Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen
Table of Provisions (65)
Statutory Text (65 Articles)
In deze regeling wordt verstaan onder
besluit: Schepenbesluit 2004;
Caribische handelszone: Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als omschreven in de CCSS-Code;
CCSS-Code: in het kader van het op 9 februari 1996 te Barbados tot stand gekomen Memorandum van overeenstemming inzake toezicht op schepen door de havenstaat vastgestelde Code voor de veiligheid van vrachtschepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Satefy for Caribbean Cargo Ships);
DSC-Code: bij resolutie A.373(X) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de veiligheid van dynamisch ondersteunde schepen (Dynamically Supported Craft Code);
EmS-Gids: bij circulaire MSC/Circ.1025 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Noodmaatregelen en -procedures voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd (Emergency response procedures for ships carrying dangerous goods; EmS Guide);
Houtvaartcode: bij resolutie A.715(17) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor het veilig vervoer van deklast hout (Code of Safe Practice for Ships Carrying Timber Deck Cargoes);
IMDG-Code: bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code inzake gevaarlijke stoffen (International Maritime Dangerous Goods Code);
IMSBC-Code: bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code);
IS-Code: bij resolutie A.749(18) van de Algemene vergadering van de IMO aangenomen Code betreffende stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle scheepstypen waarvoor IMO-voorschriften bestaan (Intact Stability Code);
IS-Code 2008: bij resolutie MSC.267(85) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code betreffende de stabiliteit in onbeschadigde toestand 2008 (Intact Stability Code, 2008);
LY2-Code: bij circulaire nr. 2950 van 23 maart 2009 bij de IMO genotificeerde Code voor grote commerciële jachten (Large Commercial Yacht Code);
LY3-Code: de bij GISIS Equivalent nr. XQ7989 van 13 april 2016 bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (The Large Commercial Yacht Code);
MODU-Code 1979: bij resolutie A.414(XI) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1979 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1979);
MODU-Code 1989: bij resolutie A.649(16) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1989 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1989);
MODU-Code 2009: bij resolutie A.1023(26) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 2009 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 2009);
resolutie MSC.235(82): de bij resolutie MSC.235(82) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het ontwerp en de bouw van offshore bevoorradingsschepen (2006) (Guidelines for the design and construction of offshore supply vessels, 2006);
resolutie A.468(XII): de bij resolutie A.468(XII) van de Algemene Vergadering van de IMO voorgeschreven maatregelen ter beperking van geluidhinder aan boord van schepen (Code on noise levels on board ships);
resolutie A.1122(30): resolutie A.1122(30) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende de Code voor het vervoer en de behandeling van gevaarlijke en schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore ondersteuningsschepen (OSV Chemical Code);
SCV-Code: in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde en bij circulaire 396(SLS14) als equivalente regeling voor het Koninkrijk der Nederlanden genotificeerde Code voor de veiligheid van kleine commerciële schepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels);
SPS-Code: bij resolutie A.534(13) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden (Special Purpose Ships Code);
SPS-Code 2008: bij resolutie MSC.266(84) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van schepen met bijzondere doeleinden 2008 (Special Purpose Ships Code, 2008).
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
Deze regeling berust mede op artikelen 2, derde en vierde lid, 6, tweede lid, 6a, 6b, 9, derde lid, 15, 29, vijfde lid, 30, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, 41, en 41a, tweede lid, van het besluit.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke verdragen, Codes, resoluties of richtlijnen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 2, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.
2 Vanaf de bouwdatum, bedoeld in het eerste lid, wordt een termijn van zes jaren gesteld voor de oplevering van het betreffende schip.
3 Bij overschrijding van de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt als bouwdatum van het betreffende schip aangemerkt de datum zes jaren eerder dan de dag waarop het betreffende schip is opgeleverd.
4 Indien naar het oordeel van de minister sprake is van bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van het derde lid.
5 Als datum waarop een schip is opgeleverd wordt aangemerkt de datum van eerste afgifte van: a. de certificaten, bedoeld in de artikelen 3b tot en met 5; b. het internationaal of het nationaal veiligheidscertificaat, bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit; c. het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen, bedoeld in artikel 7 van het besluit.
