Legislator Case Law & Legislation
BWBR0028776 NL

Regeling Pensioenwet BES 20101469201-10-201016-09-2010AV/PB/2010/18205201038701-10-201023-09-201010-10-2010Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de

26 Articles / Provisions · Netherlands
Open official source Machine-readable Markdown (.md)

Table of Provisions (26)

Statutory Text (26 Articles)

BWB 2026-01-01

Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstig artikel 4 van de wet door middel van het formulier dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

In deze paragraaf wordt verstaan onder

betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in artikel 5a van de wet.

gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als

waarheidslievendheid;

verantwoordelijkheidszin;

wetsgetrouwheid;

openheid;

oprechtheid;

prudentie;

punctualiteit;

onkreukbaarheid;

discretie;

rechtschapenheid.

antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in de bijlage 2 genoemde feiten en omstandigheden.

betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

De betrouwbaarheidstoetsing

is gebaseerd op het antecedentenonderzoek zoals in de wet bepaald;

is toepasbaar op alle betrokkenen als bedoeld in artikel 2, onder d; en

dient ter waarborging van de integriteit van een pensioenfonds, door middel van toetsing van bovengenoemde betrokkenen.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

De toetsing van betrouwbaarheid van de betrokkenen geschiedt om de drie jaar en wanneer de Bank dit noodzakelijk acht, onder meer

bij wijziging van antecedenten voor afloop van de gestelde periode; en

in geval van een gemeld incident.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

1 Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in bijlage 2.A.2, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.

2 Indien de antecedenten van de betrokkene kunnen worden gekwalificeerd als feiten en omstandigheden in de zin van zowel bijlage 2.A.1 als bijlage 2.A.2, dan geldt het bepaalde van het eerste lid, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken.

BWB 2026-01-01

1 Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken.

2 Bij de continuïteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van artikel 12, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES. In dat geval worden actuele data gebruikt.

3 Het pensioenfonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.

BWB 2026-01-01

De bedragen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, worden vastgesteld op

USD 2.028, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire;

USD 1.848, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius;

USD 1.941, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba; en

USD 1.848, indien belanghebbende woonachtig is buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

BWB 2026-01-01

De afkoop van een pensioen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, is niet mogelijk

ten aanzien van een weduwen- en weduwnaarspensioen of een bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen, indien uit hoofde van het overlijden waaraan het recht op pensioen wordt ontleend, tevens recht bestaat op wezenpensioen ten laste van het fonds;

ten aanzien van een tijdelijk pensioen.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. ouderdomspensioen: het ouderdomspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat; b. weduwen- en weduwnaarspensioen: het weduwen- en weduwnaarspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat; c. bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 8 van de wet, berekend overeenkomstig de wijze waarop het weduwen- en weduwnaarspensioen wordt berekend; d. contante-waardefactor: het actuarieel bepaalde getal, gebaseerd op kans- en rentefactoren, waarmee de waarde pensioenaanspraak op enig tijdstip wordt vastgesteld; e. contante waarde: het bedrag waarop een pensioenaanspraak wordt gewaardeerd door vermenigvuldiging van dat pensioen met de contante-waardefactor; f. overdrachtswaarde: het bedrag van de contante waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer; g. rentestandskorting: korting op de contante waarde ter verrekening van overrente boven de rekenrente die in aanmerking is genomen bij de bepaling van de contante-waardefactor.

BWB 2026-01-01

1 De gewezen deelnemer kan uiterlijk tot twee jaar na beëindiging van de deelneming een verzoek tot waardeoverdracht doen bij de overdragende pensioenuitvoerder.

2 Bij het verzoek legt de gewezen deelnemer een schriftelijke verklaring van de ontvangende pensioenuitvoerder over waarin deze verklaart bereid te zijn mee te werken aan de waardeoverdracht.

3 De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt binnen twee maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan de gewezen deelnemer een schriftelijke gedagtekende opgave van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder: a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd; b. toeslagverlening; c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.

4 De waardeoverdracht kan plaatsvinden nadat de gewezen deelnemer schriftelijk heeft ingestemd met de in het derde lid bedoelde opgave.

5 Indien de gewezen deelnemer niet binnen zes maanden na dagtekening van de opgave of, indien hij tegen die opgave bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft aangetekend, binnen zes maanden nadat die opgave in rechte onaantastbaar is geworden, schriftelijk met de opgave heeft ingestemd, wordt het verzoek geacht te zijn ingetrokken.

