Legislator Case Law & Legislation
BWBR0045574 NL

Regeling inburgering 202120213886301-09-202113-08-20212021-0000130089202158603-12-202130-11-202101-01-2022Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

72 Articles / Provisions · Netherlands
Open official source Machine-readable Markdown (.md)

Table of Provisions (72)

Statutory Text (72 Articles)

BWB 2026-04-18

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

besluit: het Besluit inburgering 2021;

de Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964;

Regeling inburgering: de regeling inburgering, zoals die luidde de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling;

toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 2 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal.

BWB 2026-04-18

1 Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie.

2 Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken.

3 Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet is in ieder geval sprake in geval van werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.

4 Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid, verricht.

BWB 2026-04-18

De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die beschikt over

een inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van het besluit;

een inburgeringsdiploma als bedoeld in artikel 3.10 van het Besluit inburgering, vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat de onderdelen, genoemd in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d, van het besluit, allen zijn geëxamineerd op ten minste het niveau B1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde talen;

een op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een Nederlandstalige opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, vwo, havo of vmbo, of beroepsonderwijs vanaf het tweede niveau als bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdeel b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

een diploma of ander document vergelijkbaar met de in onderdeel c genoemde diploma’s of getuigschriften, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Suriname of België mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;

een diploma of ander document vergelijkbaar met de in onderdeel c genoemde diploma’s of getuigschriften, behaald aan een uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet voortgezet Onderwijs BES of aan een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba; of

een diploma of getuigschrift van een erkende Internationale of Europese school waaruit blijkt dat het vak Nederlands is gevolgd op een niveau dat vergelijkbaar is met ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen en voor het vak Nederlandse taal een voldoende is behaald.

BWB 2026-04-18

De Minister verleent vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van de wet, aan de inburgeringsplichtige die een opleiding volgt die leidt tot uitreiking van een van de bewijsstukken, genoemd in artikel 2.1, gedurende de periode dat de inburgeringsplichtige is ingeschreven voor de betreffende opleiding.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De inburgeringsplichtige dient een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, d en e, van de wet, in bij de Minister.

2 De Minister geeft binnen 8 weken een beschikking.

3 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 90.

BWB 2026-04-18

Als organisaties, bedoeld in artikel 2.4 van het besluit, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een advies met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, een voorstel met betrekking tot de in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.6.

2 De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, adviseert tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht indien de inburgeringsplichtige niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op de inburgeringsplicht dan wel op een of meerdere onderdelen daarvan, en dit ook niet mogelijk is door het treffen van aangepaste examenomstandigheden voor een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of een of meerdere van de examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van het besluit.

3 De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt de deskundigenverklaring op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

De deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, bevat in ieder geval een advies met betrekking tot het verlenen dan wel het weigeren van de gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht en, indien van toepassing, een voorstel met betrekking tot de in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden als bedoeld in artikel 3.6.

De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, adviseert tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht indien de inburgeringsplichtige niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf jaar voor te bereiden op de inburgeringsplicht dan wel op een of meerdere onderdelen daarvan, en dit ook niet mogelijk is door het treffen van aangepaste examenomstandigheden voor een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of een of meerdere van de examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, van het besluit.

De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt de deskundigenverklaring op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

1 Bij de aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 2.8 van het besluit, verschaft de inburgeringsplichtige informatie over: a. de bijzondere individuele omstandigheden die het hem onmogelijk of uiterst moeilijk maken aan de inburgeringsplicht te voldoen, en een onderbouwing waarom deze omstandigheden hem niet verweten kunnen worden; b. de geleverde inspanningen om te voldoen aan de inburgeringsplicht; en c. de zeer schrijnende situatie waarin hij terecht komt indien ontheffing van de inburgeringsplicht niet wordt verleend.

2 Indien de bijzondere individuele omstandigheden bestaan uit medische omstandigheden, verstrekt de inburgeringsplichtige, of, indien van toepassing, diens gezinslid of bloedverwant in de eerste graad, bij de aanvraag een medische machtiging.

3 De arts, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, stelt een advies op over de medische omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

1 Voor het onderzoek ten behoeve van het opstellen van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225.

2 Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in de deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, wordt geadviseerd de gevraagde gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, maar wel wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen.

BWB 2026-04-18

In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend.

De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.

Een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt uitsluitend verleend indien vanwege de belemmering of beperking niet kan worden voldaan aan

maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1 of het examen KNM van het inburgeringsexamen;

maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1 of het examen KNM als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet van de onderwijsroute; of

het participatiegedeelte van de zelfredzaamheidsroute, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, met uitzondering van de activiteiten van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie.