Deze regeling is van toepassing op schepen die op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd voor de volgende categorieën schepen: a. een passagiersschip waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen in wateren niet behorend tot het Caribische deel van het Koninkrijk; b. een vrachtschip van 500 GT of meer waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen in wateren niet behorend tot het Caribische deel van het Koninkrijk, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel e; c. een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel e; d. een vrachtschip met een lengte van 5 tot 24 meter, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel e; e. schip dat niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing is voorzien.
2 In het opschrift van het nationaal veiligheidscertificaat wordt tot uitdrukking gebracht tot welke van de navolgende categorieën een te certificeren schip, bedoeld in het eerste lid, behoort: a. voor een schip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a: Passenger ship restricted to national voyages outside the Caribbean part of the Kingdom of the Netherlands’; b. voor een schip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b: Cargo ship of 500 GT and over, restricted to national voyages outside the Caribbean part of the Kingdom of the Netherlands; c. voor een schip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c: Cargo ship of less than 500 GT with a length of 24 metres or more; d. voor een schip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d: Cargo ship with a length of 5 till 24 metres; e. voor een schip als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e: Ship not propelled by mechanical means.
3 Op het nationaal veiligheidscertificaat is in ieder geval opgenomen: a. datum van afgifte van het certificaat; b. plaats van afgifte van het certificaat; c. vervaldatum van het certificaat; d. naam van het schip; e. hoofdafmetingen en geïnstalleerd motorvermogen van het schip; f. verklaring dat onderzoeken aan het schip overeenkomstig deze regeling zijn uitgevoerd en het schip aan de van toepassing zijnde eisen van het besluit en deze regeling voldoet.
4 Het nationaal veiligheidscertificaat gaat vergezeld van een uitrustingsrapport en voor schepen met een lengte van 24 meter of meer waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen, een uitwateringschema.
1 Een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 6a van het besluit is benodigd voor de volgende categorieën schepen: a. een vrachtschip met een lengte over alles van 5 meter of meer en met een lengte van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone (SCV); b. een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82); c. een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30); d. een verplaatsbare offshore booreenheid als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 en de MODU-Code 2009.
2 Voor schepen waarvoor op grond van artikel 5, eerste lid, van het besluit een internationaal veiligheidscertificaat benodigd is, wordt het veiligheidscertificaat, bedoeld in het eerste lid, gecombineerd met het internationale veiligheidscertificaat.
3 Voor schepen waarvoor op grond van artikel 6 van het besluit een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, wordt het veiligheidscertificaat, bedoeld in het eerste lid, voor schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b (offshore bevoorradingsschepen) en c (offshore ondersteuningsschepen), gecombineerd met het nationale veiligheidscertificaat.
4 Voor schepen waarvoor op grond van artikel 6 van het besluit een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, treedt het veiligheidscertificaat, bedoeld in het eerste lid, voor schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a (SCV) en d (MODU), in de plaats van het nationale veiligheidscertificaat.
5 Een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 6a van het besluit kan worden gekozen voor de volgende categorieën schepen: a. een schip van minder dan 500 GT waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen binnen de Caribische handelszone (CCSS); i. een vrachtschip met een lengte van 24 meter of meer; ii. een olietanker of een tanker als bedoeld in voorschrift 1.1 van de CCSS-Code met een lengte van minder dan 24 meter; b. een passagiersschip met een lengte over alles van 5 meter of meer en een lengte van minder dan 24 meter, waarmee internationale reizen uitsluitend binnen de Caribische handelszone worden ondernomen (SCV); c. een passagiersschip met een lengte over alles van 5 meter of meer en een lengte van minder dan 24 meter, waarmee uitsluitend nationale reizen binnen de Caribische handelszone worden ondernomen (SCV); d. een beroepsmatig gebruikt zeegaand schip: i. van minder dan 3.000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat gebouwd is vóór 1 januari 2018 en dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers (LY2); ii. met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers (LY3); e. een dynamisch ondersteund schip als bedoeld in de DSC-Code; f. een schip, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code of de SPS-Code 2008.
6 Voor schepen waarvoor op grond van artikel 5, eerste lid, van het besluit een internationaal veiligheidscertificaat benodigd is, wordt het veiligheidscertificaat, bedoeld in het vijfde lid, gecombineerd met het internationale veiligheidscertificaat.
