Aanwijzing 1.2 Aanwijzingen voor de regelgeving
Table of Provisions (350)
Statutory Text (350 Articles)
1 Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende personen die bij de voorbereiding en vaststelling van regelingen zijn betrokken.
2 Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden.
1 Onder regelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: a. algemeen verbindende voorschriften; b. interne regels; c. beleidsregels.
2 Onder EU-regelgeving wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde: a. verordeningen; b. richtlijnen.
3 Onder bindende EU-rechtshandelingen wordt in deze aanwijzingen verstaan: door de instellingen van de Europese Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde: a. verordeningen; b. richtlijnen; c. besluiten zonder vermelding van adressaten; d. besluiten met vermelding van adressaten, voor zover mede tot Nederland gericht.
Voor het normeren van gedragingen, handelingen of bevoegdheden worden algemeen verbindende voorschriften, interne regels of beleidsregels gebruikt.
Toelichting
De status van instrumenten als richtlijnen en circulaires is niet eenduidig en helder. Van gebruik van deze instrumenten voor normering dient dan ook zoveel mogelijk te worden afgezien. Circulaires worden alleen gebruikt voor het verstrekken van informatie, die overigens wel betrekking kan hebben op regelgeving.
Tot het tot stand brengen van een regeling wordt alleen besloten indien de noodzaak daarvan is komen vast te staan.
Toelichting
Regelgeving is noodzakelijk indien aannemelijk is dat het concrete voorstel een effectieve, efficiënte en evenredige reactie vormt op het maatschappelijke probleem dat aanleiding geeft voor die regelgeving. Daarvoor is dus vereist dat voldoende zekerheid bestaat dat de voorgestelde regeling werkelijk zal leiden tot het oplossen of verminderen van dat probleem, dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn, en dat de kosten en lasten daarvan gerechtvaardigd worden door de ernst van het probleem. Indien niet aan elke van deze voorwaarden is voldaan, bestaat onvoldoende grond om tot regelgeving (in de voorgenomen vorm) over te gaan. Eventueel kan in zo'n geval een alternatief, minder bezwarend sturingsinstrument worden ingezet, of dient simpelweg van overheidsingrijpen te worden afgezien.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel b.
Alvorens tot het tot stand brengen van een regeling wordt besloten, worden de volgende stappen gezet
kennis wordt vergaard over de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot het bewuste onderwerp;
de doelen die moeten worden bereikt, worden zo concreet en nauwkeurig mogelijk vastgesteld;
onderzocht wordt of de doelen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren, of dat daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is;
indien overheidsinterventie noodzakelijk is, wordt onderzocht of de gekozen doelen kunnen worden bereikt door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten dan wel, indien dit niet mogelijk blijkt, welke nieuwe instrumenten kunnen worden ingezet om de doelen te bereiken;
de diverse mogelijkheden worden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.
Toelichting
Deze aanwijzing brengt tot uitdrukking dat keuzes voor regelgeving als sturingsinstrument, maar ook de keuzes die vervolgens met betrekking tot de inhoud en vormgeving van die regelgeving worden gemaakt, gebaseerd dienen te zijn op kennis van alle relevante factoren en op een gedegen analyse daarvan. Over deze keuzes wordt verantwoording afgelegd in de toelichting bij de regeling, zodat andere actoren in het proces (bijvoorbeeld adviesinstanties, het parlement en het publiek) in staat zijn zich een oordeel te vormen over het (voorgestelde) product. Verder heeft de toelichting op de gemaakte keuzes ook voor de rechtspraktijk een functie doordat deze toelichting behulpzaam kan zijn bij de interpretatie van de regeling (zie voor de eisen aan de toelichting ook paragraaf 4.9).
Het Beleidskompas (te raadplegen op www.beleidskompas.nl) heeft tot doel het afwegings- en verantwoordingsproces bij het formuleren van beleid en regelgeving te ondersteunen. Het kabinet heeft in 2022 beslist dat het Beleidskompas toegepast dient te worden bij de voorbereiding en verantwoording van beleid en regelgeving (Kamerstukken II 2022/23, 36200-VI, nr. 10). Dat gold ook reeds voor de voorganger van het Beleidskompas, het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43.
Onderdeel a: kennis feiten en omstandigheden. Kennis van de relevante feiten en omstandigheden is noodzakelijk om tot een verantwoorde besluitvorming te kunnen komen. Allereerst moet de betrokken kennis worden gebruikt voor het formuleren van de doelen. Vervolgens is zij nodig voor de beantwoording van de vraag in hoeverre overheidsinterventie nodig is en voor de afweging van de verschillende mogelijkheden tot overheidsinterventie. Gewoonlijk vindt het verzamelen van de gegevens overigens gefaseerd plaats. Voor elke nieuwe stap in het besluitvormingsproces zijn veelal weer nieuwe (meer gedetailleerde) gegevens nodig.
Onderdeel b: nauwkeurige doelstelling. Een zo concreet en nauwkeurig mogelijke vaststelling van doelen houdt in dat verschillende doelen duidelijk worden onderscheiden. Waar dat mogelijk en relevant is, dient ook te worden vastgesteld binnen welke termijn een doel bereikt moet zijn. Indien kwantificering, financieel of anderszins, van een doel mogelijk is, dient deze ook te geschieden.
Onderdeel c: noodzaak overheidsinterventie. Slechts voor zover het zelfregulerend vermogen van de maatschappij tekortschiet, moet worden gedacht aan overheidsmaatregelen. Zie aanwijzing 2.5.
Onderdeel d: alternatieven overheidsinterventie. Bij het onderzoek naar de mogelijkheden die de overheid ten dienste staan om een doel te bereiken, dienen de verschillende denkbare alternatieven de revue te passeren. Het gaat daarbij evenzeer om instrumenten die door middel van wetgeving worden gecreëerd (zoals geboden en verboden, een vergunningenstelsel en een heffingenstelsel) als om andere middelen (zoals feitelijk optreden van de overheid en subsidies). Overigens brengt het uitgangspunt van de rechtsstaat mee dat ten aanzien van deze andere middelen veelal ook wettelijke voorzieningen moeten worden getroffen, bijvoorbeeld in verband met het bieden van rechtswaarborgen.
Het onderzoek naar de mogelijkheden tot overheidsinterventie kan ook tot de slotsom leiden dat de overheid de betrokken doelen niet kan realiseren. Dan behoort van overheidsinterventie te worden afgezien.
Wat wettelijke regelingen betreft kunnen te onderzoeken varianten zowel betrekking hebben op de opzet van een wettelijke regeling als zodanig als op onderdelen van een regeling (bijvoorbeeld het systeem van rechtsbescherming waarvoor wordt gekozen).
Het zal van de aard van het betrokken geval afhangen of de in deze aanwijzing bedoelde onderzoeken omvangrijk dienen te zijn of beperkt van aard kunnen blijven. Het is echter wel noodzakelijk dat de in deze aanwijzing bedoelde stappen worden gezet, indien het tot stand brengen van een regeling een van de mogelijkheden tot overheidsinterventie is.
Met het doen van uitspraken en toezeggingen over nieuwe regelingen wordt grote terughoudendheid betracht.