BWB 2026-01-01

De ontvangende pensioenuitvoerder kan de overdrachtswaarde in ontvangst nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan

de gewezen deelnemer verstrekt de in artikel 10, derde lid, bedoelde opgave aan de ontvangende pensioenuitvoerder;

de ontvangende pensioenuitvoerder verstrekt aan de gewezen deelnemer een opgave van de aanspraken die de gewezen deelnemer in de nieuwe pensioenregeling in verband met de waardeoverdracht zal ontvangen; en

de gewezen deelnemer heeft ingestemd met de in onderdeel b opgenomen opgave en heeft verzocht om de overdracht.

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

BWB 2026-01-01

1 De overdragende pensioenuitvoerder draagt de overdrachtswaarde over aan de ontvangende pensioenuitvoerder binnen drie maanden na ontvangst van het in artikel 11, onderdeel c, bedoelde verzoek.

2 Door de overdracht vervallen de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer jegens de overdragende pensioenuitvoerder.

BWB 2026-01-01

1 De overdrachtswaarde heeft uitsluitend betrekking op aanspraken op ouderdoms-, weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.

2 Voor de bepaling van de omvang van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op de datum waarop het verzoek tot overdracht of overname van de overdrachtswaarde door de pensioenuitvoerder is ontvangen. Wanneer het verzoek is ontvangen voor de datum waarop betrokkene deelnemer is geworden, dan wel zijn deelnemerschap is geëindigd, treedt de datum van indiensttreding of van beëindiging van het deelnemerschap in de plaats van de datum, bedoeld in de eerste volzin.

BWB 2026-01-01

1 Bij overdracht of overname van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de contante-waardefactoren, die het bestuur, na overleg met de Bank, heeft vastgesteld ter berekening van de contante waarden van: a. ouderdomspensioen van vrouwen; b. ouderdomspensioen van mannen; en c. weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.

2 De contante-waardefactoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met toepassing van de rekenrente van de laatstelijk samengestelde actuariële balans van het fonds. De sterftekansen worden ontleend aan de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde sterftetafels die toegepast zijn bij de laatstelijk samengestelde actuariële balans.

BWB 2026-01-01

1 Indien de overdragende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt de over te dragen overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor (100 - X ) : 100, waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

2 Indien ontvangende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt voor de toepassing van artikel 16 het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor 100 : ( 100 - X ), waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.

BWB 2026-01-01

1 De ontvangende pensioenuitvoerder berekent fictieve deelnemingsjaren gelijk aan W: CWP, waarin: W = het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde, na toepassing van artikel 15, tweede lid; en CWP = de contante waarde van het ouderdomspensioen per dienstjaar, vastgesteld met gebruikmaking van de contante-waardefactoren, bedoeld in artikel 14. Tevens omvat CWP voor alle deelnemers de contante waarde van het weduwen- en weduwnaarspensioen per dienstjaar.

2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het inkomen op de datum, bedoeld in artikel 13, tweede lid.

3 De fictieve deelnemingsjaren, bedoeld in het eerste lid, worden door de ontvangende pensioenuitvoerder behandeld alsof zij zijn opgebouwd in de pensioenovereenkomst met de nieuwe werkgever.

BWB 2026-01-01

1 Voor groepen van gevallen waarin toepassing van deze paragraaf tot een naar het oordeel van de betrokken pensioenuitvoerders onredelijke uitkomst leidt, zijn de pensioenuitvoerders gezamenlijk dan wel individueel bevoegd ten gunste van belanghebbenden een regeling te treffen die met de strekking van deze paragraaf overeenkomt.

2 Van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de Bank.

BWB 2026-01-01

1 Voor de toepassing van artikel 7f, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder: a. financiering: 1°. bij pensioenfondsen: hetgeen op grond van artikel 28, onderdeel f, g en h, van het Besluit Pensioenwet BES is opgenomen in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 16e van de wet; 2°. bij een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld; b. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.

2 Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een pensioenfonds indien: a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het pensioenfonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van de technische voorzieningen op het vereist eigen vermogen te brengen.

3 Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het pensioenfonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet indien: a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het de technische voorzieningen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te brengen.

4 De Bank kan op verzoek van een pensioenfonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan de technische voorzieningen.

5 Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen.

BWB 2026-01-01

1 Voor een pensioenfonds dat een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, van de Pensioenwet BES heeft ingediend, geldt met inachtneming van dit artikel, een verlenging van de looptijd met maximaal twee jaar indien het pensioenfonds een herzien kortetermijnherstelplan indient uiterlijk vier maanden voor de afloop van de termijn van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan.