Indien Onze Minister op grond van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige wel aan een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen dan wel een of meerdere examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in het derde lid, kan voldoen onder examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, geldt dat

voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op het niveau A2 en het examen kennis van de Nederlandse maatschappij in een beschikking wordt vermeld welke aangepaste examenomstandigheden het betreft; en

voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1, de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, waarin ten aanzien van de inburgeringsplichtige een voorstel wordt gedaan met betrekking tot in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden voor het voornoemde examen, aan de inburgeringsplichtige wordt verstrekt.

Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de omstandigheden waaronder de kosten van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, worden vergoed aan de inburgeringsplichtige.

In artikel 2.5 (Medische deskundigenverklaring) en artikel 2.7 (Tarieven ontheffing) van de Regeling inburgering 2021 staat

BWB 2026-04-18

Voor het onderzoek ten behoeve van het opstellen van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, is door de inburgeringsplichtige een bedrag verschuldigd van € 225.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de inburgeringsplichtige terugbetaald indien in de deskundigenverklaring, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, wordt geadviseerd de gevraagde gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht te verlenen dan wel deze niet te verlenen, maar wel wordt geadviseerd de inburgeringsplichtige de examens onder aangepaste examenomstandigheden af te laten leggen.

BWB 2026-04-18

Ten minste 40 uren van de module Arbeidsmarkt en Participatie zijn gericht op de praktische inzet van de inburgeringsplichtige op de arbeidsmarkt.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De Minister stelt voor de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit, een examenreglement vast.

2 Een inburgeringsplichtige die zich overeenkomstig de daartoe gestelde regels heeft aangemeld, het verschuldigde examengeld heeft voldaan en zich overeenkomstig artikel 3.8 van het besluit heeft geïdentificeerd, wordt toegelaten tot de examens, bedoeld in \.

3 De kwaliteit van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit, wordt gewaarborgd door: a. transparantie van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de examinering; b. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de examen- en persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of onrechtmatige verwerking; c. het beschrijven van de procedure van verwerking van examenresultaten en de gegevensverstrekking; d. de naleving van het examenreglement, bedoeld in het eerste lid; e. het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de kwaliteit van de processen rondom de afname en de beoordeling van examens te waarborgen; en f. het beschrijven van de procedure die wordt gevolgd bij een vermoeden van onregelmatigheden bij het afleggen van de examens en het omschrijven van de sancties die getroffen kunnen worden indien sprake is van onregelmatigheden.

4 Om tot de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit, te worden toegelaten is de kandidaat verplicht in te stemmen met de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen geheimhoudingsverklaring ten aanzien van de inhoud van het examen.

BWB 2026-04-18

In het examenreglement, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, wordt in ieder geval vermeld

de procedure van aanmelding en identificatie van de inburgeringsplichtige;

de wijze waarop het examengeld wordt geïnd;

de procedure bij annulering of wijziging van de examendatum door de inburgeringsplichtige;

de wijze van bekendmaking van de uitslagen van de examens;

de procedure en sancties bij onregelmatigheden; en

de procedure voor de afhandeling van klachten.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Van de verplichting om voor een of meerdere onderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 het examen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een van de volgende bewijsstukken, en daaruit blijkt dat een voldoende resultaat is behaald voor het vak Nederlandse taal

een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, alsmede degene die beschikt over het diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal op ten minste niveau B1;

een cijferlijst als bedoeld in artikel 52 of een certificaat als bedoeld in artikel 53 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 31 van het Staatsexamenbesluit VO;

een van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal

Certificaat Profiel Maatschappelijk Formeel op ERK-niveau B1;

Certificaat Profiel Zakelijk Professionele op ERK-niveau B2;

Certificaat Profiel Educatief Startbekwaam op ERK-niveau B2;

Certificaat Profiel Educatief Professioneel op ERK-niveau C1; of

een buitenlands diploma, getuigschrift of certificaat behaald bij een door de overheid van het land waar de opleiding is gevolgd erkende instelling, waaruit blijkt dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de schriftelijke en mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 beheerst.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Van de verplichting om voor een of meerdere onderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 het examen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over een van de volgende bewijsstukken, en daaruit blijkt dat een voldoende resultaat is behaald voor het vak Nederlandse taal

een bewijsstuk verstrekt door de Minister, waaruit volgt dat het examenonderdeel lezen, luisteren, schrijven, respectievelijk spreken van het inburgeringsexamen op ERK niveau A2 is behaald; of

een certificaat Nederlands als vreemde taal op ERK niveau A2 verstrekt door de Taalunie.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De inburgeringsplichtige dient een aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet, in bij de Minister.

2 De Minister geeft binnen 8 weken een beschikking.

BWB 2026-04-18

Als organisaties, bedoeld in artikel 3.13 van het besluit, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De cursus Nederlands als tweede taal en het alfabetiseringsonderwijs, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bestaat uit de volgende onderdelen: a. leesvaardigheid; b. luistervaardigheid; c. schrijfvaardigheid; en d. spreekvaardigheid.