Toelichting
Om recht te doen aan het in de aanwijzingen 2.3 en 4.42 beschreven afwegings- en verantwoordingsproces moeten niet vooraf al bepaalde voorstellen worden gepresenteerd. Bovendien is het vaak niet of nauwelijks mogelijk daarvan terug te komen, ook niet wanneer daarvoor bij nader inzien goede redenen bestaan.
Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doel te bereiken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de maatschappij.
Toelichting
Uit de eisen van met name efficiëntie en evenredigheid vloeit voort dat voor direct overheidsingrijpen slechts plaats is indien van het zelfregulerend vermogen van de maatschappij – ook versterkt met ondersteunende overheidsmaatregelen – niet voldoende resultaten te verwachten zijn.
Ook indien overheidsinterventie in enigerlei vorm noodzakelijk is, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande vormen van zelfregulering. Daartoe wordt voor elk van de aspecten van regulering (te weten: normstelling, toezicht/informatieverzameling, oordeelsvorming en interventies/sanctionering) bezien of kan worden aangesloten bij bestaande zelfreguleringsmechanismen in de maatschappij.
Een voorbeeld van aansluiten bij dergelijke mechanismen is het gebruik van normalisatie en certificatie. Bij of krachtens de wet kan bijvoorbeeld worden bepaald dat door het naleven van normalisatienormen of het bezit van een certificaat aan wettelijke eisen wordt voldaan of dat het wettelijk vermoeden ontstaat dat daaraan is voldaan (zie aanwijzing 3.48). Zie in dit verband ook onderdeel 3.1 (Beleidsinstrumenten) van het Beleidskompas.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel b.
Gestreefd wordt naar duidelijkheid en eenvoud van regelingen en naar een bestendig karakter daarvan.
Toelichting
Voor de beoordeling of regelgeving duidelijk en eenvoudig is, wordt mede acht geslagen op de eigenschappen van de doelgroep. Bij technische voorschriften die primair gericht zijn tot professionele normadressaten, is een ander woordgebruik aanvaardbaar dan bij gedragsvoorschriften die tot burgers in het algemeen zijn gericht.
Een regeling is bestendig indien zij niet frequent hoeft te worden gewijzigd. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid verdient het aanbeveling naar zo groot mogelijke bestendigheid van regelingen te streven. Dit vereist ook dat op weloverwogen wijze de essentiële beleidsmatige keuzes gemaakt zijn alvorens tot het tot stand brengen van een regeling wordt overgegaan.
1 Tot het tot stand brengen van een regeling wordt niet besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.
2 Hierbij wordt onderzocht of handhaving het beste langs bestuursrechtelijke, civielrechtelijke of strafrechtelijke weg dan wel op andere wijze kan plaatsvinden.
Een regeling wordt op zodanige wijze ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Daartoe wordt onder meer aan het volgende voldaan
het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, wordt tot een minimum beperkt;
ingeval bestuurlijke boetes mogelijk worden gemaakt, worden daarvoor bindende boetemaxima vastgesteld;
de aard en omvang van uitkeringen, voorzieningen en andere voordelen worden zo duidelijk mogelijk omschreven.
Toelichting
Noodzaak conflictbeperking. Tot op zekere hoogte is het onvermijdelijk dat regelingen waarbij aan de burger lasten worden opgelegd of die hem aanspraak geven op bepaalde voordelen, aanleiding geven tot conflicten. Het is echter gewenst dat de kans op conflicten tot een minimum wordt beperkt. Allereerst vanuit een sociaal-maatschappelijk oogpunt, maar ook om de lasten die verbonden zijn aan de rechtsbescherming ter zake van de toepassing van de regeling, zo laag mogelijk te houden. Gelet hierop dient bij de keuze uit varianten van een regeling ook de mate waarin over de toepassing daarvan conflicten zijn te verwachten, in beschouwing te worden genomen.
Conflictopwekkende factoren. Regelingen zijn in bijzondere mate conflictopwekkend indien zij een van de volgende kenmerken vertonen
het verkrijgen van een uitkering, een voorziening, een restitutie of een ander voordeel wordt afhankelijk gesteld van individueel bepaalde omstandigheden zoals het hebben van een ziekte of gebrek dan wel het zijn van ondernemer;
belanghebbenden worden met een reeks van beschikkingen geconfronteerd;
aan een uitvoeringsorgaan wordt een ruime mate van discretionaire bevoegdheid gelaten;
voor het bepalen van de hoogte van een uitkering of van de aard van een voordeel worden slechts vage normen gesteld;
het verkrijgen van een uitkering of van een voordeel dan wel de verplichting om belasting of een heffing te betalen wordt bepaald door een groot aantal persoonlijke omstandigheden waarvan moet blijken uit door het uitvoeringsorgaan te verifiëren gegevens die de betrokkene verstrekt;
er worden voordelen of andere gevolgen verbonden aan bijzondere, niet strikt omschreven omstandigheden;
de besluitvorming omtrent het toekennen van uitkeringen of andere voordelen vindt plaats nadat andere organen dan de met de besluitvorming belaste instantie een extern advies hebben uitgebracht dat aan betrokkene bekend wordt gemaakt, maar waarvan de met de besluitvorming belaste instantie nog mag afwijken;
er worden gunstige besluiten met een voorlopig karakter genomen, die worden gevolgd door minder gunstige;
aan een orgaan dat bevoegd wordt verklaard tot het opleggen van bestuurlijke sancties, worden ruime grenzen gelaten om de aard en de omvang van de sancties te bepalen;
ontwikkelingen in vele uiteenlopende en betrekkelijk smalle sectoren van het maatschappelijk leven worden door middel van een financieel instrument overmatig gestuurd;
doelgroepen worden onduidelijk afgebakend.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel c.
Bij het opstellen van een regeling wordt tevens bezien welke neveneffecten op bestaande of voorgenomen regelgeving of beleidsvelden kunnen optreden en welke consequenties dit dient te hebben voor het voorstel.
Toelichting
De opsteller van een regeling draagt de verantwoordelijkheid om, waar nodig in overleg met andere betrokken actoren, zich een zo volledig mogelijk beeld te vormen over de feitelijke en juridische neveneffecten van die regeling en om te bezien tot welke consequenties die bevindingen aanleiding geven.
Ter beantwoording van de vraag welke regelingen geraakt worden door het voorstel wordt in ieder geval, door raadpleging van de wetstechnische informatie in het Basiswettenbestand op www.wetten.nl, bezien welke regelingen gebaseerd zijn op, of verwijzen naar de door het voorstel geraakte bepalingen. Ook moet gedacht worden aan Europese regelgeving, indien de geraakte regelingen ooit zijn gemaakt of aangewezen als implementatiemiddel daarvan. Verder wordt rekening gehouden met gelijktijdig in ontwikkeling zijnde voorstellen voor regelgeving.
Is er sprake van een beoogd neveneffect, dan is een (secundair) doel van het voorstel in het geding. Deze dient dan ook als zodanig te worden aangewezen. Bij onbedoelde neveneffecten moet worden bezien in hoeverre deze de aanvaardbaarheid van een regeling negatief beïnvloeden. Negatieve beïnvloeding kan aanleiding zijn van een regeling af te zien. Anderzijds dient slechts tot het tot stand brengen van een regeling te worden besloten indien zij geschikt lijkt de gekozen doelen te realiseren. Er is sprake van een onzuivere afweging indien positieve maar onbedoelde neveneffecten de doorslag zouden geven om een regeling in te voeren die niet adequaat lijkt voor het verwezenlijken van de gekozen doelen.
