Gedragscode integriteit Eerste Kamer
Table of Provisions (12)
Statutory Text (12 Articles)
Ieder lid handelt bij de naleving van de door hem afgelegde eed of belofte in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. De invulling daarvan en de verantwoording daarover vinden plaats in overeenstemming met deze gedragscode.
Integriteit is in de ruimste zin van het woord het goede doen, ook als niemand kijkt. Voor Eerste Kamerleden begint integriteit bij de eed of belofte die alle leden op grond van artikel 60 Grondwet en artikel 2 Wet beëdiging Ministers en leden Staten-Generaal afleggen. Bij de aanvaarding van hun ambt leggen zij in de vergadering een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt. Bij de naleving van de eed of belofte dienen leden te handelen in overeenstemming met beginselen van integriteit en betrouwbaarheid. Deze gedragscode beoogt die beginselen verder in te vullen. De verantwoording zoals voorzien in dit document streeft naar een wijze van transparantie die de samenleving redelijkerwijze mag verwachten van een gekozen volksvertegenwoordiger.
De Tijdelijke commissie GRECO-rapport noemde in 2014 als elementen van het begrip integriteit het voorbeeldig, betrouwbaar en transparant handelen.2Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 5. Leden geven het goede voorbeeld door respectvol met elkaar om te gaan in procedures en tijdens het debat, leven vastgestelde regels, afspraken en deadlines na en zijn bij hun handelen transparant over hun functies naast het Kamerlidmaatschap en eventuele andere belangen. Aldus ook de Tijdelijke commissie werkwijze Eerste Kamer in 2017.3Kamerstukken I 2016/17, CXXIV, A, p. 7.
Leden van de Eerste Kamer zijn medewetgever en controleur van de regering. Zij behartigen, allemaal vanuit hun eigen politieke ideologie en overtuiging, het algemeen belang. De leden beschikken over een vrij mandaat en stemmen zonder last (artikel 67, derde lid, Grondwet). Het voorgaande betekent niet dat politieke beginselen en afspraken geen rol kunnen spelen, maar wel dat de leden uiteindelijk zelf de eindafweging maken. Leden kunnen niet worden verplicht volgens de partij- of fractielijn te stemmen, niet worden geschorst en evenmin worden gedwongen hun Kamerzetel ter beschikking te stellen.4Aldus eerder ook de Tijdelijke commissie GRECO-rapport, Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 7. In die zin is hun onafhankelijkheid (juridisch) gewaarborgd.
Bij de combinatie van het Eerste Kamerlidmaatschap met bepaalde functies staat de gewenste onafhankelijkheid zozeer onder druk dat de grondwetgever of de wetgever deze functies formeel incompatibel heeft verklaard. Zie daarvoor artikel 57 Grondwet en artikel 1 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement. Een lid van de Eerste Kamer kan bijvoorbeeld niet tevens Minister zijn, omdat hij geacht wordt de door die Minister verdedigde wetsvoorstellen te beoordelen en diens beleid te controleren. Het is aan de (grond)wetgever deze formele incompatibiliteiten eventueel uit te breiden. Zulke incompatibiliteiten kunnen, gelet op het grondwettelijk systeem, immers niet in een Gedragscode integriteit Eerste Kamer worden vastgelegd.
De vraag kan wel gesteld worden of er bepaalde «materiële incompatibiliteiten» zijn, dat wil zeggen functies waarbij leden van de Kamer handelingen en activiteiten verrichten die de schijn van niet-onafhankelijk zijn wekken. Vooruitlopend op een eventuele formele incompatibiliteit ontraadt momenteel de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak rechters lid te zijn van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal. Omgekeerd kan worden opgemerkt dat het gelijktijdig bekleden van het lidmaatschap van de Eerste Kamer en het rechterschap op gespannen voet staat met de gewenste scheiding der machten. Ook vanuit het perspectief van de Eerste Kamer is deze combinatie van functies dus ongewenst. GRECO ontraadt haar dan ook.