2 Het college kan een lagere urennorm vaststellen dan de norm, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, of vaststellen dat cursusuren voor bepaalde onderdelen, genoemd in het eerste lid, niet hoeven te worden gevolgd indien de inburgeringsplichtige met een auditieve of visuele beperking in verband met deze beperking een revalidatietraject volgt.

BWB 2026-04-18

Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 Het model van het inburgeringscertificaat is opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

2 Het college overhandigt het inburgeringscertificaat persoonlijk aan de inburgeringsplichtige.

BWB 2026-04-18

Als instelling, bedoeld in artikel 10 van de wet, wordt aangewezen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

De te behalen eindtermen van het examenonderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 3.4 van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Als organisaties, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de wet, worden aangewezen de Stichting Nuffic en de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) maakt een voorbehoud als bedoeld in artikel 15b van de Auteurswet met betrekking tot de inhoud van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het besluit.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Het examengeld, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het besluit, bedraagt

€ 50 voor het examen, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel a, van het besluit;

€ 50 voor elk van de onderdelen van het examen, genoemd in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d, van het besluit op het niveau A2.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 Een asielstatushouder in de B1-route mag bij het afleggen van het inburgeringsexamen kosteloos twee keer examen per examenonderdeel afleggen, mits het niveau van het examen overeenkomt met ten minste het in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgelegde niveau.

2 Een asielstatushouder in de onderwijsroute mag kosteloos twee keer examen van het examenonderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij, dat wordt aangeboden als onderdeel van het inburgeringsexamen, afleggen.

3 Een asielstatushouder in de Z-route mag kosteloos twee keer examen per taalexamenonderdeel op het niveau A2, en het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, dat wordt aangeboden als onderdeel van het inburgeringsexamen, afleggen, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.14, zevende lid, van het besluit.

BWB 2026-04-18

De aangepaste examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van het besluit, betreffen in ieder geval

examen in aangepaste locatie;

verlenging examentijd;

onderbroken examenafname;

aangepaste inroostering;

examenhulp;

grootbeeld;

grootschrift;

loepfunctie;

typen in plaats van schrijven; en

voorleesfunctie.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid en spreekvaardigheid van het examen, bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a, b en d van het besluit, op het niveau A2 worden afgelegd door middel van een door de Minister beheerd geautomatiseerd systeem.

2 Het onderdeel schrijfvaardigheid van het examen, bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onderdeel c, van het besluit, op het niveau A2 wordt schriftelijk afgelegd.

3 Het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, wordt afgelegd door middel van een door de Minister beheerd geautomatiseerd systeem.

BWB 2026-04-18

1 De examenonderdelen leesvaardigheid en luistervaardigheid, bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a en b, van het besluit, op het niveau A2 worden beoordeeld door de Minister door middel van het geautomatiseerd systeem, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid.

2 Het examenonderdeel spreekvaardigheid, bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onderdeel d, van het besluit, op het niveau A2 wordt voor wat betreft de antwoorden op de meerkeuzevragen beoordeeld door middel van het geautomatiseerd systeem, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, en voor de antwoorden op de open vragen door een of meer door de Minister aan te wijzen beoordelaars.

3 Het examenonderdeel schrijfvaardigheid, bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onderdeel c, van het besluit, op het niveau A2 wordt beoordeeld door een of meer door de Minister aan te wijzen beoordelaars.

4 Het examenonderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, wordt door middel van het geautomatiseerd systeem, bedoeld in artikel 3.7, derde lid, beoordeeld.

BWB 2026-04-18

1 De deskundigheid van de beoordelaars, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel c, van het besluit, blijkt uit een afgeronde door de Minister vast te stellen examentraining schrijfvaardigheid op het niveau A2 of spreekvaardigheid op het niveau A2.

2 De examentraining wordt gegeven door een door de Minister aan te wijzen instelling.

3 De in het tweede lid genoemde instelling reikt een certificaat uit, waaruit blijkt dat de deelnemer de training heeft gevolgd en het aansluitende examen met goed gevolg heeft afgelegd.

BWB 2026-04-18

Onze Minister kan de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking op diens verzoek in de gelegenheid stellen om de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

De inburgeringsplichtige kan kosteloos een deskundigenverklaring aanvragen van een door Onze Minister aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waarin deze arts zich uitlaat over de noodzaak tot het treffen van aangepaste examenomstandigheden bij het afleggen van een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen en welke mogelijke aangepaste examenomstandigheden dit kunnen betreffen.

Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, legt de kandidaat de deskundigenverklaring, bedoeld in het tweede lid, over, waaruit blijkt dat hij een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

Indien Onze Minister bij de toepassing van artikel 2.7 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanmelding voor het voornoemde examen, de beschikking, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel over.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel.

In artikel 3.6 van de Regeling inburgering 2021 staat

De aangepaste examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van het besluit, betreffen in ieder geval

examen in aangepaste locatie;

verlenging examentijd;

onderbroken examenafname;

aangepaste inroostering;

examenhulp;

grootbeeld;

grootschrift;

loepfunctie;

typen in plaats van schrijven; en

voorleesfunctie.