7 Voor schepen waarvoor op grond van artikel 6 van het besluit een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, treedt het veiligheidscertificaat, bedoeld in het vijfde lid, in de plaats van het nationale veiligheidscertificaat.
Voor vrachtschepen ten aanzien waarvan op grond van artikel 6a voor toepassing van de CCSS-Code is gekozen, is het bij die Code behorende veiligheidscertificaat benodigd.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Voor een passagiersschip waarmee internationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6b voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, tezamen met een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de SCV-Code (notification of equivalency) benodigd.
2 Voor een passagiersschip waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen in wateren niet behorend tot het Caribische deel van het Koninkrijk, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6b voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, het bij die Code behorende SCV-veiligheidscertificaat benodigd.
1 Voor een vrachtschip met een lengte over alles van 5 meter of meer en een lengte van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen in de Caribische handelszone wordt ondernomen, is het bij die Code behorende SCV-veiligheidscertificaat benodigd.
2 Het eerste lid is zowel van toepassing op vrachtschepen die zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, als op vrachtschepen die niet van zodanige middelen zijn voorzien.
1 Voor een schip van 500 GT of meer waarmee internationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6d voor toepassing van de LY2-Code is gekozen, tezamen met een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de LY2-Code (notification of equivalency) benodigd.
2 Voor een schip van 500 GT of meer waarmee internationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6d voor toepassing van de LY3-Code is gekozen, tezamen met een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de LY3-Code (notification of equivalency) benodigd.
3 Voor een schip van minder dan 500 GT of een schip waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen in wateren niet behorend tot het Caribische deel van het Koninkrijk, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6d voor toepassing van de LY2-Code is gekozen, het bij die Code behorende certificaat van overeenstemming benodigd.
4 Voor een schip van minder dan 500 GT of een schip waarmee uitsluitend nationale reizen worden ondernomen in wateren niet behorend tot het Caribische deel van het Koninkrijk, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 6d voor toepassing van de LY3-Code is gekozen, het bij die Code behorende certificaat van overeenstemming benodigd.
1 Voor een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82) is het bij die resolutie behorende certificaat van overeenstemming benodigd.
2 Voor een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30), niet zijnde een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in voorschrift 1.5.3 van die resolutie, is het bij die resolutie behorende certificaat van geschiktheid benodigd.
Voor een verplaatsbare offshore booreenheid als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 en de MODU-Code 2009 zijn de volgende certificaten benodigd
voor een booreenheid, gebouwd voor 1 mei 1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1979;
voor een booreenheid, gebouwd op of na 1 mei 1991 maar voor 1 januari 2016: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1989;
voor een booreenheid, gebouwd op of na 1 januari 2016: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 2009.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 8 is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008, is het bij de desbetreffende Code behorende certificaat benodigd.
2 Indien is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, is voor het schip tevens de bij die Code behorende exploitatievergunning benodigd.
De in de artikelen 3a tot en met 5 bedoelde certificaten gaan vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende Codes voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking tot schip of lading.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen a, b, c en e, wordt ter verkrijging van het nationaal veiligheidscertificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de voorschriften I/8 tot en met I/10 van het SOLAS-verdrag voorgeschreven onderzoeken, met uitzondering van de bepalingen betreffende jaarlijkse onderzoeken.
2 De onderzoeken waaraan een vrachtschip als bedoeld in het eerste lid in verband met het nationaal veiligheidscertificaat wordt onderworpen, hebben, indien voor het schip tevens een radioveiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het besluit benodigd is, geen betrekking op de eisen betreffende de radio-uitrusting van het schip.
3 Schepen met een lengte van 24 meter of meer waarmee nationale reizen worden ondernomen, worden tevens onderworpen aan onderzoeken betreffende hun uitwatering. Artikel 14, eerste lid, van het Uitwateringsverdrag is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen betreffende jaarlijkse onderzoeken.
1 De eigenaar van een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer, waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de CCSS-Code.
2 De eigenaar van een olietanker of een tanker als bedoeld in voorschrift 1.1 van de CCSS-Code met een lengte van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de CCSS-Code.
