Legislator Case Law & Legislation
BWBR0045389 NL

Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 202120213513109-07-202107-07-2021WJZ/2113374420213513109-07-202107-07-2021WJZ/2113374401-10-2021

94 Articles / Provisions · Netherlands
Open official source Machine-readable Markdown (.md)

Table of Provisions (94)

Statutory Text (94 Articles)

BWB 2022-01-01

In deze regeling wordt verstaan onder

algemene uitvoeringsregeling: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

allesvergisting: biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit SDE: Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde op 31 oktober 2020;

biosyngas: mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

COP-waarde: coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit;

doublet: combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

geavanceerde hernieuwbare brandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) en geproduceerd uit grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij die richtlijn;

gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, niet zijnde een bouwwerk dat bedoeld is om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn;

ketel: installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

monomestvergisting: biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

minister: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

netto P50-waarde vollasturen: aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

nominaal elektrisch rendement: uitkomst van de deling van het nominaal elektrisch vermogen en;

de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en

het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen: maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

NTA 8003:2017: Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;

nuttig aangewende warmte: nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;

nuttig aangewende koolstofdioxide: nuttig aangewende koolstofdioxide als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;

nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte: nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;

primaire waterkering: primaire waterkering als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

restwarmte: onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die op het moment van indienen van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;

richtlijn (EU) 2018/2001: richtlijn nr. (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

SBI-code: code, opgenomen in de Standaard Bedrijfs Indeling 2008, Versie 2018, Update 2021;

stadsverwarming: warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij door een producent de warmte voor ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen wordt geleverd;

thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa: omzetting van vaste of vloeibare biomassa door

verbranding;

een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a in het geval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

valhoogte: verschil in waterpeil voor en achter een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

verwarming van gebouwde omgeving: stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan dat gebouw;

voorliggende waterkering: voorliggende waterkeringen als genoemd in de paragrafen 5.2.4 tot en met 5.7.4 van bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2: harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 bij de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.

BWB 2022-01-01

1 Het subsidieplafond bedraagt € 5.000.000.000 voor het verlenen van subsidies die worden aangevraagd in de periode van 5 oktober 2021, 09:00 uur, tot 11 november 2021, 17:00 uur, voor: a. de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van artikel 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, of 23, eerste lid; b. de productie van hernieuwbaar gas op grond van artikel 25, 27, 29, eerste lid, 31 of 33; c. de productie van hernieuwbare warmte of al dan niet gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van artikel 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, of 61; of d. de vermindering van broeikasgas op grond van artikel 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, 81, eerste lid, 83, eerste lid, of 85, eerste lid.

2 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

3 Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

BWB 2022-01-01

1 De maximale vermindering van broeikasgas in kg die in aanmerking komt voor subsidies voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide op grond van artikel 83, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, bedraagt, gerekend voor de hele looptijd van die subsidies: a. 70.500.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38: en b. 45.000.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 35.1 of afkomstig van economische activiteiten met SBI-code 35.1 die vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38.

2 Indien bij een subsidie als bedoeld in het eerste lid de koolstofdioxide deels afkomstig is als bijproduct van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en deels van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt alle koolstofdioxide toegerekend: a. aan de maximale vermindering van broeikasgas in kg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; en vervolgens b. aan de maximale vermindering van broeikasgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

3 De maximale vermindering van broeikasgas die in aanmerking komt voor subsidies voor de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof op grond van artikel 81, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, komt overeen met 7.400.000.000 kWh, gerekend voor de hele looptijd van de subsidies.

BWB 2022-01-01

1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien: a. geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie en geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht voor de beoogde locatie kan worden overgelegd voor het plaatsen van de productie-installatie op de beoogde locatie; b. de subsidieaanvrager voor de investering in de productie-installatie beschikt over een verklaring van de minister dat sprake is van energie-investeringen op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of c. voor dezelfde productie-installatie reeds subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking.

2 Bij het overleggen van de toestemming van de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

BWB 2022-01-01

1 Een subsidie als bedoeld in de artikelen 83, eerste lid, onderdelen e tot met n, en 85, eerste lid, onderdelen a, b, c, en f tot en met m, of een subsidie van meer dan € 400.000.000,- wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden: a. binnen twee weken na afgifte van de betreffende beschikking tot subsidieverlening is een uitvoeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger; b. de subsidieontvanger heeft binnen vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

2 Voor het opstellen van de uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 opgenomen model.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

4 Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het eerste lid bij elkaar opgeteld de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van het besluit of het Besluit SDE, van die beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt, nog niet is aangevangen.

5 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien sprake is van een combinatie van twee subsidies als bedoeld in de artikelen 83, tweede of derde lid, en 85, tweede of derde lid, waardoor in totaal meer dan € 400.000.000,– aan subsidie wordt verleend.

BWB 2022-01-01

1 Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 11, onderdeel c.

2 Als productie-installaties die als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen: a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27; b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 39; en c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 43 en 57, eerste lid.

3 Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen: a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27; en b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 39.

4 Als productie-installaties waarvoor subsidie wordt verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit worden aangewezen: a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33; b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51 eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid en 61, onderdeel f; c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 77, eerste lid; d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

BWB 2022-01-01

1 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

2 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 23, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt. Bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt de productie verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

3 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

4 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, en 61.