Een geval apart vormt de situatie dat leden advieswerk ten behoeve van de regering verrichten. Hierbij kan het gaan om advieswerk voor een Minister, maar ook om advieswerk voor direct onder diens verantwoordelijkheid werkzame departementale ambtenaren. Een Eerste Kamerlid dat zelf tevens ambtenaar bij een ministerie is, wordt in die laatste functie van rechtswege op non-activiteit gesteld (artikel 3 Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement). Het is immers ongewenst als iemand in de ene functie ondergeschikt is aan de Minister en in de andere functie diezelfde Minister moet controleren. Dit geeft aan dat er spanning kan bestaan tussen advieswerk voor de regering en het Kamerlidmaatschap, ook als er van een formele incompatibiliteit geen sprake is. Cruciaal is dat het lid door het advieswerk zijn onafhankelijkheid als controleur van de regering niet op het spel zet. Dat zal doorgaans niet het geval zijn als een Minister een lid van de Kamer informeel consulteert. Als die Minister of diens ministerie echter formeel opdrachtgever van een adviestaak is, kan redelijkerwijs al snel de schijn van niet langer onafhankelijk zijn worden gewekt. Dat kan het geval zijn als het advies moet leiden tot wetsvoorstellen die het adviserende lid in zijn hoedanigheid van lid van de Eerste Kamer weer moet beoordelen. In het licht van het voorgaande wordt het leden die gevraagd worden, persoonlijk of als lid van een adviescommissie, advieswerk voor de regering te verrichten, ontraden dit werk aan te nemen.
1 Ieder lid geeft zich rekenschap van de belangen die hij anders dan als lid van de Kamer heeft en waakt ervoor dat deze belangen niet leiden tot het op oneigenlijke wijze uitoefenen van zijn functie. Een lid onthoudt zich ook van handelingen en activiteiten die de schijn van belangenverstrengeling oproepen.
2 Een lid dat schriftelijke inbreng levert of ter vergadering het woord voert, meldt daarbij de belangen die in de context van de behandeling van het geagendeerde onderwerp redelijkerwijs van belang kunnen zijn.
Bij hun contacten met derden waken leden voor oneigenlijke beïnvloeding. Zij betrachten ten aanzien van deze contacten transparantie.
Contacten met derden (inclusief lobbyisten) horen bij het werk van leden van de Eerste Kamer. Het behoort immers tot de wezenlijke taken van de leden zich rekenschap te geven van de opvattingen die leven bij de diverse groepen in de samenleving en organisaties die worden geraakt door toekomstige wetgeving. Het is aan de fracties en de individuele leden om te bepalen met welke derden zij contacten wensen te onderhouden. Zij beslissen ook naar eigen inzicht en onder eigen verantwoordelijkheid of en hoe zij de uit deze contacten verkregen informatie bij hun parlementaire werk gebruiken.6Aldus eerder ook de Tijdelijke commissie GRECO-rapport, Kamerstukken I 2013/14, CX, A, p. 15. Contacten met derden worden dan ook zeker niet afgeraden. Leden van de Kamer zijn echter geen verlengstuk van groepen en organisaties. Zij maken conform hun vrije mandaat hun eigen afwegingen. Dat geldt zeker als het gaat om informatie die afkomstig is van professionele, en dus betaalde lobbyisten (gespecialiseerde lobbykantoren of lobbyisten in vaste dienst van een bedrijf of maatschappelijke organisatie).
Van leden van de Eerste Kamer mag verder verwacht worden dat zij transparantie betrachten over hun contacten met derden. Dat betekent niet dat al deze contacten geregistreerd en openbaar gemaakt moeten worden. Zo’n «lobby-register» (actieve openbaarheid) zou gelet op de zeer vele contacten met derden die leden onderhouden ook niet uitvoerbaar zijn. Het betekent wel dat leden desgevraagd openheid van zaken geven over welke contacten met derden zij met betrekking tot bepaalde dossiers hebben gehad (passieve openbaarheid).
Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden de door hen in hun hoedanigheid als lid van de Kamer ontvangen geschenken met een hogere waarde dan 50 euro vermelden, uiterlijk één week na ontvangst van het geschenk. Dit register ligt voor een ieder ter inzage.
De zinsnede «in hun hoedanigheid als lid van de Kamer» doet recht aan het gegeven dat Eerste Kamerleden geen fulltime politici zijn. Geschenken die zij in het kader van hun functies naast het lidmaatschap van de Kamer ontvangen vallen dan ook niet onder de bepaling.
Het begrip «geschenk» dient ruim te worden uitgelegd. Hieronder vallen niet alleen flessen wijn, boeken, kerstpakketten of boeketten, maar ook bijvoorbeeld hotelovernachtingen en diners. Voor geschenken is geen maximumbedrag vastgesteld; de enige regel is dat alles boven de 50 euro openbaar moet worden gemaakt. Het is aan de leden zelf te beoordelen wat zij nog te verantwoorden vinden. Daarbij dienen leden er alert op te zijn dat geschenken (bijvoorbeeld van lobbyisten) de schijn van belangenverstrengeling als bedoeld in artikel 2 van deze Gedragscode kunnen oproepen.
Het geschenkenregister is op de website van de Eerste Kamer te raadplegen. Ontvangen geschenken worden ook bij de individuele biografieën van de leden getoond.
Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden hun in hun hoedanigheid als lid van de Kamer gemaakte buitenlandse reizen op uitnodiging en voor rekening van derden vermelden, uiterlijk één week na terugkeer in Nederland. Dit register ligt voor een ieder ter inzage. Indien dit gelet op het belang van de veiligheid van het betrokken lid is aangewezen, wordt de gemaakte buitenlandse reis wel ter griffie gemeld, maar niet in het openbare register opgenomen.
Bij deze bepaling gaat het alleen om reizen op uitnodiging en voor rekening van derden. De bepaling is niet van toepassing op reizen die tot het normale Kamerwerk te rekenen zijn, zoals reizen in het kader van internationale parlementaire assemblees, interparlementaire bijeenkomsten, werkbezoeken van de Kamer e.d. Juist omdat deze reizen tot het normale Kamerwerk behoren, wordt daaraan al de nodige publiciteit gegeven door middel van verslagen op de website van de Eerste Kamer.
Het reizenregister is op de website van de Eerste Kamer te raadplegen. Gemaakte reizen worden ook bij de individuele biografieën van de leden getoond. In uitzonderlijke gevallen kan uit veiligheidsoverwegingen worden afgezien van het tonen van een bepaalde reis in het reizenregister. Deze reis moet dan wel ter griffie worden gemeld. Het verdient aanbeveling over een dergelijke kwestie de vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 12 te raadplegen.
1 Ieder lid maakt conform de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer zijn functies naast het lidmaatschap van de Kamer openbaar door terinzagelegging van een opgave van deze functies bij de griffie. Deze opgave bevat tevens een korte beschrijving van de werkzaamheden die het lid verricht en van de organisatie waarvoor het lid werkzaam is.
2 Is het lid werkzaam als adviseur, dan vermeldt het lid tevens de sector waarin hij adviseert.
3 Bij de opgave als bedoeld in het eerste lid geeft het lid aan of de functies bezoldigd of onbezoldigd zijn.
4 In aanvulling op het eerste lid doet ieder lid tevens opgave bij de griffie van belangen die redelijkerwijs als relevant kunnen worden beschouwd, maar niet als functie naast het lidmaatschap van de Kamer kunnen worden aangemerkt. Deze belangen worden op dezelfde wijze openbaar gemaakt, tenzij dit gelet op het belang van de veiligheid of persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen achterwege dient te blijven.
1 Ten aanzien van de gedachtewisseling in een plenaire vergadering met gesloten deuren wordt geheimhouding in acht genomen.