3 Indien ten aanzien van een vrachtschip is gekozen voor toepassing van de CCSS-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 6.1, eerste lid, voorgeschreven onderzoeken.
1 De eigenaar van een passagiersschip met een lengte over alles van 5 meter of meer en een lengte van minder dan 24 meter, waarmee uitsluitend reizen in de Caribische handelszone worden ondernomen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de SCV-Code.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op schepen, gebruikt voor het vervoer van meer dan 150 passagiers, en schepen met nachtaccommodatie voor meer dan 50 passagiers.
3 Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die meer dan twintig mijl vanaf de dichtstbijzijnde haven of veilig toevluchtsoord als bedoeld in de SCV-Code varen.
4 Indien ten aanzien van een passagiersschip is gekozen voor toepassing van de SCV-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14, eerste lid, van het besluit of 6.1, eerste lid, bedoelde onderzoeken bedoelde onderzoeken.
1 Een vrachtschip waarvoor het SCV-veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter, waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd
1 De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan ervoor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY3-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.8, 21, 22 en 26 van deze Code.
2 De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip van minder dan 3000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat gebouwd is vóór 1 juli 2022 en dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan er tevens voor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY2-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.2.7, 21, 22 en 26 van deze Code.
3 Bij toepassing van de LY3-Code dan wel de LY2-Code strekken de in de artikelen 13 en 14 van het besluit en artikel 6.1 bedoelde onderzoeken er mede toe om na te gaan of aan de eisen van die Codes is voldaan.
Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009 worden ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82), onderscheidenlijk een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30), wordt ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan onderzoeken ter vaststelling dat is voldaan aan de in de resoluties opgenomen richtlijnen.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 De eigenaar van een schip, behorend tot een van de navolgende categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van: a. voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de DSC-Code, gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de DSC-Code; b. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code en de SPS-Code 2008, gebouwd voor 1 januari 2016: de voorschriften van de SPS-Code of de SPS-Code 2008; c. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code 2008, gebouwd op of na 1 januari 2016: de voorschriften van de SPS-Code 2008.
2 Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing van een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 van het besluit en artikel 6.1 bedoelde onderzoeken.
De in de artikelen 6.1 tot en met 8 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende Codes en resoluties voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande dat het hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18, 19 en 19a van het besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie naar de keuze van de eigenaar.
2 De onderzoeken waaraan een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluit benodigd is, ingevolge de artikelen 13, 14, 16 en 17 van het besluit of de artikelen 6d, 7 en 8 van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
3 De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als bedoeld in het tweede of vierde lid, ingevolge 13, 14 en 17 van het besluit of de artikelen 6.1 tot en met 8 van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door: a. voor de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 13, 14, derde lid, en 17 van het besluit en artikel 6.1: de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd; b. voor de overige onderzoeken: door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie of, indien de op grond van artikel 3 van de Regeling erkende organisaties Schepenwet met de desbetreffende organisatie gesloten overeenkomst daarin voorziet, door de krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
4 De onderzoeken waaraan een schip waarvoor het SCV-veiligheidscertificaat behorend bij de SCV-Code benodigd is, ingevolge artikel 6c, eerste lid, wordt onderworpen, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
5 Indien krachtens artikel 23 van het besluit voor bepaalde onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze andere organisaties worden uitgevoerd.
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 6.1 tot en met 8 tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening geplaatst op het certificaat.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Het nationaal veiligheidscertificaat, dat is afgegeven voor een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b tot en met d en, indien het is afgegeven voor een vrachtschip, onderdeel e, heeft een geldigheidsduur van vijf jaren.
2 Het nationaal veiligheidscertificaat, dat is afgegeven voor een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a en, indien het is afgegeven voor een passagiersschip onderdeel e, heeft een geldigheidsduur van één jaar.
3 De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op het nationaal veiligheidscertificaat.
1 De in de artikelen 3b tot en met 5 bedoelde certificaten hebben, indien zij zijn afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een jaar. Indien zij zijn afgegeven voor een vrachtschip, hebben zij een geldigheidsduur van vijf jaren.
2 De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
1 De toepasselijke eisen van de hoofdstukken II-1, II-2, III, IV en XII van het SOLAS-verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen a, b, c en e.