5 Voor de productie-installaties, bedoeld in het vierde lid, wordt het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen: a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 75, eerste lid, en 77, eerste lid; b. productie-installaties waarmee geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 81, eerste lid; c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

7 Voor de productie-installatie, bedoeld in het zesde lid, wordt het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8 Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit worden aangewezen: a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 73, eerste lid; en b. productie-installaties waarmee waterstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 79, eerste lid.

BWB 2022-01-01

1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33.

2 Als productie-installaties waarvoor de producent kan aantonen dat hij hernieuwbaar gas heeft geproduceerd waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd, als bedoeld in artikel 32, zevende lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39 en 41, eerste lid.

BWB 2022-01-01

1 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, en 23, eerste lid.

2 Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, onderdelen b, d en f, 39, onderdelen b en d, 41, eerste lid, onderdeel b, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55 en 57, eerste lid.

BWB 2022-01-01

Als productie-installaties waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit worden aangewezen

productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid;

productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25 en 27;

productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37 en 39;

productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en

productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële of kinetische energie van stromend water dat niet specifiek voor de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt

in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 11, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 13, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie: a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 21; b. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en c. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van: 1°. ≥ 8,5 m/s; 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s; 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of 6°. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien: a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van het indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie: a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie; b. met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter; c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van: 1°. ≥ 8,5 m/s; 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s; 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of 6°. < 6,75 m/s.

2 De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3 Op de locatie van de productie-installatie is sprake van een hoogterestrictie bij of krachtens landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving waardoor de windturbine een tiphoogte heeft van kleiner dan of gelijk aan 150 meter.

4 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van een aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien: a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie: a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie; b. die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2; c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van: 1°. ≥ 8,5 m/s; 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s; 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of 6°. < 6,75 m/s.

2 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien: a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie: a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie; b. waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat; en c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A.

2 Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien: a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A: a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht; b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan of op water drijven; c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht; d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan; e. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven; f. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan, en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem; of g. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem.

2 Voor de werking van dit artikel wordt onder gebouw tevens verstaan een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen d, e, f en g, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

5 Artikel 3, eerste lid, van de algemene uitvoeringsregeling is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door

een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 25, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee

uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd met een productie-installatie waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of

uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 27, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 Een subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib: a. waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering; en b. waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer hij minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 31, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit

biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017; of

biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 33, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte overige biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen: a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.

2 Het vermogen in kWth van de productie-installatie wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

3 De subsidie wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies subsidie is verstrekt.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 35, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door

een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 37, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die ingrijpend wordt gerenoveerd en waarmee

uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of

uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 39, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering: a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

2 De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 41, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 43, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2 Een productie-installatie met een vermogen kleiner dan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 15 milligram stof, minder dan 275 milligram stikstofoxiden en minder dan 60 milligram zwaveldioxiden uit.

3 Een productie-installatie met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 145 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve katalytische reductie of minder dan 10 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie uit.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 45, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen: a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt; b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt; c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt; d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt; e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt; f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt; g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt; h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

2 De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 47, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2 De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 49, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

6 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin: a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand; b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.

2 De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

5 De subsidieontvanger levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.

6 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

7 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin: a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand; b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.

2 De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

5 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin

houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in de onderdelen a en b.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 55, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

4 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

5 Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003:2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017 in een gesloten ruimte onder geconditioneerde omstandigheden, met een vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door

een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;

een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;

een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor verwarming van gebouwde omgeving;

een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 1.500 meter;

een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van tenminste 1.500 meter;

een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, b, d of e, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit of het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 1.500 meter; of

een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 61, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door

een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of

een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 63, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of oppervlaktewater die niet wordt gebruikt voor koudelevering, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, met een seizoensopslag van warmte en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen

ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;

ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of

ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 65, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan gebouwde omgeving en wordt niet gebruikt voor koudelevering.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid: a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt; b. heeft een seizoensopslag van warmte; c. wordt niet gebruikt voor koudelevering; en d. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie die voorziet in de productie van warmte uit zonne-energie en buitenluchtwarmte door middel van zonnecollectoren die warmte en stroom produceren, waarbij de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, maakt gebruik van een water-water-warmtepomp van minimaal 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0, waarbij de oppervlakte aan fotovoltaïsch-thermische panelen minimaal 1,2 m2 per kWth aan vermogen van de warmtepomp bedraagt.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.

2 De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

3 Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.

4 Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen en het maximale thermische vermogen dat zij gelijktijdig kunnen leveren.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van: a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 12,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

2 De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing en levert geen koude.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 75, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 2 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waarbij ten minste de warmtewisselaar bij de uitkoppeling nieuw is, waarbij transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding: a. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,20 en < 0,30; b. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,30 en < 0,40; c. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,40 en < 0,50; d. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,50; of e. waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een nieuwe warmtepomp met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0.

2 De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte koolstofdioxide-arme warmte die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.

2 De productie-installatie is in staat om, terwijl deze gereed is voor gebruik, minder dan 1% elektriciteit te verbruiken van het maximale vermogen van de productie-installatie.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof, die in Nederland worden geleverd aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen en wordt ingeboekt in het register hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in paragraaf 9.7.5 van de Wet milieubeheer, en die wordt geproduceerd door een productie-installatie waarmee: a. bioethanol wordt geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017; b. bioLNG wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting; c. bioLNG wordt geproduceerd door middel van allesvergisting; of d. diesel- en benzinevervangers worden geproduceerd uit gehydrogeneerde pyrolyse-olie uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.