2 In het herziene kortetermijnherstelplan wordt opgenomen: a. door welke maatregelen het fonds, zo nodig met vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar na de ingangsdatum van het oorspronkelijke kortetermijnherstelplan zal voldoen aan de artikelen 13 en 13d van de Pensioenwet BES; en b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zo nodig verdergaande vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt.

3 De maatregelen, bedoeld in het tweede lid, voldoen aan de volgende eisen: a. indien ten tijde van de indiening van het herziene kortetermijnherstelplan geconstateerd wordt dat een vermindering noodzakelijk is, wordt in het herziene kortetermijnherstelplan een voorgenomen vermindering opgenomen, die wordt doorgevoerd uiterlijk per 1 april 2017 en die voldoende is om naar verwachting uiterlijk per 31 december 2018 te voldoen aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt; b. indien uit de evaluatie op basis van de gegevens uiterlijk per 31 december 2016, blijkt dat: 1°. volstaan kan worden met een beperktere vermindering dan bedoeld onder a, omdat het pensioenfonds dit tot genoegen van De Nederlandsche Bank kan aantonen op basis van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, wordt per 1 april 2017 die beperktere vermindering doorgevoerd; of 2° een grotere vermindering noodzakelijk is, wordt de onder a bedoelde vermindering doorgevoerd en wordt de nog aanvullend noodzakelijke vermindering per 1 april 2018 doorgevoerd, mits de gegevens per 31 december 2017 die vermindering nog steeds noodzakelijk maken.

4 Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de verlengde looptijd zal kunnen worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt, wordt uiterlijk: a. per 1 april 2018 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen aan het einde van de verlengde looptijd volledig door waarden worden gedekt; en b. per 1 april 2019 een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten doorgevoerd om de dekkingsgraad op een zodanig niveau te brengen dat aan het einde van de verlengde looptijd zal worden voldaan aan de eis dat de technische voorzieningen volledig door waarden worden gedekt.

5 Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.

6 Zo nodig in afwijking van het derde en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de verlengde looptijd van het herziene kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en geëffectueerd.

7 In afwijking van de eis, bedoeld in het zesde lid, dat de vermindering binnen drie maanden na afloop van het herziene kortetermijnherstelplan wordt geëffectueerd, kan een pensioenfonds de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zesde lid, spreiden, indien per 31 december 2018: a. het pensioenfonds op basis van een continuïteitsanalyse aannemelijk heeft gemaakt dat de pensioenregeling structureel zodanig is vormgegeven dat het beoogde pensioenresultaat haalbaar is; b. stijgingen van de levensverwachting ten laste worden gebracht van de toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en c. bij een dekkingsgraad van minder dan 110% geen toeslag wordt verleend.

8 Een pensioenfonds met een herzien kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt op of na 31 december 2018, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden: a. in 2019 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen op grond van het vierde lid wordt geëffectueerd per 1 april 2019, met dien verstande dat indien deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2019 kan worden beperkt tot 7%; b. in 2020 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%; c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2021.

BWB 2026-01-01

1 Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit Pensioenwet BES, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren: a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren; b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in: 1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met 25%; 2°. aandelen opkomende markten met 35%; 3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en 4°. direct vastgoed met 15%; c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de dollar met 20%; d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%; e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van het fonds met 40%; f. het verzekeringstechnische risico; g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%; h. het concentratierisico bedraagt 0%; en i. het operationeel risico bedraagt 0%.

2 Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor.

BWB 2026-01-01

1 Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties: a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50; b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ) van 0,75; c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ”) van 0.

2 Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt.

BWB 2026-01-01

Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met de Bank over de te nemen maatregelen.

BWB 2026-01-01

1 De Bank kan toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het pensioenfonds beschikt over: a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering met achtergestelde leningen; b. een eenvoudige pensioenregeling; c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en d. een eenvoudige bedrijfsvoering.

2 Een pensioenfonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen.

3 Indien een pensioenfonds in een eerdere periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling.

4 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

BWB 2026-01-01

1 De Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het fonds voldoet aan door de Bank gestelde regels ten aanzien van: a. de organisatorische inbedding van het intern model; en b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.

2 Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.

3 Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het pensioenfonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het pensioenfonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.

4 In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het interne model geen afbreuk doen.

5 Een pensioenfonds dat een intern model hanteert: a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan de Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en b. dient bij de Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 19.

6 De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

BWB 2026-01-01

1 In afwijking van artikel 23, eerste lid, kan de Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 23, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien: a. naar het oordeel van de Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.

Need to analyze how this provision applies to your matter?

Cross-reference this statute against case law, commentaries, and related legislative provisions inside Legislator AI.

Open in Legislator →