2 Voor de toepassing van de hoofdstukken II-1, II-2 en, met uitzondering van de eisen betreffende de radio-uitrusting aan boord van groepsreddingmiddelen, III wordt een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer gelijkgesteld met een vrachtschip van 500 GT.
3 Voor de toepassing van de hoofdstukken IV en, met betrekking tot de radio-uitrusting aan boord van groepsreddingmiddelen, III wordt een vrachtschip van minder dan 300 GT met een lengte van 24 meter of meer gelijkgesteld met een vrachtschip van 300 GT.
4 Op een schip met een lengte van 24 meter of meer waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, zijn, indien het een schip betreft waarmee nationale reizen worden ondernomen, tevens de eisen van het Uitwateringsverdrag van overeenkomstige toepassing.
1 Een schip waarvoor op grond van de artikelen 3d of 4 het certificaat, behorende bij de SCV-Code, de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009, benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van de artikelen 6a, 6b, 6d of 8 voor toepassing van de CCSS-Code, de SCV-Code, de LY2-Code, de LY3-Code, de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008 is gekozen, voldoet aan de eisen van de desbetreffende Code.
2 De eisen van de SCV-Code zijn van overeenkomstige toepassing op vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter, waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd.
3 Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat verdrag toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.
1 Een offshore bevoorradingsschip voldoet aan de eisen van resolutie MSC.235(82).
2 Een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) voldoet aan de eisen van voornoemde resolutie.
1 Een schip, gebouwd voor 1 juli 2010, voldoet aan de op dat schip toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van de IS-Code.
2 Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen d en e, voldoet, indien het gebouwd is op of na 1 juli 2010, aan de op dat schip toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van de IS-Code 2008.
3 Dit artikel is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
1 De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen aan de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau.
2 De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische personenliften voldoen aan: a. de regels van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau, of: b. ISO-norm 8383 in combinatie met EN 81-1 (1998), dan wel de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN 28 383.
3 In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk II-1/43.2, van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip aanwezige elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten minste 36 uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste 18 uur, indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.
4 De resolutie A.468(XII)-maatregelen zijn aanwezig aan boord van: a. schepen gebouwd voor 1 juli 2014; b. schepen van minder dan 1600 GT en gebouwd op of na 1 juli 2014; en c. 1°. baggermaterieel met voortstuwing; en 2°. hogesnelheidsschepen, van 1600 GT en meer, gebouwd op of na 1 juli 2014.
5 Aan boord van schepen aanwezige acetyleen las- en snij-installaties, bestaande uit acetyleen- en zuurstofflessen met inbegrip van de ruimte voor opslag, distributieleidingen, slangen en appandages, zijn periodiek gekeurd, goed onderhouden en zodanig opgesteld en ingericht dat het risico van brand of explosie bij zowel een in gebruik zijnde als buiten gebruik zijnde installatie tot een minimum is teruggebracht.
6 Aan boord van schepen aanwezige elektrische lastoestellen en bijbehorende apparatuur zijn periodiek gekeurd, goed onderhouden en zodanig ingericht dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving kunnen opleveren, met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan boord.
7 Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
1 Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die overeenkomstig de CCSS-Code of de SCV-Code zijn gecertificeerd.
1 Aan boord van een schip is de in bijlage 2 bij deze regeling voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleidingen en controlelijsten aanwezig. De eigenaar van een schip draagt voor eigen rekening zorg voor de levering en de vernieuwing van de medische uitrusting.
2 Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.
3 Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats van een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in het tweede lid bedoelde Gids aanwezig.
4 Het eerste lid is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen.
1 Een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat, een nationaal veiligheidscertificaat of een certificaat als bedoeld in de artikelen 3b tot en met 5 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat tevens aan de ingevolge de artikelen 14 tot en met 18 toepasselijke eisen.
2 Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in de artikelen 3b tot en met 5 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat bovendien aan de ingevolge de artikelen 40 en 41a van het besluit toepasselijke eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
3 Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 3a benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat tevens aan de toepasselijke eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in het desbetreffende verdrag en de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 12a tot en met 17 bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geëiste voorziening.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een bemanning van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee bevaren schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren als de scheepsgezellen vertegenwoordigd.