BWB 2026-04-18

1 Van een omstandigheid als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het besluit is sprake bij: a. langdurige ziekte van de inburgeringsplichtige, zijn partner of bloedverwant in de eerste graad van ten minste drie aaneengesloten maanden; b. overlijden van de partner of een bloedverwant in de eerste graad van de inburgeringsplichtige; c. bevalling van de inburgeringsplichtige; d. verblijf in een Blijf van mijn Lijf huis door de inburgeringsplichtige voor een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden; e. deelname aan een alfabetiseringscursus voor de duur van ten minste drie aaneengesloten maanden door de inburgeringsplichtige die de B1-route of onderwijsroute volgt; f. een opgelopen vertraging vanwege dakloosheid van de inburgeringsplichtige gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden; g. het niet binnen drie maanden na de datum van het vaststellen van het persoonlijk plan inburgering en participatie doen van een inburgeringsaanbod als bedoeld in artikel 16 van de wet door het college, met dien verstande dat de inburgeringsplichtige die de onderwijsroute volgt binnen zes maanden na het vaststellen van het voornoemde plan ook daadwerkelijk kan starten met het taalschakeltraject; h. de onmogelijkheid inburgeringsactiviteiten te verrichten gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden vanwege een omstandigheid gelegen bij de aanbieder van deze inburgeringsactiviteiten; i. een opgelopen vertraging van ten minste drie aaneengesloten maanden vanwege een niet verwijtbare individuele bijzondere omstandigheid; of j. twee of meer van de omstandigheden, bedoeld in onderdeel a tot en met i, die tezamen tot gevolg hebben dat het voor de inburgeringsplichtige niet mogelijk is geweest inburgeringsactiviteiten te verrichten gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden.

2 De termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, of de op grond van de artikelen 24, tweede en derde lid, 25, tweede lid, van de wet vastgestelde nieuwe termijn wordt verlengd met een periode: a. die gelijk is aan de duur van die ziekteperiode bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. van drie maanden, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. van 16 weken, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; d. die gelijk is aan de duur van het verblijf, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d; e. die gelijk is aan de duur van de alfabetiseringscursus en ten hoogste zes maanden, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e; f. die gelijk is aan de duur van de dakloosheid en ten hoogste twee jaar, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f; g. die gelijk is aan de duur van het uitblijven van een inburgeringsaanbod na het verstrijken van drie maanden na de datum van het vaststellen van het persoonlijk plan inburgering en participatie, met dien verstande dat bij de onderwijsroute de duur van de verlenging zes maanden bedraagt indien de inburgeringsplichtige niet binnen zes maanden na het vaststellen van het voornoemde plan ook heeft kunnen starten met het taalschakeltraject, bij de omstandigheid bedoeld in het eerste lid, onderdeel g; h. die gelijk is aan de duur van de opgelopen vertraging en ten hoogste zes maanden, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h; i. die gelijk is aan de duur van de opgelopen vertraging en ten hoogste twee jaar, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i; j. die gelijk is aan de duur van de opgelopen vertraging, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j.

3 De inburgeringsplichtige verstrekt bij de aanvraag om verlenging op grond van het eerste lid: a. een medische machtiging, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; b. een afschrift van de ingeschreven akte van overlijden als bedoeld in artikel 19f van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; c. een afschrift van de geboorteakte uit de Basisregistratie Personen, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c; d. een door het Blijf van mijn Lijf huis afgegeven verklaring, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d; e. een verklaring van de taalschool, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e; f. een uitdraai uit de Basisregistratie Personen, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f; g. een verklaring van het college, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g; h. stukken waaruit de omstandigheid bij de aanbieder blijkt, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h; i. stukken waaruit de niet verwijtbare individuele bijzondere omstandigheid blijkt, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i; j. de bij de omstandigheid behorende stukken, bedoeld in onderdeel a tot en met i, bij de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j.

BWB 2026-04-18

1 Niet vrijstellende opleidingen als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van het besluit zijn: a. praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; b. voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van voornoemde wet; of c. een entreeopleiding (mbo-niveau 1), bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

2 De inburgeringsplichtige verstrekt bij de aanvraag om verlenging op grond van het eerste lid: a. een bewijs van inschrijving van de school of instelling die de opleiding verzorgt of heeft verzorgd; b. een bewijsstuk met daarin de vermelding van het uitstroomprofiel, bij het eerste lid, onderdeel b; en c. een bewijs van uitschrijving van de school of instelling die de opleiding heeft verzorgd indien de inburgeringsplichtige de opleiding op het moment van het indienen van de aanvraag niet langer volgt.