2 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, maakt uitsluitend gebruik van grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

3 De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, maakt uitsluitend gebruik van vaste grondstoffen als bedoeld onder o) met uitzondering van zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie, en q) van deel A van Bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen a en d, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen b en c, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

3 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een houder van een vergunning voor het exploiteren van een broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer, in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij: a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de compressor nieuw is; b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de compressor nieuw is; c. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer; d. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is; e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; g. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; h. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; k. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; l. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; n. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; o. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de compressor nieuw is; of p. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a of o, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m.

3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c of p, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 83, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt of doet gebruiken ter vermindering van broeikasgas door middel van nuttig aangewende koolstofdioxide en: a. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; b. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn; d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is; e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de compressor en de transportleiding nieuw zijn; f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; g. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; h. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn; i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn; k. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn; l. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide nieuw is; of m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

2 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel a of o.

3 Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel c of p.

BWB 2022-01-01

1 De subsidie, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

2 De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

BWB 2022-01-01

1 Voor de fase, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, wordt: a. de periode waarbinnen de aanvragen ontvangen moeten zijn, vastgesteld van de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase; de vierde fase sluit op 11 november 2021, 17:00 uur; b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag. 1 2 3 fase periode openstelling fasebedrag in euro/1.000 kg broeikasgas 1 Van 5 oktober 2021, 9:00 uur tot 11 oktober 2021, 17:00 uur 60 2 Van 11 oktober 2021, 17:00 uur tot 25 oktober 2021, 17:00 uur 80 3 Van 25 oktober 2021, 17:00 uur tot 8 november 2021, 17:00 uur 115 4 Van 8 november 2021, 17:00 uur tot 11 november 2021, 17.00 uur 300