2 Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris benoemd.
3 De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een bemanning van minder dan vijf personen.
1 De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1 van het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is het Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch Gebied.
2 Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15 van het SOLAS-verdrag behoeven niet langer te worden bewaard dan nodig is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen. De minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.
1 Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
2 Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist, wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.
3 Met uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type wordt gelijkgesteld: a. uitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016; b. uitrusting met betrekking waartoe een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten of van Canada, met inachtneming van de voor die goedkeuring opgestelde richtlijnen en standaarden van de IMO.
4 Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.
1 Op schepen van minder dan 150 GT die nationale of internationale reizen maken en schepen van minder dan 500 GT die nationale reizen maken, zijn het standaard magnetisch kompas en het kompaspeiltoestel of hun alternatieve voorziening vrijgesteld van de eis onafhankelijk te zijn van elke elektrische krachtbron opgenomen in voorschrift 19.2.1.1, onderscheidenlijk 19.2.1.2 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits deze voorzieningen ten minste onafhankelijk zijn van de elektrische hoofdkrachtbron.
2 Schepen van 150 GT of meer, doch minder dan 500 GT, die nationale reizen maken, zijn vrijgesteld van de eis voorzien te zijn van een reserve magnetisch kompas opgenomen in voorschrift 19.2.2.1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits een tweede kompas vast is opgesteld.
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, zijn vrijgesteld van de eisen van de volgende voorschriften van het SOLAS-verdrag
met betrekking tot Hoofdstuk II-1
voorschrift 3-2;
de aanwezigheid van de machinekamertelegraaf, opgenomen in voorschrift 37;
de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften 43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden voorzien;
voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2;
voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3;
voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4;
met betrekking tot Hoofdstuk II-2
voorschrift 10.2.2.3.3;
voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van één slanglengte;
voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl aanwezig is;
voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3;
met betrekking tot Hoofdstuk III
voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen;
voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, en het nationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit benodigd is, zijn vrijgesteld van: a. indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009 of de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het SOLAS-verdrag opgenomen eisen; b. indien zij voldoen aan de SPS-Code of de SPS-Code 2008: de in de desbetreffende Code aangegeven eisen van het SOLAS-verdrag; c. indien zij voldoen aan de LY2-Code, LY3-Code of de SCV-Code: de in het SOLAS-verdrag opgenomen eisen.
2 Schepen waarvoor het SCV-veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd is, zijn vrijgesteld van artikel 37 van het besluit.
1 Zeilschepen van minder dan 500 GT, met een lengte van 12 meter of meer, gebruikt voor het vervoer van ten hoogste 36 passagiers, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/20, V/22.1.1 tot en met V/22.1.5 en V/30 van het SOLAS-verdrag.
2 Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn overeenkomstig voorschrift V/3.1 van het SOLAS-verdrag vrijgesteld van de eisen van hoofdstuk V van dat verdrag, met uitzondering van voorschrift V/19.2.1.7. Tevens zijn zij vrijgesteld van de in artikel 17 bedoelde eisen.
Wachtalarminstallaties op de brug, die voor 1 juli 2011 zijn geplaatst, zijn vrijgesteld van de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)), of van daaraan gelijkwaardige uitvoeringsnormen.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een lengte van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code, opgenomen voorschriften.
2 Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is uitsluitend toegestaan, indien: a. voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven van de onderste laag van de deklast te voorkomen; b. de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
3 De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de luiken worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.
4 De beproeving, markering en certificering van kettingen, gebruikt bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1 van de Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig EN-norm 818-2 of de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN 818-2.
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van de hoofdstukken VI, deel A, en VII, deel A-1, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMSBC-Code, zijn voor de in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten geregistreerde schepen: de onderscheidenlijke Ministers, verantwoordelijk voor scheepvaartaangelegenheden.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de voorschriften VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de bij circulaire MSC.1/Circ. 1353/Rev.2 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Herziene richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding vastzetten lading (Revised guidelines for the preparation of the Cargo Securing Manual).
2 Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de Handleiding vastzetten lading.
1 De bepaling van de geverifieerde brutomassa van een beladen container door berekening, bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag, geschiedt door de som te nemen van de massa’s bepaald volgens de leden twee tot en met vijf.
