Legislator Case Law & Legislation
BWBR0032452 NL

Regeling normering topinkomens OCW-sectoren

34 Articles / Provisions · Netherlands
Open official source Machine-readable Markdown (.md)

Table of Provisions (34)

Statutory Text (34 Articles)

BWB 2026-01-01

In deze regeling wordt verstaan onder

besluit: Uitvoeringsbesluit WNT;

bezoldiging: de bezoldiging in de zin van artikel 1.1, onderdeel e, van de wet;

minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

rechtspersonen of instellingen in het onderwijs: rechtspersonen of instellingen in het onderwijs, genoemd onder de nummers 1 tot en met 8 en 12 tot en met 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;

topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 13, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;

topfunctionarissen in het primair onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 1 en 4, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;

topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 6, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;

topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen c en g van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

topfunctionarissen van de cultuurfondsen: de topfunctionarissen van een rechtspersoon, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder a, van de wet, voor zover het betreft een fonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

topfunctionarissen van hogescholen: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen a, b, h en i van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

topfunctionarissen van media-instellingen: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 17, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;

wet: Wet normering topinkomens.

Abusievelijk is voor de begripsbepaling 'topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs' een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.

BWB 2026-01-01

Deze regeling is van toepassing op rechtspersonen of instellingen waarop de wet van toepassing is, voor zover de minister de minister is wie het aangaat.

BWB 2026-01-01

Deze regeling berust mede op artikel 2.7, eerste tot en met vierde lid, van de wet.

BWB 2026-01-01

De artikelen 3 tot en met 3c zijn uitsluitend van toepassing op

de topfunctionarissen in het primair onderwijs;

de topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs;

de topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie;

de topfunctionarissen van hogescholen; en

de topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs.

BWB 2026-01-01

1 In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor dat jaar.

2 Voor een rechtspersoon of instelling geldt het bezoldigingsmaximum behorende bij het aantal complexiteitspunten dat op basis van de criteria, genoemd in de bijlage bij deze regeling, is berekend.

3 Voor universiteiten, zoals bedoeld in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a, b, h en i, geldt het aantal complexiteitspunten van 9 als minimumaantal.

4 Per klasse geldt het volgende bezoldigingsmaximum: Klasse Bezoldigingsmaximum A (4 complexiteitspunten) € 156.000 B (5 – 6 complexiteitspunten) € 175.000 C (7 – 8 complexiteitspunten) € 187.000 D (9 – 12 complexiteitspunten) € 204.000 E (13 – 15 complexiteitspunten) € 222.000 F (16 – 17 complexiteitspunten) € 238.000 G (18 – 20 complexiteitspunten) Het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet.

BWB 2026-01-01

1 Een verzoek als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de wet om in een andere klasse te worden ingedeeld, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de afwijkende klassenindeling moet ingaan.

2 Het verzoek is deugdelijk gemotiveerd en bevat in ieder geval: a. een verklaring van de verantwoordelijke waaruit zijn instemming met het verzoek blijkt; b. een document waaruit het oordeel van de direct belanghebbenden bij het onderwijs over het verzoek blijkt; c. een onderbouwing van de benodigde duur van de afwijking.

BWB 2026-01-01

1 Een verzoek om op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de wet ten aanzien van een topfunctionaris een hogere bezoldiging te mogen overeenkomen dan toegestaan op grond van deze regeling, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de hogere bezoldiging moet ingaan.

2 Artikel 3a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

BWB 2026-01-01

De verantwoordelijke vermeldt in het financieel verslaggevingsdocument de op grond van artikel 3 of 3a van toepassing zijnde klasse of het op grond van artikel 3b van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor het betreffende kalenderjaar, alsmede het aantal complexiteitspunten per criterium dat geldt voor de instelling in het betreffende jaar.

BWB 2026-01-01

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de topfunctionarissen van de cultuurfondsen.

BWB 2026-01-01

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de cultuurfondsen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan € 218.000 voor zover het betreft

het Fonds Podiumkunsten;

het Fonds voor Cultuurparticipatie;

het Mondriaan Fonds;

het Nederlands Filmfonds;

het Nederlands Letterenfonds; en

het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

BWB 2026-01-01

1 De verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1.1 van de wet, verstrekt langs elektronische weg op uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar, in aanvulling op de openbaarmakingsplicht, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de wet, de gegevens bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de wet, aan de minister.

2 De verstrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door aanlevering van de gegevens door middel van het daartoe voorgeschreven WNT-formulier in XBRL bij de minister.

BWB 2026-01-01

Deze paragraaf is van toepassing op de topfunctionarissen van media-instellingen.