Welke de negatieve neveneffecten van een regeling zullen zijn, moet steeds in breed verband worden onderzocht. Aandacht verdient daarbij onder meer in hoeverre een maatregel van verstorende invloed zal zijn op het effect dat bestaande regelingen hebben. De werking van een regeling kan worden verstoord doordat een nieuwe regeling het voor de justitiabele minder aantrekkelijk of eenvoudig maakt aan eerstbedoelde regeling te voldoen. Voorts kan een nieuwe regeling naast reeds bestaande regelingen tot gevolg hebben dat een zodanige cumulatie van verplichtingen ontstaat dat de bereidheid tot naleving afneemt.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel b.
1 Bij de keuzes met betrekking tot vorm en inhoud van een regeling wordt gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor burgers, bedrijven en instellingen, alsmede voor de overheid zelf.
2 Tevens wordt rekening gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling.
3 Bij het ontwerpen van een regeling wordt mede rekening gehouden met de uitvoerbaarheid daarvan, in het bijzonder wat betreft de aanpassing of ontwikkeling van de voor de uitvoering vereiste ICT-systemen.
1 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een voorgenomen regeling mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
2 Waar nodig voorziet een regeling in voldoende mogelijkheden om het bestuursorgaan in staat te stellen een besluit met onevenredige hardheid in een concreet geval te voorkomen.
Bij het opstellen van een regeling wordt rekening gehouden met de overige relevante eisen en voorwaarden die deel uitmaken van het kabinetsbeleid inzake regelgeving.
Toelichting
De in de aanwijzingen 2.5 tot en met 2.11 neerlegde inhoudelijke kwaliteitseisen hebben een algemeen karakter en zijn daarom in beginsel bij iedere vorm van regelgeving relevant. Naast de in die aanwijzingen neergelegde eisen gelden ook nog eisen met een meer specifiek karakter, die slechts in bepaalde gevallen relevant zijn of enkel toepasselijk zijn binnen bepaalde maatschappelijke sectoren of beleidsvelden. Deze eisen zijn elders in de aanwijzingen neergelegd of zijn te vinden in het onderdeel verplichte kwaliteitseisen binnen het Beleidskompas, en maken daarmee deel uit van het geheel aan eisen waarop acht geslagen moet worden bij het opstellen van regelgeving.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel m.
Taken en bevoegdheden worden op decentraal niveau gelegd, tenzij het onderwerp van zorg niet op doelmatige en doeltreffende wijze door decentrale organen kan worden behartigd.
Toelichting
Territoriale decentralisatie. Als uitgangspunt geldt dat, indien taken op doelmatige en doeltreffende wijze kunnen worden verricht door besturen van provincies, gemeenten, waterschappen of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zij niet behoren te worden opgedragen aan het Rijk. Evenmin behoren taken die op doelmatige en doeltreffende wijze door besturen van gemeenten of waterschappen kunnen worden verricht, te worden opgedragen aan de besturen van provincies. Zie ook de aanwijzingen 5.23 en 5.24.
Algemeen of functioneel bestuur. Steeds zal een keuze gemaakt moeten worden tussen territoriale of functionele decentralisatie. Uitgangspunt is dat het zwaartepunt van de politieke en bestuurlijke activiteit berust bij organen van algemeen bestuur (Rijk, provincies, gemeenten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Functioneel bestuur kan onder omstandigheden een goede aanvulling bieden op het algemeen bestuur, bijvoorbeeld gezien de aard van de betrokken taak of de schaal waarop deze behartigd dient te worden. Zie inzake organen van functioneel bestuur (zelfstandige bestuursorganen) paragraaf 5.4 van deze aanwijzingen.
Beleidsvrijheid voor provincies en gemeenten. Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Provincies en gemeenten vormen als decentrale bestuurslagen van algemeen bestuur met een rechtstreekse democratische legitimatie, een open huishouding, regelgevende bevoegdheid en een eigen belastinggebied, samen met het Rijk de bestuurlijke hoofdstructuur van ons land. Binnen de bestuurlijke hoofdstructuur dient het zwaartepunt van de publieke taakuitoefening te liggen. Provincies en gemeenten zijn niet hiërarchisch ondergeschikt aan het Rijk, maar voeren hun taken zelfstandig uit binnen de kaders van de wet en de Grondwet. Zij hebben autonome bevoegdheden, maar kunnen ook bij wet worden verplicht bepaalde taken uit te voeren (medebewind). De Gemeentewet (artikel 116, eerste lid) en de Provinciewet (artikel 114, eerste lid) dragen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op om beleidsvrijheid te bevorderen. Dankzij beleidsvrijheid kunnen deze decentrale overheden democratisch gelegitimeerd en rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden komen tot een goede afweging om beleid doelmatig en doeltreffend in te vullen.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel h.
1 Bij de toekenning van bestuursbevoegdheden wordt de uitoefening daarvan zoveel mogelijk genormeerd.
2 Met het oog hierop worden discretionaire bevoegdheden en bevoegdheden met vage toepassingscriteria niet toegekend, tenzij daarvoor goede gronden zijn.
Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht welke hogere regels de vrijheid van regeling ten aanzien van het betrokken onderwerp hebben ingeperkt.
Toelichting
Bij hogere regels kan het gaan om internationale regelingen of bindende EU-rechtshandelingen, het Statuut, grondwettelijke voorschriften, rechtsbeginselen en – bij regelingen die worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling – regels die zijn neergelegd in een wet in formele zin. Wat de internationale regels betreft valt in het bijzonder te denken aan het EVRM, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het IVBPR. Wat EU-regelgeving en andere regelgeving betreft valt, behalve aan richtlijnen, verordeningen en besluiten, te denken aan algemene leerstukken als het burgerschap van de Europese Unie, het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, gegevensbescherming en de Europese mededingingsregels. Op het terrein van diensten kan in het bijzonder gedacht worden aan de Dienstenrichtlijn: Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. Zie ook de aanwijzingen 5.29 en 5.30. Voor wat betreft de gegevensbescherming wordt gewezen op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Zie ook de aanwijzingen 5.33 en 5.34.
Ten aanzien van regelgeving die de toegang of uitoefening van gereglementeerde beroepen beperkt wordt gewezen op richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen. Deze richtlijnen stellen naast inhoudelijke eisen aan de regeling, ook procedurele eisen aan de wijze van totstandkoming van de regelgeving die de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep beperkt. Zo wordt een voorafgaande evenredigheidsbeoordeling conform het voorgeschreven kader in die richtlijn geëist, en dienen betrokken partijen de gelegenheid te krijgen hun standpunt over het ontwerp kenbaar te maken, bijvoorbeeld door internetconsultatie open te stellen.
Indien een initiatiefvoorstel of amendement een beperking omvat van de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep, en het betrokken lid van de Tweede Kamer de evenredigheid van die beperking niet zelf heeft beoordeeld, verricht de verantwoordelijke bewindspersoon deze beoordeling tijdens de parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel of amendement. Deze bewindspersoon deelt de resultaten daarvan tijdig mee aan de Tweede Kamer. Zie voor nadere details de Handleiding gereglementeerde beroepen, te raadplegen op www.kcbr.nl.