2 De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de Kamer haar opheft.
3 De geheimhouding kan door de Kamer, met gesloten deuren vergaderend, worden opgeheven.
1 Ten aanzien van de gedachtewisseling in een besloten commissievergadering wordt geheimhouding in acht genomen, met uitzondering van hetgeen de commissie in haar verslag vermeldt.
2 De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft.
3 De geheimhouding kan door de commissie in een besloten commissievergadering worden opgeheven.
1 De vertrouwelijkheid ten aanzien van de inhoud van een stuk ten aanzien waarvan de Kamer heeft bepaald, of waarvan uit zijn aard volgt, dat het vertrouwelijk is, wordt door een ieder in acht genomen.
2 Ter griffie wordt een register bijgehouden van bij de Kamer dan wel bij de commissies ingekomen vertrouwelijke stukken.
1 De Huishoudelijke Commissie houdt toezicht op de naleving van deze Gedragscode en geeft oordelen over de interpretatie ervan.
2 De Huishoudelijke Commissie kan, op verzoek van een of meer leden of uit eigen beweging, beoordelen of een lid van de Kamer in een concreet geval in overeenstemming met de artikelen 1 tot en met 6 heeft gehandeld. De Huishoudelijke Commissie kan daarbij aanbevelingen doen.
3 De Huishoudelijke Commissie geeft geen oordeel dan nadat zij het betrokken lid of de betrokken leden in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.
4 Indien het betrokken lid of de betrokken leden zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de Huishoudelijke Commissie, kunnen zij binnen twee weken, door tussenkomst van het College van Senioren, een besluit van de Kamer vragen. De Kamer bevestigt of verwerpt het oordeel van de Huishoudelijke Commissie. Over het oordeel wordt niet beraadslaagd.
5 Wanneer het oordeel van de Huishoudelijke Commissie definitief is geworden, wordt dit publiekelijk kenbaar gemaakt.
6 Indien de beoordeling als bedoeld in het tweede lid een lid van de Huishoudelijke Commissie zelf betreft, wordt dit lid vervangen door het lid dat het langst zitting heeft in de Kamer; bij gelijke zittingsduur gaat het oudste lid in leeftijd voor.
1 De Huishoudelijke Commissie kan de Kamer voorstellen om een lid, dat de geheimhouding of de vertrouwelijkheid, bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9, niet in acht neemt, voor ten hoogste één maand uit te sluiten van alle vergaderingen van één of meer commissies.
2 De Huishoudelijke Commissie kan de Kamer eveneens voorstellen om een lid, als bedoeld in het eerste lid, voor ten hoogste de verdere duur van de zitting uit te sluiten van de kennisneming van vertrouwelijke stukken.
3 Een voorstel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt niet gedaan dan nadat de Huishoudelijke Commissie het betrokken lid in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.
4 Een voorstel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt in stemming gebracht bij de aanvang van de eerste vergadering van de Kamer na de dag waarop de Huishoudelijke Commissie tot het doen van het voorstel heeft besloten. Over dit voorstel wordt niet beraadslaagd.
5 Een besluit van de Kamer ingevolge dit artikel wordt door de Voorzitter onverwijld ter kennis gebracht van het betrokken lid.
1 De Kamer benoemt op voorstel van de Huishoudelijke Commissie een onafhankelijke vertrouwenspersoon om leden en fracties van advies te dienen over de interpretatie van deze Gedragscode en over het gewenste handelen in concrete situaties. De benoeming geldt voor de duur van vier jaar, waarna de vertrouwenspersoon terstond herbenoembaar is.
2 De vertrouwenspersoon is geen lid van de Kamer of werkzaam bij de griffie van de Kamer.
3 Ten aanzien van de gedachtewisseling met de vertrouwenspersoon wordt door alle betrokkenen geheimhouding in acht genomen.
4 De vertrouwenspersoon rapporteert jaarlijks vertrouwelijk aan de Huishoudelijke Commissie over de mate waarin van zijn diensten gebruik wordt gemaakt.
5 De Huishoudelijke Commissie maakt met de vertrouwenspersoon afspraken over een passende vergoeding.