Legislator Case Law & Legislation
BWBR0042938 NL

Overige fiscale maatregelen 2020201951227-12-201918-12-201935303201951227-12-201918-12-20193530301-01-2020

23 Articles / Provisions · Netherlands
Open official source Machine-readable Markdown (.md)

Table of Provisions (23)

Statutory Text (23 Articles)

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel I, onderdeel D, van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treedt.

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Treedt volgens Stb. 2020/553 in werking op het tijdstip waarop artikel VIII van de Overige fiscale maatregelen 2021 in werking treedt.

Treedt volgens Stb. 2020/553 in werking op het tijdstip waarop artikel VIII van de Overige fiscale maatregelen 2021 in werking treedt.

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel I, onderdeel D, van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treedt.

BWB 2026-01-01

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

Treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel I, onderdeel D, van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer in werking treedt.

BWB 2026-01-01

Artikel II, onderdelen C en E, en artikel XI, onderdelen F tot en met I en N, vinden voor het eerst toepassing op besluiten tot oplegging van een bestuurlijke boete die betrekking heeft op een overtreding die is begaan op of na 1 januari 2020.

BWB 2026-01-01

Met betrekking tot de periode die loopt tot en met het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029 blijft artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, en zesde lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals dat artikel luidde op 31 december 2019 van toepassing met betrekking tot schepen waarvoor de belastingplichtige op dat tijdstip reeds de winst uit zeescheepvaart bepaalt aan de hand van de tonnage, bedoeld in artikel 3.22 van die wet.

BWB 2026-01-01

1 Voor de toepassing van de keuzeregeling, bedoeld in het in artikel II, onderdeel A, opgenomen artikel 13, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, het in artikel XI, onderdeel A, opgenomen artikel 3a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het in artikel XII, onderdeel A, opgenomen artikel 7c, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, bepaalt de Dienst Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder een standaardwaarde voor de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige en belastingschuldige die na de datum waarop artikel II, onderdeel A, artikel XI, onderdeel A, en artikel XII, onderdeel A, in werking zijn getreden, niet binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een keuze heeft gemaakt. De standaardwaarde is de voor die belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige ingevolge de eerste zin bepaalde keuze voor hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg.

2 Ten behoeve van het bepalen van de standaardwaarde, bedoeld in het eerste lid, kan de Dienst Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties burgerservicenummers opvragen en verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die burgerservicenummers. Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan welke voorwaarden die burgerservicenummers moeten voldoen om te worden opgevraagd en verstrekt.

3 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt de standaardwaarde, bedoeld in het eerste lid.

BWB 2026-01-01

1 Vanaf de datum waarop artikel II, onderdeel A, artikel XI, onderdeel A, en artikel XII, onderdeel A, in werking treden, worden met betrekking tot de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige die: a. geen geactiveerde Berichtenbox heeft; of b. op eigen verzoek is geplaatst op een lijst van personen naar wie berichten anders dan langs elektronische weg worden verzonden; alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg verzonden totdat die belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige een keuze heeft gemaakt voor verzending van alle berichten langs elektronische weg.

2 Ten behoeve van de verzending van alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties burgerservicenummers opvragen en verstrekt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die burgerservicenummers.

3 Ten behoeve van de verzending van alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de Dienst Toeslagen, de inspecteur, het bestuur van ’s Rijks belastingen, de ontvanger, de directeur of de belastingdeurwaarder aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de burgerservicenummers verstrekken van de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

4 Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt in de Berichtenbox van de belanghebbende, belastingplichtige, inhoudingsplichtige of belastingschuldige, bedoeld in het eerste lid, dat alle berichten uitsluitend anders dan langs elektronische weg worden verzonden.

BWB 2026-01-01

De artikelen 9, 11 en 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zoals die luidden op 31 december 2019 blijven van toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en verstrekte gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van die wet dat betrekking heeft, onderscheidenlijk die betrekking hebben, op belastingschulden die ingevolge artikel 11, vierde lid, van die wet geacht worden te zijn ontstaan op een tijdstip waarop een tijdvak dat vóór 1 januari 2020 is aangevangen eindigt of zijn ontstaan op een tijdstip dat vóór 1 januari 2020 is gelegen.

BWB 2026-01-01

1 Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat: a. artikel I, onderdelen B en C, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020; b. artikel V, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2018; c. artikel X, onderdeel B, en artikel XV terugwerken tot en met 1 oktober 2016; d. artikel XI, onderdelen J en K, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen op of na 1 januari 2019.

2 In afwijking van het eerste lid treden artikel II, onderdelen A en B, artikel XI, onderdelen A en B, en artikel XII, onderdelen A en B, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

3 In afwijking van het eerste lid treedt artikel VIII in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij in het in artikel VIII, onder 2, opgenomen artikel 23b, derde lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 «datum X» wordt vervangen door de datum van inwerkingtreding van artikel VIII.

4 In afwijking van het eerste lid treedt artikel XI, onderdeel Na, in werking met ingang van 1 januari 2021.

Need to analyze how this provision applies to your matter?

Cross-reference this statute against case law, commentaries, and related legislative provisions inside Legislator AI.

Open in Legislator →