Wat betreft artikel 1 van de Grondwet wordt erop gewezen dat de in dat artikel opgenomen zinsnede ‘op welke grond dan ook’ uitdrukt dat ook ongerechtvaardigd onderscheid op andere gronden dan de in het artikel expliciet genoemde – bijvoorbeeld leeftijd of handicap – verboden is. Voor de onderscheidingsgrond ‘leeftijd’ geldt bovendien dat ook de hoogte van de leeftijdsgrens geen ongerechtvaardigd onderscheid tot gevolg mag hebben.
Van de rechtsbeginselen kunnen met name worden genoemd het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Wat de regels aangaat die zijn neergelegd in een wet, dient niet alleen te worden gelet op de wet waarop de betrokken algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling berust, maar ook op andere wetten.
Zie ook onderdeel 3.2.1 (Aansluiting op Grondwet en hoger recht) van het Beleidskompas. Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling aanwijzing 4.43, onderdeel g.
Bij het opstellen van een regeling wordt onderzocht of de regeling moet gelden voor het gehele grondgebied van Nederland, of uitsluitend voor het Europese deel van Nederland, dan wel uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Toelichting
Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben op grond van artikel 2 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een eigen rechtsstelsel, dat grotendeels bestaat uit overgenomen Nederlands-Antilliaanse regelgeving of specifiek voor die eilanden tot stand gebrachte regelgeving. Slechts een beperkt aantal regelingen is zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing. Een ander belangrijk verschil met het Europese deel van Nederland is dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten opzichte van de Europese Unie de status hebben van landen en gebieden overzee (LGO), waardoor EU-regelgeving in beginsel niet voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt. Dit betekent dat Bonaire, Sint Eustatius en Saba vanuit Europeesrechtelijk perspectief doorgaans als ‘derde landen’ zullen moeten worden aangemerkt, en dat met ‘lidstaat’ uitsluitend het Europese deel van Nederland wordt bedoeld.
Bij de afweging of een nieuwe regeling mede voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba moet gelden, wordt – behalve met de LGO-status van de eilanden – rekening gehouden met enerzijds de wens zoveel mogelijk rechtseenheid tot stand te brengen en anderzijds de in artikel 132a, vierde lid, van de Grondwet genoemde bijzondere omstandigheden waardoor Bonaire, Sint Eustatius en Saba zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland (zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 131, nr. 3, p. 4–5). Deze bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om een regeling uitsluitend voor het Europese deel van Nederland te laten gelden of een specifieke regeling voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot stand te brengen. Vanwege de onderlinge verschillen tussen de eilanden is het in bijzondere gevallen ook denkbaar dat een specifieke regeling voor een bepaald eiland wordt getroffen.
Zie ook de aanwijzingen 4.43, onderdeel i, en 5.4.
Als algemeen verbindend voorschrift, vastgesteld vanwege het Rijk, wordt beschouwd een naar buiten werkende algemene regel, vastgesteld bij of krachtens wet dan wel, in bijzondere gevallen, bij of krachtens zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Toelichting
De in deze aanwijzing opgenomen omschrijving van het begrip algemeen verbindend voorschrift is gebaseerd op de huidige stand van de jurisprudentie.
Naast algemeen verbindende voorschriften behoren interne regels en beleidsregels tot de algemene regels, vastgesteld vanwege het Rijk. Bij interne regels ontbreekt het element ‘naar buiten werkende’ van algemeen verbindende voorschriften. Voorbeelden van interne regels zijn het reglement van orde voor de ministerraad, de Aanwijzingen voor de regelgeving en de Gedragscode Integriteit Rijk 2016. Zie voor de omschrijving van het begrip ‘beleidsregel’ artikel 1:3, vierde lid, Awb.
Zie met betrekking tot de zelfstandige algemene maatregel van bestuur aanwijzing 2.22.
Consequentie van deze aanwijzing is ook dat algemeen verbindende voorschriften zonder delegatie door een wet of een algemene maatregel van bestuur niet kunnen worden vastgesteld bij ministeriële regeling.
Algemeen verbindende voorschriften hoeven niet van het Rijk afkomstig te zijn. Zij kunnen ook zijn neergelegd in bindende EU-rechtshandelingen en besluiten van decentrale overheden en openbare lichamen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet.
Algemeen verbindende voorschriften worden vanwege het Rijk niet op andere wijze vastgesteld dan bij
wet;
algemene maatregel van bestuur;
ministeriële regeling; of
regeling van een zelfstandig bestuursorgaan met inachtneming van aanwijzing 5.10.
Toelichting
Uit deze aanwijzing vloeit voort dat algemeen verbindende voorschriften vanwege de regering moeten worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Zij mogen derhalve niet worden vastgesteld bij zogenaamd klein koninklijk besluit, dat wil zeggen een koninklijk besluit dat niet voldoet aan de bijzondere vereisten voor een algemene maatregel van bestuur, te weten dat het besluit is behandeld in de ministerraad, dat de Afdeling advisering van de Raad van State erover is gehoord en dat het is gepubliceerd in het Staatsblad.
De vorm van een klein koninklijk besluit kan wel gebruikt worden voor regelgeving van interne aard. Een voorbeeld hiervan is het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499).
Deze aanwijzing houdt ook in dat de bevoegdheid tot vaststelling van algemeen verbindende voorschriften niet mag worden toegekend aan een ambtelijke functionaris die geen zelfstandig bestuursorgaan is. Aan zo'n functionaris kan wel de bevoegdheid worden toegekend regels te geven omtrent het functioneren van zijn eigen organisatie.
Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.
Toelichting
Betrokkenheid parlement. Het primaat van de wetgever dient niet aldus te worden verstaan dat het parlement bij alle onderdelen van een regeling rechtstreeks moet worden betrokken. Lang niet alle onderdelen van een regeling zijn van die betekenis dat directe parlementaire invloed op de vaststelling daarvan in de rede ligt. De mogelijkheid die het parlement heeft het regeringsbeleid achteraf te controleren, is dan voldoende.
Gelet op het vorenstaande dient voor de keuze welke elementen van een regeling in de wet moeten worden geregeld en ter zake van welke elementen delegatie toelaatbaar is, steeds te worden onderzocht welke elementen van een regeling zo gewichtig zijn dat de volksvertegenwoordiging rechtstreeks bij de vaststelling moet worden betrokken. Aldus moeten ten minste de hoofdelementen van een regeling in de wet worden opgenomen.
Hoofdelementen van de regeling. Hoofdelementen zijn in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen van de regeling. Veelal zullen daartoe ook de voornaamste duurzame normen behoren. Het kan echter uit een oogpunt van toegankelijke regelgeving beter zijn om in de wet over een bepaald onderwerp geen materiële normen op te nemen, maar aan de lagere wetgever over te laten een integrale materiële regeling tot stand te brengen.
De aanwijzing ziet niet op rechtspositionele regelingen ten aanzien van overheidspersoneel, aangezien deze in belangrijke mate een intern karakter hebben.
Zie met betrekking tot de toelichting bij de regeling ook aanwijzing 4.43, onderdeel h.
1 In ieder geval worden in de wet opgenomen voorschriften ten aanzien van onderwerpen waarvoor de Grondwet een regeling bij wet eist en geen delegatie toelaat.