2 Voor de fase 1 tot en met 4, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid, en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag. 1 2 3 4 5 6 Artikel regeling Categorie Fasebedrag in euro/kWh Fase 1 Fase 2 Fase 3 Fase 4 Artikel 11, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm 0,0579 0,0622 0,0697 0,1097 Artikel 11, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,0579 0,0622 0,0697 0,1097 Artikel 11, onderdeel c Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie 0,0579 0,0622 0,0697 0,0975 Artikel 13 Osmose 0,0579 0,0622 0,0697 0,1097 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1⁰ Wind op land, ≥ 8,5 m/s 0,0390 0,0390 0,0390 0,0390 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2⁰ Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0406 0,0406 0,0406 0,0406 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3⁰ Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0435 0,0435 0,0435 0,0435 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4⁰ Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0439 0,0475 0,0475 0,0475 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5⁰ Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0439 0,0482 0,0501 0,0501 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6⁰ Wind op land, < 6,75 m/s 0,0439 0,0482 0,0543 0,0543 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰ Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s 0,0439 0,0444 0,0444 0,0444 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰ Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0439 0,0467 0,0467 0,0467 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰ Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0439 0,0482 0,0505 0,0505 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰ Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0439 0,0482 0,0550 0,0550 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰ Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0439 0,0482 0,0557 0,0583 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰ Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s 0,0439 0,0482 0,0557 0,0627 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰ Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s 0,0424 0,0424 0,0424 0,0424 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰ Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0439 0,0442 0,0442 0,0442 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰ Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0439 0,0472 0,0472 0,0472 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰ Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0439 0,0482 0,0514 0,0514 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰ Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0439 0,0482 0,0548 0,0548 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰ Wind op waterkering, < 6,75 m/s 0,0439 0,0482 0,0557 0,0592 Artikel 21, eerste lid Wind in meer, water ≥ 1 km2 0,0439 0,0482 0,0557 0,0590 Artikel 23, eerste lid, onderdeel a Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden 0,0704 0,0724 0,0724 0,0724 Artikel 23, eerste lid, onderdeel b Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water 0,0660 0,0685 0,0685 0,0685 Artikel 23, eerste lid, onderdeel c Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden 0,0588 0,0631 0,0655 0,0655 Artikel 23, eerste lid, onderdeel d Zon-PV ≥ 1 MWp, op land 0,0503 0,0546 0,0590 0,0590 Artikel 23, eerste lid, onderdeel e Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water 0,0503 0,0546 0,0621 0,0693 Artikel 23, eerste lid, onderdeel f Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land 0,0503 0,0546 0,0590 0,0590 Artikel 23, eerste lid, onderdeel g Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water 0,0503 0,0546 0,0621 0,0693 Artikel 25, onderdeel a Allesvergisting, gas 0,0313 0,0349 0,0413 0,0661 Artikel 25, onderdeel b Monomestvergisting > 400 kW, gas 0,0404 0,0472 0,0589 0,0722 Artikel 25, onderdeel c Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas 0,0404 0,0472 0,0589 0,0930 Artikel 27, onderdeel a Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0313 0,0349 0,0413 0,0575 Artikel 27, onderdeel b Allesvergisting verlengde levensduur, gas 0,0313 0,0349 0,0413 0,0543 Artikel 27, onderdeel c Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0404 0,0472 0,0589 0,0794 Artikel 27, onderdeel d Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas 0,0404 0,0472 0,0589 0,0722 Artikel 29, eerste lid RWZI verbeterde slibgisting, gas 0,0313 0,0349 0,0413 0,0752 Artikel 31 RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0313 0,0319 0,0319 0,0319 Artikel 33, onderdeel a Biomassavergassing (inclusief B-hout) 0,0313 0,0349 0,0413 0,0680 Artikel 33, onderdeel b Biomassavergassing (exclusief B-hout) 0,0313 0,0349 0,0413 0,0752 Artikel 35, eerste lid, onderdeel a Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth 0,0495 0,0540 0,0619 0,0938 Artikel 35, eerste lid, onderdeel b Zonthermie ≥ 1 MWth 0,0443 0,0488 0,0567 0,0800 Artikel 37, onderdeel a Allesvergisting, warmte 0,0443 0,0488 0,0567 0,0624 Artikel 37, onderdeel b Allesvergisting, gecombineerde opwekking 0,0508 0,0552 0,0629 0,0696 Artikel 37, onderdeel c Monomestvergisting, warmte > 400 kW 0,0534 0,0610 0,0674 0,0674 Artikel 37, onderdeel d Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW 0,0602 0,0677 0,0789 0,0789 Artikel 37, onderdeel e Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW 0,0534 0,0610 0,0743 0,1061 Artikel 37, onderdeel f Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW 0,0833 0,0908 0,1039 0,1310 Artikel 39, onderdeel a Allesvergisting verlengde levensduur, warmte 0,0443 0,0488 0,0534 0,0534 Artikel 39, onderdeel b Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking 0,0508 0,0552 0,0589 0,0589 Artikel 39, onderdeel c Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW 0,0534 0,0610 0,0743 0,0764 Artikel 39, onderdeel d Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW 0,0833 0,0908 0,0959 0,0959 Artikel 41, eerste lid, onderdeel a RWZI verbeterde slibgisting, warmte 0,0443 0,0488 0,0567 0,0682 Artikel 41, eerste lid, onderdeel b RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking 0,0545 0,0589 0,0666 0,0932 Artikel 43 Ketel op vloeibare biomassa 0,0443 0,0488 0,0567 0,0665 Artikel 45, eerste lid Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa 0,0443 0,0488 0,0567 0,0586 Artikel 47, eerste lid, onderdeel a Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0508 Artikel 47, eerste lid, onderdeel b Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0499 Artikel 47, eerste lid, onderdeel c Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0491 Artikel 47, eerste lid, onderdeel d Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0484 Artikel 47, eerste lid, onderdeel e Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0478 Artikel 47, eerste lid, onderdeel f Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0473 Artikel 47, eerste lid, onderdeel g Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0469 Artikel 47, eerste lid, onderdeel h Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0463 0,0465 Artikel 47, eerste lid, onderdeel i Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) 0,0339 0,0384 0,0462 0,0462 Artikel 49, eerste lid Grote ketel op B-hout 0,0277 0,0277 0,0277 0,0277 Artikel 51, eerste lid Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving 0,0339 0,0384 0,0463 0,0687 Artikel 53, eerste lid Grote stoomketel op houtpellets 0,0339 0,0384 0,0463 0,0664 Artikel 55 Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen 0,0412 0,0457 0,0519 0,0519 Artikel 57, eerste lid Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur 0,0339 0,0352 0,0352 0,0352 Artikel 59, eerste lid Composteringsinstallatie champost 0,0443 0,0461 0,0461 0,0461 Artikel 61, onderdelen a en d Diepe geothermie < 20MWth, basislast 0,0333 0,0376 0,0452 0,0518 Artikel 61, onderdelen b en e Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast 0,0332 0,0375 0,0451 0,0455 Artikel 61, onderdeel c Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0329 0,0371 0,0445 0,0833 Artikel 61, onderdeel f Diepe geothermie, basislast, aanvullende put 0,0331 0,0331 0,0331 0,0331 Artikel 61, onderdeel g Ultradiepe geothermie, basislast 0,0333 0,0376 0,0451 0,0694 Artikel 63, onderdeel a Ondiepe geothermie, basislast 0,0408 0,0441 0,0500 0,0705 Artikel 63, onderdeel b Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving 0,0408 0,0441 0,0500 0,0810 Artikel 65, onderdeel a Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0296 0,0327 0,0381 0,0667 Artikel 65, onderdeel b Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0452 0,0483 0,0537 0,0823 Artikel 65, onderdeel c Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing 0,0306 0,0341 0,0401 0,0584 Artikel 67, eerste lid Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0301 0,0334 0,0391 0,0678 Artikel 69, eerste lid Daglichtkas 0,0310 0,0346 0,0408 0,0738 Artikel 71, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0442 0,0442 0,0442 0,0442 Artikel 73, eerste lid Elektroboiler 0,0339 0,0384 0,0463 0,0492 Artikel 75, eerste lid, onderdeel a Industriële warmtepomp (gesloten) 0,0302 0,0334 0,0365 0,0365 Artikel 75, eerste lid, onderdeel b Industriële warmtepomp (open) 0,0320 0,0359 0,0360 0,0360 Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0188 0,0188 0,0188 0,0188 Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0238 0,0238 0,0238 0,0238 Artikel 77, eerste lid, onderdeel c Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth 0,0287 0,0287 0,0287 0,0287 Artikel 77, eerste lid, onderdeel d Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth 0,0322 0,0337 0,0337 0,0337 Artikel 77, eerste lid, onderdeel e Restwarmtebenutting (met warmtepomp) 0,0283 0,0309 0,0356 0,0391 Artikel 79, eerste lid Waterstof uit elektrolyse 0,0463 0,0509 0,0589 0,1013 Artikel 81, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,0931 0,0991 0,1096 0,1222 Artikel 81 eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,0469 0,0547 0,0683 0,0880 Artikel 81, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,0375 0,0421 0,0503 0,0814 Artikel 81, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,0890 0,0939 0,1027 0,1106 Artikel regeling Categorie Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 Fase 1 Fase 2 Fase 3 Fase 4 Artikel 83, eerste lid, onderdeel a CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport 98,2454 98,2454 98,2454 98,2454 Artikel 83, eerste lid, onderdeel b CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport 61,5061 61,5061 61,5061 61,5061 Artikel 83, eerste lid, onderdeel c CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport 71,6077 71,6077 71,6077 71,6077 Artikel 83, eerste lid, onderdeel d CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport 91,7963 91,7963 91,7963 91,7963 Artikel 83, eerste lid, onderdeel e CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 93,3886 97,7752 97,7752 97,7752 Artikel 83, eerste lid, onderdeel f CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 92,9091 110,5785 124,7259 124,7259 Artikel 83, eerste lid, onderdeel g CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 88,5477 104,7633 130,2545 130,2545 Artikel 83, eerste lid, onderdeel h CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf 48,6468 64,8624 93,2397 130,2545 Artikel 83, eerste lid, onderdeel i CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 88,0682 104,1239 132,2215 156,5234 Artikel 83, eerste lid, onderdeel j CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf 48,1673 64,2230 92,3206 156,5234 Artikel 83, eerste lid, onderdeel k CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 89,7870 89,7870 89,7870 89,7870 Artikel 83, eerste lid, onderdeel l CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 93,2752 111,0667 114,6757 114,6757 Artikel 83, eerste lid, onderdeel m CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 89,4969 106,0289 114,2829 114,2829 Artikel 83, eerste lid, onderdeel n CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 89,0174 105,3895 134,0408 138,8041 Artikel 83, eerste lid, onderdeel o CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf 58,3800 77,8400 98,2454 98,2454 Artikel 83, eerste lid, onderdeel p CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf 57,9005 71,6077 71,6077 71,6077 Artikel 85, eerste lid, onderdeel a CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 74,1442 74,1442 74,1442 74,1442 Artikel 85, eerste lid, onderdeel b CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 104,8245 122,4961 133,3971 133,3971 Artikel 85, eerste lid, onderdeel c CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,3040 123,1355 127,0015 127,0015 Artikel 85, eerste lid, onderdeel d CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport 84,2550 84,2550 84,2550 84,2550 Artikel 85, eerste lid, onderdeel e CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 63,1832 63,1832 63,1832 63,1832 Artikel 85, eerste lid, onderdeel f CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 67,7699 67,7699 67,7699 67,7699 Artikel 85, eerste lid, onderdeel g CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 105,1784 122,9680 127,0228 127,0228 Artikel 85, eerste lid, onderdeel h CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 105,6579 120,6271 120,6271 120,6271 Artikel 85, eerste lid, onderdeel i CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding 100,4563 116,6719 142,2112 142,2112 Artikel 85, eerste lid, onderdeel j CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport 99,9768 116,0325 144,1301 201,4640 Artikel 85, eerste lid, onderdeel k CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 100,4563 116,6719 145,0492 195,0684 Artikel 85, eerste lid, onderdeel l CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig 62,5419 62,5419 62,5419 62,5419 Artikel 85, eerste lid, onderdeel m CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar 100,1971 104,9962 104,9962 104,9962