3 De termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, of de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, wordt voor een inburgeringsplichtige die de opleiding op het moment van de aanvraagniet langer volgt, verlengd met een periode die gelijk is aan de datum van inschrijving bij de school of instelling die de opleiding heeft verzorgd, waarbij de periode voorafgaand aan de datum waarop de inburgeringsplicht aanving niet meetelt, tot aan de datum van uitschrijving bij de school of instelling die de opleiding heeft verzorgd, met dien verstande dat de verlengingsduur voor de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten hoogste twee jaar is.

4 De termijn, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet, of de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, wordt voor een inburgeringsplichtige die de opleiding nog volgt op het moment van de aanvraag, verlengd met de periode van twee jaren. Na deze verlenging kan de termijn nog twee keer worden verlengd met de periode van een jaar, met dien verstande dat de verlengingsduur voor de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ten hoogste twee jaar is.

5 Indien een inburgeringsplichtige na de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, doorstroomt naar de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden verlengingstermijnen bij elkaar opgeteld mits de inburgeringsplichtige de opleidingen direct aansluitend op elkaar heeft gevolgd of volgt. Indien dit niet het geval is, wordt uitgegaan van de verlengingsduur behorende bij de opleiding die de inburgeringsplichtige volgde op de datum waarop de inburgeringsplicht aanving.

BWB 2026-04-18

Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht als diegene heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking, blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht, of een gedeelte daarvan, te voldoen.

Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige voorts van de inburgeringsplicht als het de inburgeringsplichtige, gelet op bijzondere individuele omstandigheden die hem niet kunnen worden verweten, onmogelijk of uiterst moeilijk is om te voldoen aan de inburgeringsplicht.

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing of voor medisch advies voor de ontheffing, kunnen bij ministeriële regeling te bepalen bedragen worden vastgesteld die zijn verschuldigd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid, waarbij in ieder geval regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de belemmering kan worden aangetoond en de omstandigheden waaronder daarvoor gemaakte kosten vergoed worden.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid.

In artikel 2.7 van het Besluit inburgering 2021 is artikel 5, eerste lid, van de Wet inburgering uitgewerkt

BWB 2026-04-18

Als organisatie, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de wet, wordt aangewezen Dienst Uitvoering Onderwijs.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 Van het bedrag van de lening, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het besluit wordt twee maal de vastgestelde draagkracht, als vastgesteld op grond van artikel 6.8, tweede tot en met vijfde lid, afgetrokken.

2 Indien het bedrag van de lening minder dan € 180 bedraagt, wordt dit op nul gesteld.

BWB 2026-04-18

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een beschikking tot terugbetaling als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, van het besluit heeft ontvangen, wordt

artikel 6.8, tweede en vierde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen; en

bij toepassing van artikel 6.11 van het besluit de te betalen maandelijkse termijn per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is ontvangen.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld in artikel 21, vierde lid, van de wet kunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder mits

het achterstallige deel minimaal € 180 bedraagt; of

het deel dat zes maanden of langer achterstallig is, minimaal € 15 bedraagt.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 Ten behoeve van de betaling van de lening verstrekt de inburgeringsplichtige een verklaring aan de Minister van: a. de door hem gevolgde cursus ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute, indien hij op grond van artikel 6.2, derde lid, van het besluit, in aanmerking komt voor een lening ten behoeve van het volgen van deze cursus; b. het door hem gevolgde taalschakeltraject, indien hij op grond van artikel 6.2, vierde lid, van het besluit in aanmerking komt voor een lening ten behoeve van het volgen van een taalschakeltraject; c. het door hem gevolgde alfabetiseringsonderwijs, indien hij op grond van artikel 6.2, derde lid, van het besluit, in aanmerking komt voor een lening ten behoeve van het volgen van alfabetiseringsonderwijs; of d. de door hem afgelegde inburgeringexamens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.

2 De factuur van de cursusinstelling waar de verklaring van de inburgeringsplichtige betrekking op heeft, vermeldt in ieder geval: a. het burgerservicenummer van de inburgeringsplichtige; b. de naam- en adresgegevens van de inburgeringsplichtige; c. de naam- en adresgegevens van de instelling; d. de handtekening van de inburgeringsplichtige; e. de datum; en f. de specificatie van het factuurbedrag.

3 De betaling van de factuur, bedoeld in het tweede lid, geschiedt binnen vier weken na ontvangst door de Minister van de verklaring van de inburgeringsplichtige over de cursusuren waar die factuur betrekking op heeft.

4 De Minister betaalt per kwartaal de bedragen van de lening aan de hand van de facturen en de verklaring van de inburgeringsplichtige over de afgesproken contracturen en de verklaring van de inburgeringsplichtige over de afgelegde examens. Voor het bedrag aan ingediende facturen voor contracturen geldt een maximum van € 2.000. Indien het bedrag van de facturen, hoger is dan € 2.000 wordt de betreffende factu(u)r(en) niet betaalbaar gesteld.