2 Een in de Grondwet neergelegd verbod tot delegatie houdt in dat: a. alle wezenlijke bepalingen ten aanzien van het betrokken onderwerp in de wet worden vastgelegd; en b. in de wet niet wordt volstaan met het toekennen van algemene bestuursbevoegdheden waarvan de invulling geheel of grotendeels aan bestuursorganen wordt overgelaten.
Zoveel mogelijk worden in de wet opgenomen voorschriften
die de grondslag vormen voor een stelsel van vergunningen of een stelsel waarbij anderszins de toelaatbaarheid van handelingen afhankelijk wordt gesteld van toestemming van de overheid;
die andere overheden in medebewind roepen;
waarbij bestuursorganen in het leven worden geroepen;
betreffende rechtsbescherming;
inzake sancties van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke aard;
waarbij toezichts- of opsporingsbevoegdheden worden toegekend;
omtrent rechten en verplichtingen van burgers jegens elkaar;
die beogen aan de burger procedurele waarborgen te bieden ten aanzien van het gebruik van bevoegdheden door de overheid.
Toelichting
Deze aanwijzing somt een aantal categorieën van voorschriften op ten aanzien waarvan niet reeds uit de Grondwet voortvloeit dat zij bij wet moeten worden vastgesteld maar vaststelling bij wet niettemin, gelet op het primaat van de wetgever, wenselijk is. Het gaat om een opsomming met een enuntiatief karakter.
Onderdeel a: vergunningenstelsels. Dit onderdeel laat de mogelijkheid open dat een vergunningenstelsel niet in de wet zelf in het leven wordt geroepen, maar dat in de wet wordt volstaan met het uitdrukkelijk opnemen van de mogelijkheid dat bij algemene maatregel van bestuur voor nader omschreven gedragingen een vergunningplicht wordt ingesteld.
Onderdeel a geldt ook indien vergunningen niet met die term worden aangeduid maar met een andere benaming zoals erkenning. Het voorschrift heeft echter geen betrekking op gevallen waarin op basis van bijzondere omstandigheden ontheffing kan worden verleend van een verbod of gebod.
Onderdeel c: bestuursorganen. Zie voor zelfstandige bestuursorganen paragraaf 5.4.
Onderdeel h: procedurele waarborgen voor burgers. Onderdeel h heeft betrekking op procedurele waarborgen die aan de burger worden geboden met betrekking tot het handelen van de overheid. Dit onderdeel ziet niet op voorschriften van administratieve aard die ertoe strekken een ordelijk en vlot verloop van het contact tussen burger en overheid en het functioneren van het overheidsapparaat te vergemakkelijken. Procedurele waarborgen zijn bijvoorbeeld voorschriften die het horen van belanghebbenden alvorens te beslissen voorschrijven, recht op inzage van bepaalde stukken bieden, de verplichting scheppen tot vaststellen en bekendmaken van beleidsvoornemens of de plicht opleggen bepaalde instanties om advies te vragen. Voorschriften van administratieve aard zijn bijvoorbeeld voorschriften omtrent modellen of formulieren, het verplichten tot het meezenden van bepaalde bescheiden of de wijze van indienen van stukken.
Zie voor voorschriften omtrent financiële aanspraken jegens de overheid titel 4.2 Awb (Subsidies).
Voor het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften wordt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet gebruikt, behoudens in uitzonderlijke situaties bij wijze van tijdelijke voorziening.
Toelichting
Toepassingsmogelijkheden. Een zelfstandige algemene maatregel van bestuur berust niet op een wet. Naar huidige rechtsopvatting is er slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte voor een dergelijk type regeling. Gezien het uitzonderlijk karakter moet in de toelichting bij een zelfstandige algemene maatregel van bestuur het gebruik daarvan worden gemotiveerd. In de aanhef van een zelfstandige algemene maatregel van bestuur wordt dan verwezen naar artikel 89, eerste lid, van de Grondwet.
Grondwettelijke beperkingen. Allereerst perkt de Grondwet de ruimte voor zelfstandige algemene maatregelen van bestuur sterk in. Artikel 89, tweede lid, van de Grondwet verzet zich tegen het opnemen van door straffen te handhaven voorschriften in een dergelijke algemene maatregel van bestuur. Onderwerpen ten aanzien waarvan de Grondwet voorschrijft dat de wet deze regelt of dat bepalingen daarover bij of krachtens de wet worden vastgesteld, lenen zich evenmin voor regeling bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur.
Beperkingen vanwege het primaat van de wetgever. Ook in de gevallen waarin de Grondwet het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet uitsluit, is die weg ongewenst aangezien daarmee geen recht wordt gedaan aan het primaat van de wetgever (zie aanwijzing 2.19). Bepalingen die de aan de betrokkenen toekomende rechten en vrijheden inperken, kunnen naar huidige rechtsopvatting niet bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Dit geldt steeds voor het stellen van voorschriften die door middel van bestuursdwang worden gehandhaafd. In andere gevallen, zoals algemeen verbindende voorschriften die financiële aanspraken regelen, kan in uitzonderlijke situaties zo nodig een zelfstandige algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld, doch ook dan nog slechts voor het treffen van een tijdelijke voorziening.
Zie ook paragraaf 5.16 (Tijdelijke regelingen).
Beperkingen ingevolge afzonderlijke wetten. De Financiële-verhoudingswet (artikel 17) en de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (artikel 92) bevatten bijzondere bepalingen inzake de geoorloofdheid om bij zelfstandige algemene maatregel van bestuur regels te stellen inzake specifieke uitkeringen voor provincies of gemeenten en inzake bijzondere uitkeringen voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Algemene maatregelen van rijksbestuur. Het Statuut voor het Koninkrijk geeft voor het gebruik van de zelfstandige maatregel van rijksbestuur specifieke ruimere mogelijkheden (zie de artikelen 14 en 38 van het Statuut).
Delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk begrensd.
Toelichting
Voor de begrenzing van gedelegeerde regelgevende bevoegdheid kan worden gedacht aan het concretiseren van de omstandigheden waarin van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, van de te regelen onderwerpen en van de doeleinden waartoe zij mag worden gebruikt.
1 Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.
2 Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.
Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister geschiedt, indien mogelijk, rechtstreeks in de wet.
Toelichting
Indien bij het formuleren van een wet reeds vaststaat dat bepaalde voorschriften bij ministeriële regeling moeten worden gegeven, dient, indien dit wetgevingstechnisch niet tot problemen leidt, het stellen van die regels in de wet rechtstreeks aan de betrokken minister te worden gedelegeerd. Er wordt dan niet gekozen voor delegatie aan de regering, die op haar beurt dan weer aan de minister delegeert. Daarvoor is bijvoorbeeld reden als ten tijde van het formuleren van de wet wel voorzienbaar is dat er onderwerpen zullen zijn die voor opneming in een ministeriële regeling in aanmerking komen (volgens de criteria van aanwijzing 2.24), maar nog onvoldoende duidelijk is in welke mate de meer wezenlijke aspecten van die onderwerpen in een algemene maatregel van bestuur een plaats behoren te krijgen.
1 Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de regering wordt de formulering ‘bij algemene maatregel van [rijks]bestuur’ gebruikt.
2 Om subdelegatie door de regering mogelijk te maken wordt de formulering ‘bij of krachtens algemene maatregel van [rijks]bestuur’ gebruikt.