3 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, 27, 29, eerste lid, 31, 33, 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, 61, 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, en 81, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

4 In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 83, eerste lid en 85, eerste lid, het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid, dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

BWB 2022-01-01

1 Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit, wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en voor de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.

2 De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt: a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel; b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel. 1 2 3 4 Artikel regeling Categorie Langetermijn energieprijs of langetermijn broeikasgasbedrag in euro/kWh Omrekenfactor in kg CO2/kWh Artikel 11, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm 0,0449 0,2160 Artikel 11, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,0449 0,2160 Artikel 11, onderdeel c Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie 0,0449 0,2160 Artikel 13 Osmose 0,0449 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° Wind op land, ≥ 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2° Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4° Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5° Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6° Wind op land, < 6,75 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1° Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2° Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3° Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4° Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5° Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6° Wind op waterkering, < 6,75 m/s 0,0309 0,2160 Artikel 21, eerste lid Wind in meer, water ≥ 1 km2 0,0309 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel a Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden 0,0574 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel b Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water 0,0530 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel c Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden 0,0458 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel d Zon-PV ≥ 1 MWp, op land 0,0373 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel e Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water 0,0373 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel f Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land 0,0373 0,2160 Artikel 23, eerste lid, onderdeel g Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water 0,0373 0,2160 Artikel 25, onderdeel a Allesvergisting, gas 0,0203 0,1830 Artikel 25, onderdeel b Monomestvergisting > 400 kW, gas 0,0203 0,3358 Artikel 25, onderdeel c Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas 0,0203 0,3358 Artikel 27, onderdeel a Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0203 0,1830 Artikel 27, onderdeel b Allesvergisting verlengde levensduur, gas 0,0203 0,1830 Artikel 27, onderdeel c Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0203 0,3358 Artikel 27, onderdeel d Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas 0,0203 0,3358 Artikel 29, eerste lid RWZI verbeterde slibgisting, gas 0,0203 0,1830 Artikel 31 RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie) 0,0203 0,1830 Artikel 33, onderdeel a Biomassavergassing (inclusief B-hout) 0,0203 0,1830 Artikel 33, onderdeel b Biomassavergassing (exclusief B-hout) 0,0203 0,1830 Artikel 35, eerste lid, onderdeel a Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth 0,0359 0,2260 Artikel 35, eerste lid, onderdeel b Zonthermie ≥ 1 MWth 0,0307 0,2260 Artikel 37, onderdeel a Allesvergisting, warmte 0,0307 0,2260 Artikel 37, onderdeel b Allesvergisting, gecombineerde opwekking 0,0375 0,2212 Artikel 37, onderdeel c Monomestvergisting, warmte > 400 kW 0,0307 0,3788 Artikel 37, onderdeel d Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW 0,0378 0,3738 Artikel 37, onderdeel e Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW 0,0307 0,3788 Artikel 37, onderdeel f Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW 0,0609 0,3738 Artikel 39, onderdeel a Allesvergisting verlengde levensduur, warmte 0,0307 0,2260 Artikel 39, onderdeel b Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking 0,0375 0,2212 Artikel 39, onderdeel c Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW 0,0307 0,3788 Artikel 39, onderdeel d Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW 0,0609 0,3738 Artikel 41, eerste lid, onderdeel a RWZI verbeterde slibgisting, warmte 0,0307 0,2260 Artikel 41, eerste lid, onderdeel b RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking 0,0413 0,2200 Artikel 43 Ketel op vloeibare biomassa 0,0307 0,2260 Artikel 45, eerste lid Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa 0,0307 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel a Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel b Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel c Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel d Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel e Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel f Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel g Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel h Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 47, eerste lid, onderdeel i Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) 0,0203 0,2260 Artikel 49, eerste lid Grote ketel op B-hout 0,0203 0,2260 Artikel 51, eerste lid Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving 0,0203 0,2260 Artikel 53, eerste lid Grote stoomketel op houtpellets 0,0203 0,2260 Artikel 55 Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen 0,0276 0,2260 Artikel 57, eerste lid Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur 0,0203 0,2260 Artikel 59, eerste lid Composteringsinstallatie champost 0,0307 0,2260 Artikel 61, onderdelen a en d Diepe geothermie < 20MWth, basislast 0,0203 0,2163 Artikel 61, onderdelen b en e Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast 0,0203 0,2153 Artikel 61, onderdeel c Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0203 0,2101 Artikel 61, onderdeel f Diepe geothermie, basislast, aanvullende put 0,0203 0,2163 Artikel 61, onderdeel g Ultradiepe geothermie, basislast 0,0203 0,2159 Artikel 63, onderdeel a Ondiepe geothermie, basislast 0,0307 0,1676 Artikel 63, onderdeel b Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving 0,0307 0,1676 Artikel 65, onderdeel a Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0203 0,1545 Artikel 65, onderdeel b Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0359 0,1545 Artikel 65, onderdeel c Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing 0,0203 0,1720 Artikel 67, eerste lid Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0203 0,1632 Artikel 69, eerste lid Daglichtkas 0,0203 0,1785 Artikel 71, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0359 0,1941 Artikel 73, eerste lid Elektroboiler 0,0203 0,2260 Artikel 75, eerste lid, onderdeel a Industriële warmtepomp (gesloten) 0,0203 0,1643 Artikel 75, eerste lid, onderdeel b Industriële warmtepomp (open) 0,0203 0,1951 Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0203 0,2011 Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0203 0,2003 Artikel 77, eerste lid, onderdeel c Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth 0,0203 0,1995 Artikel 77, eerste lid, onderdeel d Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth 0,0203 0,1987 Artikel 77, eerste lid, onderdeel e Restwarmtebenutting (met warmtepomp) 0,0203 0,1329 Artikel 79, eerste lid Waterstof uit elektrolyse 0,0326 0,2290 Artikel 81, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,0750 0,3012 Artikel 81 eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,0235 0,3894 Artikel 81, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,0235 0,2328 Artikel 81, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,0740 0,2493 Artikel regeling Categorie Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 Emissiefactor in kg CO2/1.000 kg CO2 Artikel 83, eerste lid, onderdeel a CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport 39,9009 973,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel b CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport 39,9009 973,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel c CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport 39,9009 965,0080 Artikel 83, eerste lid, onderdeel d CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport 39,9009 965,0080 Artikel 83, eerste lid, onderdeel e CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 39,9009 891,4620 Artikel 83, eerste lid, onderdeel f CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 39,9009 883,4700 Artikel 83, eerste lid, onderdeel g CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 39,9009 810,7800 Artikel 83, eerste lid, onderdeel h CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf 0,0000 810,7800 Artikel 83, eerste lid, onderdeel i CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 39,9009 802,7880 Artikel 83, eerste lid, onderdeel j CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf 0,0000 802,7880 Artikel 83, eerste lid, onderdeel k CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 39,9009 897,5640 Artikel 83, eerste lid, onderdeel l CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 39,9009 889,5720 Artikel 83, eerste lid, onderdeel m CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 39,9009 826,6000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel n CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 39,9009 818,6080 Artikel 83, eerste lid, onderdeel o CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf 0,0000 973,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel p CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf 0,0000 965,0080 Artikel 85, eerste lid, onderdeel a CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 51,8095 891,5750 Artikel 85, eerste lid, onderdeel b CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 51,8095 883,5830 Artikel 85, eerste lid, onderdeel c CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 51,8095 891,5750 Artikel 85, eerste lid, onderdeel d CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport 51,8095 883,5830 Artikel 85, eerste lid, onderdeel e CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 51,8095 918,5750 Artikel 85, eerste lid, onderdeel f CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 51,8095 897,4736 Artikel 85, eerste lid, onderdeel g CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 51,8095 889,4816 Artikel 85, eerste lid, onderdeel h CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 51,8095 897,4736 Artikel 85, eerste lid, onderdeel i CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding 51,8095 810,7800 Artikel 85, eerste lid, onderdeel j CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport 51,8095 802,7880 Artikel 85, eerste lid, onderdeel k CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 51,8095 810,7800 Artikel 85, eerste lid, onderdeel l CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig 51,8095 839,9014 Artikel 85, eerste lid, onderdeel m CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar 51,8095 806,4600