BWB 2026-04-18

1 De rente over de door de debiteur opgenomen lening wordt maandelijks berekend op basis van samengestelde interest.

2 Voor de berekening van de rente op de voet van het eerste lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.

BWB 2026-04-18

1 Gedurende de aanloopfase, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a of b, van de wet, en de eerste vijf jaren van de terugbetalingsperiode, bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het besluit, wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd, vastgesteld overeenkomstig artikel 6.6, eerste lid, van het besluit. Het bij aanvang van de aanloopfase geldende rentepercentage wordt gehanteerd.

2 Voor de resterende terugbetalingsperiode na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn wordt het rentepercentage opnieuw vastgesteld overeenkomstig artikel 6.6, eerste lid, van het besluit.

BWB 2026-04-18

1 De hoogte van de maandelijkse termijn wordt berekend op basis van het bedrag aan opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 6.3 en gedeeld door het aantal te betalen termijnen.

2 De hoogte van de maandelijkse termijn bedraagt ten minste € 15. Indien de draagkracht overeenkomstig artikel 6.8 is vastgesteld op minder dan € 180 per jaar, wordt het maandelijkse termijnbedrag op nul gesteld.

BWB 2026-04-18

1 In afwijking van artikel 6.8, eerste lid, van het besluit vervallen de rente en aflossing van de lening van een debiteur, die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Artikel 6.3 is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is. Op aanvraag van de in de eerste volzin bedoelde debiteur kan de Minister besluiten dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.

2 De hoogte van de jaarlijkse dan wel de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, wordt berekend overeenkomstig artikel 6.5, tenzij de debiteur, bedoeld in het eerste lid, bij de Minister een aanvraag indient tot vaststelling van zijn draagkracht voor de resterende aflosfase. In dat geval levert hij aan de Minister de door de Minister gevraagde gegevens.

3 De betaling van de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, geschiedt door middel van: a. een daartoe door de debiteur verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een door de debiteur aangewezen bank- of girorekening in Nederland; of b. een door de Minister aan de debiteur gezonden betaalverzoek.

BWB 2026-04-18

De debiteur kan in afwijking van artikel 6.8, eerste lid, van het besluit de lening in een keer terugbetalen. De terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 6.3.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 De draagkracht die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 6.10 van het besluit, is ingediend.

2 Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur is het totaal van het toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.

3 Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan: a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner; b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie de alleenstaande ouderenkorting, bedoeld in artikel 8.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is; of c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.

4 De draagkracht van de debiteur is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.

5 Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.

BWB 2026-04-18

1 Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.8 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien sprake is van terugval in inkomen: a. over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld; of b. over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.

2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, met dien verstande dat de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.

3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de Minister het uiteindelijke belastbaar loon benadert.

BWB 2026-04-18

1 Bij de vaststelling van de hoogte van de boete, bedoeld in 7.2, tweede lid, van het besluit, voor het niet tijdig afronden van de B1-route wordt gekeken naar: a. het aantal door de inburgeringsplichtige gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet; b. het aantal keren dat de inburgeringsplichtige de onderdelen van het inburgeringsexamen heeft afgelegd; en c. het aantal onderdelen van het inburgeringsexamen dat de inburgeringsplichtige heeft behaald.

2 De hoogte van de boete wordt vastgesteld aan de hand van de boetetabel zoals opgenomen in bijlage 6a bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

1 Bij de vaststelling van de hoogte van de boete, bedoeld in 7.2, tweede lid, van het besluit, voor het niet tijdig afronden van de onderwijsroute wordt gekeken naar: a. de aanwezigheid van de inburgeringsplichtige bij de lessen van een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet; b. het aantal keren dat de inburgeringsplichtige examens heeft afgelegd met betrekking tot de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij; en c. het aantal examenonderdelen, bedoeld in onderdeel b, dat de inburgeringsplichtige heeft behaald.

2 De hoogte van de boete wordt vastgesteld aan de hand van de boetetabel zoals opgenomen in bijlage 6b bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

1 Bij de vaststelling van de hoogte van de boete, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van het besluit, voor het niet tijdig afronden van de zelfredzaamheidsroute wordt gekeken naar: a. het aantal uren door de inburgeringsplichtige gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal, inclusief alfabetiseringsonderwijs, of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet; en b. het aantal uren dat de asielstatushouder heeft besteed aan activiteiten gericht op participatie.

2 De hoogte van de boete wordt vastgesteld aan de hand van de boetetabel zoals opgenomen in bijlage 6c bij deze regeling.

BWB 2026-04-18

1 De door de Minister vast te stellen nieuwe termijn, bedoeld in artikel 24, tweede en derde lid, van de wet, bedraagt zes maanden indien het participatieverklaringstraject dan wel de module Arbeidsmarkt en Participatie niet is afgerond en bedraagt een jaar indien beide onderdelen niet zijn afgerond.