Ten aanzien van de voordracht en ondertekening van een algemene maatregel van bestuur worden in de delegerende wet geen voorschriften gegeven. Indien wenselijk kunnen afspraken daarover worden vermeld in de toelichting.
Toelichting
In het algemeen blijkt uit de te regelen materie welke bewindspersoon of bewindspersonen een algemene maatregel van bestuur moeten ondertekenen. De bewindspersoon of bewindspersonen die een algemene maatregel van bestuur ondertekenen, moeten er voor zorgen dat andere bewindspersonen aan wier werkterrein de regeling raakt, bij de voorbereiding daarvan worden betrokken, los van de vraag of de algemene maatregel van bestuur het beleid van die andere bewindspersonen ondersteunt of niet. Die afstemming is voor algemene maatregelen van bestuur uiteindelijk gewaarborgd door de behandeling van de ontwerpen daarvan in de ministerraad.
Het is niet nodig, en daarom ook ongewenst, wettelijk te regelen dat een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur gedaan wordt in overeenstemming met of mede namens een of meer andere ministers, dan wel door twee of meer ministers. Ook indien de wet een voordracht door twee of meer ministers voorschrijft, verdient een voordracht ‘mede namens’ overigens de voorkeur (zie aanwijzing 4.7). Bij het ontwerpen van de delegerende wet kunnen over een eventuele gezamenlijke voordracht afspraken worden gemaakt, die worden vermeld in de toelichting.
1 Voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt de formulering ‘bij ministeriële regeling’ of ‘bij regeling van Onze Minister’ gebruikt.
2 Indien uit de delegerende regeling niet reeds voortvloeit welke minister bevoegd is, of indien een afwijkende bevoegdheidstoedeling is beoogd, wordt de formulering ‘bij regeling van Onze Minister van/voor ...’ gebruikt.
3 Indien het wenselijk is te bepalen dat een ministeriële regeling onder verantwoordelijkheid van meer dan een bewindspersoon wordt vastgesteld, wordt daarvoor de formulering ‘bij regeling van Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’ gebruikt, tenzij ‘Onze Minister’ in de delegerende regeling reeds is gedefinieerd als: ‘Onze Minister van/voor..., handelende in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...’.
Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt over ‘regels stellen’ gesproken, indien in de delegerende regeling over het betrokken onderwerp nog niets is geregeld. In andere gevallen wordt over ‘nadere regels stellen’ gesproken.
In een regeling wordt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet voorzien in mandaatverlening van regelgevende bevoegdheid.
Toelichting
De figuur van mandaat tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan bijvoorbeeld een secretaris-generaal of directeur-generaal is over het algemeen onwenselijk en onnodig. Het is van belang dat de politiek verantwoordelijke bewindspersoon zelf de regeling vaststelt. Zie ook artikel 10:3, tweede lid, Awb.
Zie voor voorbeelden van mandaatverlening in bijzondere omstandigheden: artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 5.2 van de Wet dieren.
1 In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat daarvan bij lagere regeling wordt afgeweken.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het wenselijk is in de hogere regeling de mogelijkheid te creëren voor: a. afwijkende regelingen die bij wijze van experiment worden ingevoerd; b. afwijkende regelingen ten behoeve van noodsituaties.
1 In een hogere regeling wordt niet toegestaan dat deze bij lagere regeling wordt gewijzigd.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het volgens vaste systematiek aanpassen van bedragen, tarieven en percentages; b. wetstechnische aanpassingen van verwijzingen naar bindende EU-rechtshandelingen en verdragen of onderdelen daarvan.
3 In een delegatiebepaling waarin wijziging van een hogere regeling door een lagere regeling mogelijk wordt gemaakt, wordt, evenals in de lagere regeling, uitsluitend de term ‘wijzigen’ of ‘vervangen’ gebruikt.
1 Een algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de wet waarop deze is gebaseerd, is vastgesteld.
2 In uitzonderlijke situaties kan een algemene maatregel van bestuur reeds worden vastgesteld nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt door de Tweede Kamer is aanvaard.
3 Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt het in aanwijzing 4.22, onder E, bedoelde model gebruikt.
4 Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een ministeriële regeling.
Indien een regeling voorziet in de verplichting of de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsregelingen, wordt ter uitvoering van de hogere regeling zo mogelijk één algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling vastgesteld.
Arbeidsomstandighedenwet, Arbeidsomstandighedenbesluit en Arbeidsomstandighedenregeling
Binnenvaartwet, Binnenvaartbesluit en Binnenvaartregeling.
In de wet wordt geen formele betrokkenheid van het parlement bij gedelegeerde regelgeving geregeld tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan.
Toelichting
Terughoudendheid met parlementaire betrokkenheid. Het is wenselijk dat bij de verdeling van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau duidelijke keuzes worden gemaakt waarbij ofwel een onderwerp in de wet wordt geregeld, ofwel het geven van voorschriften daaromtrent wordt gedelegeerd aan een lagere regelgever. Bij voorkeur moet worden vermeden dat de vaststelling van bepaalde voorschriften aan een lagere regelgever wordt gedelegeerd en tegelijkertijd wordt vastgelegd dat het parlement bij deze regelgeving moet worden betrokken. In een enkel geval valt aan gedelegeerde regelgeving met parlementaire betrokkenheid echter niet te ontkomen. Zie de toelichting bij aanwijzing 4.19 voor de afstemming tussen de inwerkingtreding van een voorhangbepaling en een met inachtneming daarvan tot stand te brengen gedelegeerde regeling.
Vormen van parlementaire betrokkenheid. Er zijn vier vormen van parlementaire betrokkenheid te onderscheiden, te weten: gecontroleerde delegatie (aanwijzing 2.36), voorwaardelijke delegatie (aanwijzing 2.37), tijdelijke delegatie (aanwijzing 2.39) en delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet (aanwijzing 2.40), elk met een andere mate van betrokkenheid van het parlement.
In het algemeen wordt parlementaire betrokkenheid geregeld met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het is echter ook denkbaar dat in een dergelijke betrokkenheid wordt voorzien ten aanzien van bij ministeriële regeling te stellen voorschriften. Gelet op de aard van dergelijke regels (zie aanwijzing 2.24) ligt een dergelijke betrokkenheid bij gecontroleerde en voorwaardelijke delegatie echter weinig voor de hand. Anders ligt dit evenwel bij tijdelijke delegatie en delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet.
Indien ten aanzien van bij ministeriële regeling te stellen voorschriften is voorzien in gecontroleerde of voorwaardelijke delegatie, zijn de aanwijzingen 2.36, 2.37 en 2.38 van overeenkomstige toepassing. Hetzelfde geldt in het bijzondere geval dat ten aanzien van een inwerkingtredingsbesluit is voorzien in parlementaire betrokkenheid.
1 Gecontroleerde delegatie wordt slechts toegepast ingeval een materie regeling bij wet rechtvaardigt maar zich daarvoor toch niet goed leent vanwege haar sterk technische karakter, de noodzaak van snelle wijzigingen of de grote omvang van de te stellen regels.
2 Voor gecontroleerde delegatie wordt het volgende model gebruikt: De voordracht voor een krachtens artikel [...] vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1 Met toepassing van voorwaardelijke delegatie wordt grote terughoudendheid betracht. Zij wordt slechts toegepast indien in het algemeen voor de regeling van een materie kan worden volstaan met een lagere regeling, maar het wenselijk is de mogelijkheid open te houden dat in bepaalde gevallen voor de totstandkoming de wetsprocedure wordt gevolgd.