BWB 2026-01-01

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de volgende media-instellingen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan

€ 185.000 voor zover het betreft

Omroep Zwart;

Ongehoord Nederland;

RPO;

Stichting Omroep Limburg;

Stichting Omroep Zeeland;

Stichting Omrop Fryslân;

Stichting Regionale Omroep Flevoland;

Stichting Regionale Omroep Rotterdam-Rijnmond en omgeving;

Stichting Regionale Omroep West;

Stichting RTV Drenthe;

Stichting RTV Noord;

Stichting RTV Oost; en

Stichting Samenwerkende Publieke Omroepen Midden Nederland.

€ 221.000 voor zover het betreft

Stichting Omroep Gelderland

Stichting Regionale Omroep Brabant

Stichting RTV NH

€ 241.000 voor zover het betreft

EO;

NTR; en

STER.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet voor zover het betreft

AVROTROS-PowNed;

BNN-VARA;

KRO-NCRV;

MAX-WNL;

NOS;

NPO; en

VPRO-HUMAN.

BWB 2026-01-01

1 De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling, ten aanzien van de rechtspersonen en instellingen, genoemd onder de nummers 1 tot en met 8, 13, 14 en 16, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.

2 De inspecteur-generaal van het onderwijs is gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop hij toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.

3 De inspecteur-generaal van het onderwijs kan ten aanzien van de aan hem toekomende bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, ondermandaat verlenen.

4 De inspecteur-generaal van het onderwijs is bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een in ondermandaat genomen besluit ter aanwending van de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid.

BWB 2026-01-01

1 De leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008 zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling ten aanzien van de instellingen, genoemd onder de nummers 17 en 18, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.

2 De leden van het Commissariaat voor de Media zijn gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop het op grond van het eerste lid toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.

BWB 2026-01-01

In de artikelen 7b tot en met 7k wordt onder instellingen verstaan: rechtspersonen op wie de wet van toepassing is en die niet vallen onder het toezicht van de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het Commissariaat voor de Media, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de minister is wie het aangaat.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector primair onderwijs, alsmede de sector jeugd, onderwijs en zorg, worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderwijspersoneel en primair onderwijs;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling financiën en verantwoording van de directie onderwijspersoneel en primair onderwijs.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector voortgezet onderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderwijsprestaties en voortgezet onderwijs;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling financiën en verantwoording van de directie onderwijsprestaties en voortgezet onderwijs.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector middelbaar beroepsonderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie middelbaar beroepsonderwijs;

de ambtenaren belast met subsidiecoördinatie, werkzaam bij de directie middelbaar beroepsonderwijs.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector hoger onderwijs en studiefinanciering worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie hoger onderwijs en studiefinanciering;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling control, begroting en verantwoording van de directie hoger onderwijs en studiefinanciering.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector onderzoek en wetenschapsbeleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderzoek en wetenschapsbeleid;

de ambtenaren belast met subsidiecoördinatie, werkzaam bij de directie onderzoek en wetenschapsbeleid.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector monumenten en archeologie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de rijksdienst voor het cultureel erfgoed;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling bedrijfsvoering van de rijksdienst voor het cultureel erfgoed.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector erfgoed en kunsten worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie erfgoed en kunsten;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling sectoraal beleid van de directie erfgoed en kunsten.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector media en creatieve industrie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie media en creatieve industrie;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling financiën en control van de directie media en creatieve industrie;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling informatie- en bibliotheekbeleid van de directie media en creatieve industrie;

de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling mediabeleid van de directie media en creatieve industrie.

BWB 2026-01-01

Voor instellingen in de sector emancipatie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie emancipatie;

de ambtenaren belast met subsidiecoördinatie, werkzaam bij de directie emancipatie.

BWB 2026-01-01

Voor de instellingen in de sector internationaal beleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling

de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie internationaal beleid;

de controller van de directie internationaal beleid.

BWB 2026-01-01

1 Voor instellingen die worden gesubsidieerd door een fonds als bedoeld in artikel 5b worden, voor zover de wet op die instelling van toepassing is, zijn de leden van het bestuur van het betreffende fonds belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling.

2 Indien meer dan één van de in het eerste lid bedoelde fondsen subsidie verstrekken aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, is het fonds dat de hoogste subsidie verstrekt aan de instelling belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling.

BWB 2026-01-01

De toezichthouders die in deze paragraaf zijn aangewezen beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

BWB 2026-01-01

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2013.

BWB 2026-01-01

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normering topinkomens OCW-sectoren.

Need to analyze how this provision applies to your matter?

Cross-reference this statute against case law, commentaries, and related legislative provisions inside Legislator AI.

Open in Legislator →