2 De door de Minister vast te stellen nieuwe termijn, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet, is bij de B1-route of de onderwijsroute afhankelijk van het door de inburgeringsplichtige aantal behaalde examenonderdelen, en wordt als volgt vastgesteld: a. indien geen examenonderdeel is behaald, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van twee jaar; b. indien een examenonderdeel is behaald, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van anderhalf jaar; c. indien twee examenonderdelen zijn behaald, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van een jaar; d. indien drie of vier examenonderdelen zijn behaald; wordt een nieuwe termijn vastgesteld van zes maanden.

3 De door de Minister vast te stellen nieuwe termijn, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet, is bij de zelfredzaamheidsroute bij de asielstatushouder afhankelijk van het aantal bestede uren aan cursusuren Nederlands als tweede taal, aan cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij of aan participatieactiviteiten, en wordt als volgt vastgesteld: a. bij 400 uren of minder, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van twee jaar; b. bij 401 uren tot en met 800 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van anderhalf jaar; c. bij 801 uren tot en met 1.200 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van een jaar; d. bij 1.201 uren tot en met 1.599 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van zes maanden.

4 De door de Minister vast te stellen nieuwe termijn, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet, is bij de zelfredzaamheidsroute bij de gezinsmigrant en overige migrant afhankelijk van het aantal gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij, en wordt als volgt vastgesteld: a. bij 200 uren of minder, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van twee jaar; b. bij 201 uren tot en met 400 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van anderhalf jaar; c. bij 401 uren tot en met 600 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van een jaar; d. bij 601 uren tot en met 799 uren, wordt een nieuwe termijn vastgesteld van een half jaar.

5 Bij toepassing van het derde en vierde lid, tellen uitsluitend de gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij mee, indien deze zijn gevolgd bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet.

6 De Minister stelt de nieuwe termijn in de boetebeschikking vast conform de ingevolge het eerste tot en met vierde lid, langst vastgestelde nieuwe termijn.

BWB 2026-04-18

Het keurmerk, bedoeld in artikel 32 van de wet, is het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door Stichting Blik op Werk.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Ten aanzien van de eisen die zien op de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, bevat het keurmerk in ieder geval eisen aan de instelling in het kader van

inschrijving in het handelsregister;

de invulling van het werknemerschap of opdrachtgeverschap;

de waarborging van de bescherming van persoonsgegevens;

het voeren van een deugdelijke administratie;

de wijze waarop voldaan wordt aan de eisen die volgen uit de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen; en

een klachtenregeling.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 Ten aanzien van de eisen die zien op de onderwijskwaliteit, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, bevat het keurmerk in ieder geval eisen aan de instelling in het kader van: a. de klassengrootte en de verhouding van het aantal inburgeraars per docent, mede gelet op het niveau van de inburgeraars; b. de kwaliteit van de onderwijsfaciliteiten; c. de kwalificaties van de docenten; d. het onderwijsplan; e. het gebruik van afstandsonderwijs; f. de toetsing van de tevredenheid van de inburgeraars door een onafhankelijke instantie; en g. de slagingspercentages.

2 De onafhankelijke instantie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan door de verlener van het keurmerk worden aangewezen.

BWB 2026-04-18

1 Ten aanzien van de eisen die zien op de fraudepreventie, bedoeld in artikel 8.2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, bevat het keurmerk in ieder geval eisen aan de instelling in het kader van: a. de wijze van facturering; b. de aanwezigheidsregistratie; c. de cursusplanning; d. financiële audits; e. een meldplicht misstanden; f. de overdracht van het keurmerk; en g. de aanwezigheid van een managementverklaring, waarin onder meer een deugdelijke bedrijfsvoering en naleving van de eisen van het keurmerk wordt toegezegd.

2 De managementverklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt periodiek vernieuwd.

BWB 2026-04-18

1 Ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, verstrekken de Minister van Justitie en Veiligheid, het college, de Stichting Nuffic, de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven en het COA de gegevens, bedoeld in bijlage 7 behorend bij deze regeling, door tussenkomst van het Centraal Bureau voor de Statistiek aan de Minister, waarbij de gegevensverstrekking plaatsvindt op een door de directeur-generaal van de statistiek te bepalen wijze en frequentie.

2 Ten behoeve van de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, verstrekt de Minister de gegevens, bedoeld bijlage 7 behorend bij deze regeling, aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij de gegevensverstrekking plaatsvindt op een door de directeur-generaal van de statistiek te bepalen wijze en frequentie.

3 De Minister ontvangt ten behoeve van monitoring en evaluatie van het CBS in ieder geval gegevens op geaggregeerd niveau over: a. arbeidsparticipatie en deelname aan onderwijs; b. het inburgeringsproces; c. de trajecten die de inburgeraars in het kader van dat proces volgen; en d. de inburgeraar.