2 Voor voorwaardelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt: Een krachtens artikel [...] vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat [het onderwerp / de inwerkingtreding] van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
1 Voor een mededeling of overlegging aan beide Kamers van de Staten-Generaal als bedoeld in de aanwijzingen 2.36 en 2.37 wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste drievierde deel van de in die aanwijzingen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
2 Indien het eerste lid niet in acht genomen kan worden, wordt dit bij de mededeling of overlegging uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
3 Indien bij een mededeling of overlegging als bedoeld in aanwijzing 2.36 het eerste lid niet in acht kan worden genomen, wordt zo mogelijk een na het reces liggende datum genoemd vóór welke de Kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken.
4 Indien een verlenging als bedoeld in het derde lid naar het oordeel van de betrokken minister niet mogelijk is, wordt dat uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
1 Tijdelijke delegatie blijft beperkt tot gevallen waarin te stellen voorschriften gelet op hun betekenis bij wet moeten worden vastgesteld maar de totstandkoming van een wet niet kan worden afgewacht.
2 Voor tijdelijke delegatie wordt het volgende model gebruikt: Na de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
1 Delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet blijft beperkt tot gevallen waarin tijdelijke delegatie aanvaardbaar is en het gaat om regelingen die de Tweede Kamer in beginsel slechts kan goedkeuren of weigeren goed te keuren.
2 Voor delegatie onder het vereiste van goedkeuring bij wet wordt het volgende model gebruikt: Na het tot stand komen van een krachtens artikel [...] vastgestelde [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] wordt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt de [algemene maatregel van bestuur / ministeriële regeling] onverwijld ingetrokken.
1 Indien het gewenst is de mogelijkheid te bieden dat in een lagere regeling bij wijze van experiment van een hogere regeling wordt afgeweken, wordt in die hogere regeling bepaald: a. wat het oogmerk is van het experiment; b. wat het bereik is van de experimenteerregeling; c. van welke onderdelen van de hogere regeling kan worden afgeweken; en d. wat de maximale geldingsduur is van de afwijking.
2 Van een wet in formele zin wordt slechts afgeweken bij algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden voorzien in subdelegatie.
3 In de experimenteerregeling wordt vermeld van welke onderdelen van de hogere regeling wordt afgeweken.
1 In de toelichting bij een experimenteerregeling wordt aangegeven hoe evaluatie van de regeling plaatsvindt.
2 Indien een experimenteerregeling een evaluatiebepaling bevat wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: Onze Minister [van/voor ...] zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] negen maanden voor het einde van de werkingsduur van [een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel .../ dit besluit] aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van [die maatregel / dit besluit] anders dan als experiment.
In een wettelijk voorschrift op grond waarvan een beleidsregel wordt vastgesteld en in het opschrift en de citeertitel van de beleidsregel, wordt het woord ‘beleidsregel’ uitdrukkelijk gebruikt.
Toelichting
In de bestaande wetgevingstraditie wordt met het toekennen van een regelgevende bevoegdheid in het algemeen de bevoegdheid tot het stellen van algemeen verbindende voorschriften bedoeld, tenzij duidelijk blijkt van een andere bedoeling van de wetgever. Die andere bedoeling wordt tot uitdrukking gebracht door in de wettekst uitdrukkelijk het woord beleidsregel te gebruiken. Voorbeeld: [aanduiding bestuursorgaan] kan beleidsregels vaststellen over (...).
Ook indien de bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels niet uit een wettelijk voorschrift voortvloeit (zie artikel 4:81, eerste lid, Awb) dient in de beleidsregel duidelijk te blijken dat sprake is een beleidsregel. Dit geschiedt onder meer door gebruik van deze term in het opschrift en de citeertitel van de regeling. Zie de aanwijzingen 3.37, 4.2 en 4.25.
Voorbeeld
Beleidsregel aanvragen kansspelvergunningen.
Bij de vaststelling van een beleidsregel krachtens mandaat geschiedt deze vaststelling ten minste op het niveau van directeur-generaal of een daarmee vergelijkbare functionaris.
1 In gevallen waarin soortgelijke onderwerpen worden geregeld, wordt gestreefd naar harmonisatie van regelgeving.
2 Bij wijziging van een regeling wordt nagegaan welke wijzigingen uit een oogpunt van harmonisatie kunnen worden meegenomen.
1 In bijzondere wetten wordt alleen afgeweken van algemene wetten, indien dit noodzakelijk is. De afwijking wordt in de bijzondere wet opgenomen en als zodanig benoemd, tenzij uit de algemene wet volgt dat de afwijking in de algemene wet moet worden opgenomen. Een afwijking wordt in de memorie van toelichting bij de bijzondere wet gemotiveerd.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aanvullingen in bijzondere wetten op een regeling in een algemene wet die uitputtend is bedoeld.
1 De termen bestuursorgaan, belanghebbende, besluit, beschikking, aanvraag, beleidsregel, bestuursrechter, bezwaar, administratief beroep, beroep, subsidie, subsidieplafond, dwangbevel, overtreder, toezichthouder, last onder bestuursdwang, last onder dwangsom, bestuurlijke boete, mandaat en delegatie worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
2 De termen adviseur, overtreding, bestuurlijke sanctie, herstelsanctie, bestraffende sanctie en goedkeuring worden in bestuursrechtelijke regelingen die gelden in het Europese deel van Nederland, zoveel mogelijk gebruikt in de betekenis die daaraan is gegeven in de Algemene wet bestuursrecht.
3 In bestuursrechtelijke regelingen die gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt aangesloten bij de terminologie van de Wet administratieve rechtspraak BES.
1 Voor de kennisgeving van een besluit aan de daarbij betrokkenen waardoor het besluit zijn werking als rechtshandeling kan verkrijgen, wordt de term bekendmaking gebruikt.
2 In de overige gevallen wordt de term mededeling gebruikt.
Bepalingen worden beknopt geformuleerd.
Toelichting
Indien bij het ontwerpen van een bepaling een sluitende, maar ingewikkelde formulering is gevonden, dient steeds te worden nagegaan of het niet eenvoudiger kan. Ook dient men bedacht te zijn op het weglaten van overbodige woorden. Dus bijvoorbeeld niet ‘Het bepaalde in het tweede lid van artikel 5 is van toepassing’, maar ‘Artikel 5, tweede lid, is van toepassing’.
Voorschriften worden niet met behulp van de werkwoorden ‘moeten’ of ‘dienen’ geformuleerd, tenzij dit onvermijdelijk is.
Toelichting
Dus bijvoorbeeld niet: ‘Het verzoekschrift dient te worden gemotiveerd’, maar: ‘Het verzoekschrift wordt gemotiveerd’. Deze aanwijzing heeft alleen betrekking op de formulering van voorschriften in de regeling zelf. Tegen gebruik van de woorden ‘moeten’ of ‘dienen’ in de toelichting bij een regeling bestaat geen bezwaar.
1 Het normale spraakgebruik wordt zoveel mogelijk gevolgd.
2 Woorden waarvan de betekenis te weinig bepaald of onduidelijk is, worden niet gebruikt.
Voor de terminologie van een uitvoeringsregeling wordt aangesloten bij die van de regeling waarop zij is gebaseerd.