BWB 2022-01-01

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt

het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het besluit vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op

voor de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom genoemde bedrag;

voor de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom genoemde bedrag; en

voor de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

7

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basiselektriciteits-prijs in euro/kWh

Voorlopige correctie elektriciteitsprijs in 2.021 euro/kWh

Voorlopige correctie waarde garanties van oorsprong in 2.021 euro/kWh

Artikel 11, onderdeel a

Waterkracht, valhoogte < 50 cm

0,1097

3700

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 11, onderdeel b

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm

0,1097

5700

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 11, onderdeel c

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie

0,0975

2600

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 13

Osmose

0,1097

8000

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°

Wind op land, ≥ 8,5 m/s

0,0390

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2°

Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0406

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°

Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0435

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°

Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0475

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5°

Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0501

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6°

Wind op land, < 6,75 m/s

0,0543

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s

0,0444

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0467

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0505

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0550

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0583

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s

0,0627

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s

0,0424

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0442

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0472

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0514

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0548

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

Wind op waterkering, < 6,75 m/s

0,0592

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 21, eerste lid

Wind in meer, water ≥ 1 km2

0,0590

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a

Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden

0,0724

900

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0672

Niet-netlevering: 0,0706

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b

Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water

0,0685

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0672

Niet-netlevering: 0,0706

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c

Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden

0,0655

900

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d

Zon-PV ≥ 1 MWp, op land

0,0590

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel e

Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water

0,0693

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel f

Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land

0,0590

1045

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel g

Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water

0,0693

1190

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

BWB 2022-01-01

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt

het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op

voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

voor de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basisenergieprijs in euro/kWh

Voorlopige correctie energieprijs in 2.021 euro/kWh

Artikel 25, onderdeel a

Allesvergisting, gas

0,0661

8000

0,0135

0,0147

Artikel 25, onderdeel b

Monomestvergisting > 400 kW, gas

0,0722

8000

0,0135

0,0147

Artikel 25, onderdeel c

Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas

0,0930

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel a

Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0575

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel b

Allesvergisting verlengde levensduur, gas

0,0543

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel c

Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0794

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel d

Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas

0,0722

8000

0,0135

0,0147

Artikel 29, eerste lid

RWZI verbeterde slibgisting, gas

0,0752

8000

0,0135

0,0147

Artikel 31

RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0319

8000

0,0135

0,0147

Artikel 33, onderdeel a

Biomassavergassing (inclusief B-hout)

0,0680

7500

0,0135

0,0147

Artikel 33, onderdeel b

Biomassavergassing (exclusief B-hout)

0,0752

7500

0,0135

0,0147

BWB 2022-01-01

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt

het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op

voor de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, op € 0 per kWh; en

voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1

2

3

4

5

6

7

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basisenergieprijs in euro/kWh

Voorlopige correctie energieprijs in 2021 in euro/kWh

Andere correctie in 2021 in euro/kWh

Artikel 35, eerste lid, onderdeel a

Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth

0,0938

600

0,0275

0,0290

0,0054

Artikel 35, eerste lid, onderdeel b

Zonthermie ≥ 1 MWth

0,0800

600

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel a

Allesvergisting, warmte

0,0624

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel b

Allesvergisting, gecombineerde opwekking

0,0696

7622

0,0260

0,0274

0,0028

Artikel 37, onderdeel c

Monomestvergisting, warmte > 400 kW

0,0674

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel d

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW

0,0789

7353

0,0261

0,0275

0,0027

Artikel 37, onderdeel e

Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW

0,1061

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel f

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

0,1310

6374

0,0492

0,0506

0,0027

Artikel 39, onderdeel a

Allesvergisting verlengde levensduur, warmte

0,0534

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 39, onderdeel b

Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking

0,0589

7622

0,0260

0,0274

0,0028

Artikel 39, onderdeel c

Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW

0,0764

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 39, onderdeel d

Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

0,0959

6374

0,0492

0,0506

0,0027

Artikel 41, eerste lid, onderdeel a

RWZI verbeterde slibgisting, warmte

0,0682

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 41, eerste lid, onderdeel b

RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking

0,0932

5729

0,0290

0,0303

0,0021

Artikel 43

Ketel op vloeibare biomassa

0,0665

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 45, eerste lid

Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa

0,0586

3000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel a

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen)

0,0508

4500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel b

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen)

0,0499

5000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel c

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen)

0,0491

5500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel d

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen)

0,0484

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel e

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen)

0,0478

6500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel f

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen)