BWB 2026-04-18

Het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel b, van het besluit, en het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit, bedraagt 70% in jaar t en 70% in jaar t-1.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant, bedoeld in de artikelen 10.1, tweede lid, onderdeel c, en 10.2, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, wordt voor het budgetjaar 2025 vastgesteld op € 694,23, en voor het budgetjaar 2026 op € 706,72.

BWB 2026-04-18

De bedragen aan uitkering per asielstatushouder per variabele a tot en met c, bedoeld in de artikelen 10.1, vijfde lid, onderdeel f, en 10.2, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, zijn voor het budgetjaar 2025 als volgt: a: 9.154,91, b: 4.635,54 en c: 1.158,89, en voor het budgetjaar 2026: a: 6.087,34, b: 4.718,96 en c: 1.179,74.

BWB 2026-04-18

De gewichten a tot en met d, bedoeld in de artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel g, en 10.2, derde lid, onderdeel d, van het besluit, zijn voor het budgetjaar 2025 als volgt: a: 9.154,91, b: 4.635,54, c: 1.158,89 en d: 0, en voor het budgetjaar 2026: a: 5.820,70, b: 4.247,06, c: 1.061,77 en d: 856,51.

BWB 2026-04-18

De percentages per variabele a en b, bedoeld in artikel 10.5, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, zijn als volgt: a: 100% en b: 50%.

Abusievelijk voegt de Staatscourant een tweede artikel 10.5 toe.

BWB 2026-04-18

Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Artikel 9a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel 11.1 van de Regeling inburgering 2021, blijft van toepassing op de personen op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

De Regeling inburgering wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

1 In artikel 2.4b, onderdeel a, van de Regeling inburgering wordt ‘ten minste viermaal heeft deelgenomen’ gelezen als ‘tenminste driemaal heeft deelgenomen’.

2 De minister verleent de ontheffing, bedoeld in artikel 2.8b, van het Besluit inburgering, in afwijking van artikel 2.4b van de Regeling inburgering, eveneens overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid. Dit gebeurt indien degene die inburgeringsplichtige is onder de Wet inburgering binnen twee jaar voorafgaand aan het moment van aanvraag ten minste 600 uur Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wet inburgering, heeft gevolgd aan een opleiding als bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c, al dan niet in combinatie met uren gevolgd bij een cursusinstelling met het Blik op Werk-keurmerk, en: a. uit een bij DUO afgelegde leerbaarheidstoets blijkt dat betrokkene niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet inburgering, te halen; of b. ten minste driemaal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen.

3 De inburgeringsplichtige, bedoeld in het tweede lid, volgt op het moment van het bereiken van de achttienjarige leeftijd geen opleiding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inburgering en volgt of heeft een onderwijssoort gevolgd die behoort tot in ieder geval de volgende onderwijssoorten: a. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet; b. het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 5, onder d, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of c. onderwijs in het kader van de eerste opvang voor nieuwkomers, bedoeld in de Regeling aanvullende bekostiging eerste opvang nieuwkomers vo, gericht op het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld onder a, het praktijkonderwijs als bedoeld onder b, werk of inburgering.

4 In bijzondere omstandigheden kan ten gunste van de inburgeringsplichtige worden afgeweken van de voorwaarden, bedoeld in het tweede en derde lid.

5 De aanvraag tot ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kan eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn.

6 De verlenging, bedoeld in artikel 2.4c, van de Regeling inburgering, wordt in afwijking van dat artikel eveneens verleend, indien de inburgeringsplichtige één maal heeft deelgenomen aan het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit inburgering, en voor het overige voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 2.4c, van de Regeling inburgering.

7 De artikelen 4.9, tweede tot en met vijfde lid, 4.10 en 4.11 van de Regeling inburgering zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve draagkrachttoets, bedoeld in artikel 12.1a, tweede lid, van het besluit. Indien de toepassing van artikel 12.1a, tweede lid, leidt tot een lagere vaststelling als bedoeld in dat artikel, wordt de draagkrachttoets steeds jaarlijks herhaald, tenzij er geen sprake meer is van een lagere vaststelling.

8 Het percentage van de lening, bedoeld in artikel 12.1a., derde lid, onderdeel b, van het besluit, bedraagt: a. 75%, indien de inburgeringsplichtige, bedoeld in dat artikel, dit percentage van diens lening heeft verbruikt in het jaar voor het verstrijken van de voor die inburgeringsplichtige geldende termijn; b. 95%, ongeacht de resterende termijn.

BWB 2026-04-18

De Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

De Beleidsregel boetevaststelling inburgering wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op degene op wie de Wet inburgering van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2020 ingediende voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021) (Kamerstukken 35 483) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

BWB 2026-04-18

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering 2021.

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

Need to analyze how this provision applies to your matter?

Cross-reference this statute against case law, commentaries, and related legislative provisions inside Legislator AI.

Open in Legislator →