: In euro Kosten van rechtsbijstand DAB-1 241.797 Kosten Driver Trett 1 20.202 Kosten van rechtsbijstand DAB-2 113.360 Kosten Pheijffer 1 14.813 Kosten Pheijffer 2 2.062 Kosten Driver Trett 2 21.405 In US dollar Plus Accountants 1 9.003 Plus Accountants 2 6.196 3.69 Nu BNI schade heeft geleden doordat Sona de bouwterreinen niet tijdig heeft opgeleverd, heeft zij recht op redelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b en c BW.

De omstandigheid dat partijen zijn overeengekomen dat BNI recht heeft op alle directe en indirecte kosten, alsmede een redelijke opslag voor algemene kosten, winst en risico, leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit kan niet worden afgeleid dat partijen contractueel zijn afgeweken van art. 6:96 lid 2 sub b en c BW. Ook voor het overige kan een dergelijke afspraak nergens uit worden afgeleid. 3.70 Alle hiervoor onder 3.69 bedoelde kostensoorten zijn naar hun aard kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b of c BW. Het was op zichzelf redelijk om dat soort kosten te maken.

Beoordeeld moet worden of ook de omvang van de gemaakte kosten redelijk is. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Het Hof acht in totaal USD 150.000 redelijk, met de wettelijke rente vanaf de dag van uitspraak van dit vonnis. Hierbij slaat het Hof acht op alle omstandigheden van het geval, waaronder de hoogte van de bedragen die de DAB had moeten toewijzen, de hoedanigheid van partijen, de aard van het geschil en de overeengekomen wijze van geschilbeslechting. Slotoverwegingen 3.71 Onder 3.19 van het tussenvonnis heeft het Hof als zijn voorshands oordeel gegeven dat Sona geen recht heeft op een vergoeding vanwege het nalaten van BNI om een bankgarantie te stellen.

Partijen hebben hierover niets meer aangevoerd. Het Hof maakt dat voorshands gegeven oordeel nu tot een eindbeslissing. 3.72 De omstandigheid dat Sona haar vorderingsrechten op BNI heeft overgedragen aan HNO, brengt niet mee dat zij onbevoegd is rechtsvorderingen tegen BNI in te stellen of dat zij niet in die rechtsvorderingen kan worden ontvangen, maar wel dat haar rechtsvorderingen tegen BNI (zowel de verklaringen voor recht als de betalingen aan HNO) moeten worden afgewezen bij gebrek aan belang. 3.73 De vordering van HNO is mede gebaseerd op de stelling dat ter uitvoering van DAB-1 en DAB-2 USD 17.130.889 is betaald.

Het Gerecht heeft onder 4.3 van zijn tussenvonnis overwogen dat niet te kunnen afleiden uit productie 14 van BNI. Ook het Hof kan dit niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen. Het Hof zal dit daarom in het midden laten. 3.74 Het Hof zal BNI veroordelen tot terugbetaling van een geldbedrag als in het dictum omschreven. Het Hof zal geen verklaringen voor recht uitspreken, omdat niet is gebleken dat daarbij zelfstandig belang bestaat. 3.75 De bestreden vonnissen dienen te worden vernietigd. HNO en BNI worden over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld.

Daarom worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Sona wordt geheel in het ongelijk gesteld en zal daarom veroordeeld worden in de proceskosten. BNI heeft echter slechts in zeer beperkte mate afzonderlijk tegen Sona behoeven te procederen. Daarom zullen de proceskosten die zij tegen Sona heeft moeten maken op nihil worden begroot. B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt BNI tot terugbetaling aan HNO van hetgeen Sona of HNO aan BNI heeft betaald uit hoofde van de in DAB-1 en DAB-2 beoordeelde geschillen, inclusief daarmee verband houdende betalingen uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of c BW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum of datums waarop de betalingen zijn gedaan; met aftrek van: a. uit hoofde van het in DAB-1 beoordeelde geschil:

USD 8.265.100, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag van de voldoening; b. uit hoofde van het in DAB-2 beoordeelde geschil: b1. USD 3.553.081 en € 59.433, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening, b2. het verschil in prijsrisicoverrekening tussen het overeengekomen termijnschema en de werkelijke termijnbetalingen op basis van de maandelijks gepubliceerde BDB-indexcijfers kantoorgebouwen nieuwbouw, met dien verstande dat de indexering in de periode van 28 mei 2018 tot 13 augustus 2018 alleen kan worden berekend over de termijnen die betrekking hebben op het testen en het valideren, verhoogd met 10%; c. uit hoofde van art. 6:96 lid 2 sub b of c BW:

USD 150.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van uitspraak van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening; verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; compenseert tussen BNI en HNO de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; veroordeelt Sona in het geding tussen Sona en BNI in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van BNI gevallen en tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.