0,0473

7000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel g

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen)

0,0469

7500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel h

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen)

0,0465

8000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel i

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen)

0,0462

8500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 49, eerste lid

Grote ketel op B-hout

0,0277

7500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 51, eerste lid

Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving

0,0687

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 53, eerste lid

Grote stoomketel op houtpellets

0,0664

8500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 55

Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen

0,0519

3000

0,0201

0,0214

0,0054

Artikel 57, eerste lid

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur

0,0352

8000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 59, eerste lid

Composteringsinstallatie champost

0,0461

5200

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 61, onderdelen a en d

Diepe geothermie < 20MWth, basislast

0,0518

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdelen b en e

Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast

0,0455

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel c

Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

0,0833

3500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel f

Diepe geothermie, basislast, aanvullende put

0,0331

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel g

Ultradiepe geothermie, basislast

0,0694

7000

0,0135

0,0147

0,0054

BWB 2022-01-01

1 Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt: a. het basisbedrag voor subsidie voor de vermindering van broeikasgas, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 55j, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren; c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op: 1°. voor de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, op € 0 per kWh; en 3°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag. 1 2 3 4 5 6 7 8 Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/kWh Vollasturen Basisbroeikasgasbedrag in euro/kWh Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/kWh Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/kWh Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/kWh Artikel 63, onderdeel a Ondiepe geothermie, basislast 0,0705 6000 0,0223 0,0238 0,0054 0,0000 Artikel 63, onderdeel b Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving 0,0810 3500 0,0223 0,0238 0,0054 0,0000 Artikel 65, onderdeel a Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0667 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 65, onderdeel b Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0823 3500 0,0275 0,0290 0,0054 0,0000 Artikel 65, onderdeel c Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing 0,0584 3500 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 67, eerste lid Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving 0,0678 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 69, eerste lid Daglichtkas 0,0738 3850 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 71, eerste lid Zon-PVT systeem 0,0442 3500 0,0275 0,0290 0,0054 0,0000 Artikel 73, eerste lid Elektroboiler 0,0492 3000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 75, eerste lid, onderdeel a Industriële warmtepomp (gesloten) 0,0365 8000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 75, eerste lid, onderdeel b Industriële warmtepomp (open) 0,0360 8000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 77, eerste lid, onderdeel a Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth 0,0188 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 77, eerste lid, onderdeel b Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth 0,0238 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 77, eerste lid, onderdeel c Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth 0,0287 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 77, eerste lid, onderdeel d Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth 0,0337 6000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 77, eerste lid, onderdeel e Restwarmtebenutting (met warmtepomp) 0,0391 7000 0,0135 0,0147 0,0054 0,0000 Artikel 79, eerste lid Waterstof uit elektrolyse 0,1013 3000 0,0242 0,0257 0,0000 0,0000 Artikel 81, eerste lid, onderdeel a Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa 0,1222 8000 0,0500 0,0577 0,0000 0,0936 Artikel 81 eerste lid, onderdeel b Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting 0,0880 8000 0,0167 0,0179 0,0000 0,0936 Artikel 81, eerste lid, onderdeel c Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting 0,0814 8000 0,0167 0,0179 0,0000 0,0936 Artikel 81, eerste lid, onderdeel d Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa 0,1106 7500 0,0493 0,0576 0,0000 0,0936 Artikel regeling Categorie Basisbedrag in euro/1.000 kg CO2 Vollasturen Basisbroeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/1.000 kg CO2 Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/1.000 kg CO2 Artikel 83, eerste lid, onderdeel a CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport 98,2454 4000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel b CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport 61,5061 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel c CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport 71,6077 4000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel d CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport 91,7963 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel e CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 97,7752 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel f CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 124,7259 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel g CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport 130,2545 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel h CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf 130,2545 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel i CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 156,5234 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel j CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf 156,5234 8000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel k CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 89,7870 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel l CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 114,6757 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel m CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport 114,2829 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel n CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 138,8041 8000 26,6006 0,0000 26,6006 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel o CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport, niet ETS-bedrijf 98,2454 4000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 Artikel 83, eerste lid, onderdeel p CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport, niet ETS-bedrijf 71,6077 4000 0,0000 0,0000 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel a CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 74,1442 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel b CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport 133,3971 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel c CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 127,0015 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel d CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport 84,2550 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel e CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 63,1832 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel f CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding 67,7699 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel g CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport 127,0228 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel h CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 120,6271 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel i CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding 142,2112 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel j CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport 201,4640 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel k CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding 195,0684 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel l CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig 62,5419 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000 Artikel 85, eerste lid, onderdeel m CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar 104,9962 4000 34,5397 38,9761 0,0000 0,0000

2 De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 73, eerste lid, en 79, eerste lid, die in aanmerking komt voor subsidie, bedraagt ten hoogste 5000 vollasturen, tenzij de productie bij het respectievelijke aantal vollasturen, in de onderstaande tabel lager is in een bepaald kalanderjaar, dan geldt dat maximum aantal vollasturen. Jaar Vollasturen elektroboiler Vollasturen waterstof uit elektrolyse 2021 4.000 2.940 2022 4.090 2.530 2023 3.540 2.390 2024 4.910 2025 4.930

BWB 2022-01-01

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

Need to analyze how this provision applies to your matter?

Cross-reference this statute against case law, commentaries, and related legislative provisions inside Legislator AI.

Open in Legislator →