2 De massa van de lading van de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de afzonderlijke daarin geladen producten of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden. Voor bulkproducten is het toegestaan de massa van de lading te bepalen aan de hand van meetmomenten gedurende het productieproces van die bulkproducten zoals debietbepaling door gekalibreerde vulinstallaties of door te wegen.
3 De massa van de verpakking van in de container geladen producten wordt bepaald door de som te nemen van de massa’s van de productverpakkingen zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van die verpakkingen of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
4 De massa van pallets of van stuwmateriaal in de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de pallets of van het stuwmateriaal in de container zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van de pallets of van het stuwmateriaal of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
5 De massa van de ongeladen container, zoals verstrekt door degene die de container aan de verscheper ter beschikking stelt.
6 Bij de bepaling van de massa van een beladen container door berekening worden de bij circulaire MSC/Circ.1475 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde ‘Guidelines regarding the verified gross mass of a container carrying cargo’ in acht genomen.
De geverifieerde brutomassa van een beladen container bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag wijkt niet meer af van de werkelijke massa dan
ten hoogste 500 kilogram indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container minder dan 10 ton bedraagt;
ten hoogste 5 massaprocent indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container 10 ton of meer bedraagt.
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van Hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code zijn voor de in Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten geregistreerde schepen: de onderscheidenlijke Ministers, verantwoordelijk voor scheepvaartaangelegenheden.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.
1 Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
2 Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in afwijking van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
De kapitein van een schip waarvoor op grond van artikel 3d of 4 het certificaat, behorende bij de SCV-Code, de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009, benodigd is, of ten aanzien waarvan op grond van artikel 6a, 6b, 6d of 8 voor toepassing van de CCSS-Code, de SCV-Code, de LY2-Code, de LY3-Code, de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code 2008 is gekozen, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
De kapitein van een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen a, b, c en e, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de hoofdstukken II-1 tot en met IV van het SOLAS-verdrag opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
Artikel II van Stcrt. 2026/17410 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Schepenbesluit 2004 (aanpassen bepalingen betreffende het nationaal veiligheidscertificaat en enige andere wijzigingen) in werking treedt.
1 De kapitein van een schip als bedoeld in artikel 3f, eerste lid, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de resolutie MSC.235(82) opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
2 De kapitein van een schip als bedoeld in artikel 3f, tweede lid, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de resolutie A.1122(30) opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
1 De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige medische uitrusting in goede staat verkeert en zo spoedig mogelijk wordt aangevuld of vernieuwd, in ieder geval met voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures.
2 Indien sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota niet aan boord zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.
3 De kapitein inspecteert jaarlijks, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in bijlage 2 bij deze regeling is bepaald, de aan boord van het schip aanwezige medische uitrusting.
4 Dit artikel is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen, met dien verstande dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verplichtingen in dat geval op de schipper van het vaartuig rusten.
1 De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt er bij een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids opgenomen procedures worden gevolgd.
2 Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke, schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine pollutants).
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes is bepaald.
Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt beproefd.
1 Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26 tot en met V/28 van het SOLAS-verdrag.
2 De artikelen 64 van het besluit en 34 van deze regeling zijn niet van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.
1 De geneesmiddelen waarvan de aanwezigheid in de scheepsuitrusting tot aan 1 juli 2022 was voorgeschreven kunnen worden gebruikt totdat de houdbaarheidsdatum van de desbetreffende geneesmiddelen is verstreken.
2 In afwijking van het eerste lid kan het geneesmiddel Amoxicilline caps 500 mg tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling deel blijven uitmaken van de scheepsuitrusting.
Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires wordt mededeling gedaan in de Landscourant van Aruba, in de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 Artikel 71, eerste tot en met derde lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires.
2 Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden bekendgemaakt in de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaosche Courant en de Landscourant van Sint Maarten.
Deze regeling berust mede op de artikelen 6.5, 6.11, 6.12, 7.17, 7.20 en 7.23 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002.
De artikelen III en IV, eerste lid, van Stcrt. 2015/45626 bevatten overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van de artikelen 4, tweede lid, en 5, tweede lid, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense zeeschepen.
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.