Toelichting
Dit geldt ook voor de structuur van uitvoeringsregelingen: zie aanwijzing 3.63. Zie tevens de aanwijzingen 2.34, 3.63 en 5.3.
1 Voor de terminologie in nationale regelingen wordt in beginsel aangesloten bij die van verwante bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen.
2 Van het eerste lid kan worden afgeweken indien: a. de terminologie van de bindende EU-rechtshandelingen en internationale regelingen niet voldoende is gepreciseerd; b. daardoor beter wordt aangesloten bij elders in nationale regelingen gehanteerde terminologie; of c. dit beter Nederlands oplevert.
De Woordenlijst Nederlandse Taal wordt gevolgd, tenzij woorden die uit vreemde talen afkomstig zijn of van vreemde talen zijn afgeleid, de bedoeling duidelijker weergeven dan Nederlandse woorden en in het spraakgebruik ingang hebben gevonden.
1 Hetzelfde begrip wordt niet met verschillende termen aangeduid.
2 Dezelfde term wordt niet voor verschillende begrippen gebruikt.
1 Indien mogelijk worden persoonsaanduidingen gebruikt die sekseneutraal zijn.
2 Combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen worden niet gebruikt.
Afkortingen worden alleen gebruikt indien dit redelijkerwijs niet te vermijden is. Bij gebruik ervan worden zij in de begripsbepalingen opgenomen.
Toelichting
Zie voor de aanduiding van valuta en meeteenheden de aanwijzingen 3.21 en 3.22, voor de vermelding van vindplaatsen de aanwijzingen 3.42 tot en met 3.46, voor het gebruik van afkortingen in een citeertitel aanwijzing 4.25, eerste lid, en voor de verkorte aanhaling van regelingen of verdragen in toelichtingen de aanwijzingen 3.34, 3.39, 4.24, derde lid, en 4.50. Ook in opschriften van artikelen (zie aanwijzing 3.57) mogen afkortingen worden gebruikt, indien dat nodig is om het opschrift beknopt te houden.
1 Formulering van een regel in de vorm van een fictie wordt vermeden.
2 Voor een weerlegbaar rechtsvermoeden wordt de formulering ‘wordt/worden vermoed’ gebruikt.
1 In plaats van ‘indien en voor zover’ wordt de uitdrukking ‘voor zover’ gebruikt.
2 De uitdrukking ‘voor zover’ wordt in een wettelijk voorschrift slechts gebruikt in de betekenis van ‘in de mate dat’.
Het gebruik van de uitdrukking ‘en/of’ blijft achterwege.
Toelichting
Indien in een opsomming van gevallen ‘of’ wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Zie ook aanwijzing 3.60. Om tot uitdrukking te brengen dat twee of meer genoemde gevallen zich niet gelijktijdig kunnen voordoen kan gebruikgemaakt worden van woorden als ‘hetzij’ of ‘dan wel’.
Zinnen of zinsneden worden niet tussen haakjes geplaatst.
Toelichting
Plaatsing van zinnen of zinsneden tussen haakjes leidt tot onduidelijkheden in de regelgeving. Wel kan dit aanvaardbaar zijn, als het een enkel woord betreft. Zie bijvoorbeeld artikel 70 van de Grondwet. Zie ook aanwijzing 3.30 voor het in een wijzigingsregeling aanhalen van zinsneden met gebruikmaking van haakjes.
Het einde van een periode of reeks wordt aangeduid met de uitdrukking ‘tot en met’.
Toelichting
Het gebruik van een streepje of het woord tot’ kan tot misverstand aanleiding geven. Zie ook aanwijzing 5.63, tweede lid.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing.
Aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
1 De uitdrukking ‘onderscheidenlijk’ wordt gebruikt overeenkomstig het volgende voorbeeld: Indien het betreft de verkiezing van de leden van provinciale staten of de gemeenteraad, geschiedt de kennisgeving op de in de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, gebruikelijke wijze.
2 Het gebruik van de uitdrukking ‘c.q.’ blijft achterwege.
Een ontwerp voor een formele wet wordt vanaf de voordracht aan de Koning in officiële stukken aangeduid als ‘voorstel van wet’. Bij rijkswetgeving wordt gesproken van ‘voorstel van rijkswet’.
Toelichting
Deze grondwettelijke aanduiding wordt in ieder geval gebruikt in de voordracht aan de Koning (de brief aan de Koning ter aanhangigmaking van een wetsvoorstel bij de Afdeling advisering van de Raad van State), de aanhef en het slot van het nader rapport, de brief waarbij een vervolgstuk aan de Tweede of de Eerste Kamer wordt gezonden en wetsartikelen waarin naar een wetsvoorstel wordt verwezen. Voor het overige kan de term ‘wetsvoorstel’ of ‘wetsontwerp’ worden gebruikt. Dit geldt ook in het stadium voorafgaand aan de voordracht aan de Koning.
Voor het aanduiden van door de regering vast te stellen of vastgestelde besluiten wordt de term ‘algemene maatregel van [rijks]bestuur’ of ‘koninklijk besluit’ gebruikt.
Toelichting
Zie ook aanwijzing 2.26. In het opschrift wordt ‘koninklijk’ voor ‘besluit’ weggelaten. Zie de aanwijzingen 4.2, 4.21, 4.22 en 4.31, tweede en derde lid. De term ‘Wij’ of ‘Ons’ is verouderd en wordt, behalve in de aanhef van een wet of algemene maatregel van bestuur, niet meer gebruikt.
Een door een minister of staatssecretaris vastgesteld algemeen verbindend voorschrift of ander besluit van regelende aard wordt aangeduid als ‘ministeriële regeling’.
Toelichting
In het opschrift wordt ‘ministeriële’ voor ‘regeling’ weggelaten. Zie de aanwijzingen 4.2 en 4.31, vierde lid. De aanduiding ‘ministeriële regeling’ wordt ook gebruikt voor door een minister of staatssecretaris in het kader van rijkswetgeving vastgestelde algemeen verbindende voorschriften. Zie ook aanwijzing 3.25.
Besluiten van algemene strekking die niet (primair) van regelende aard zijn, zoals besluiten tot instelling van een commissie, plegen als ‘besluit’ te worden aangeduid. De term ‘beschikking’ wordt alleen gebruikt voor besluiten inzake een concreet geval. Zie ook artikel 1:3 Awb.
1 Het geheel van dienstonderdelen onder leiding van een minister wordt aangeduid als ‘ministerie’.
2 Als bijvoeglijke aanduiding voor ministerie wordt de term ‘departementaal’ gebruikt.
1 Bij de aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland worden de woorden ‘het Europese deel van Nederland’ gebruikt. In een regeling die uitsluitend in het Europese deel van Nederland geldt, kan ter aanduiding van het Europese deel van het grondgebied van Nederland tevens het woord ‘Nederland’ worden gebruikt.
2 In een regeling van het Koninkrijk of een regeling die (mede) in Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt het woord ‘Nederland’ uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het grondgebied van het Europese deel van Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk.
3 Bij de aanduiding van het grondgebied van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten gezamenlijk wordt het woord ‘Koninkrijk’ gebruikt.
4 Het woord ‘land’ wordt gebruikt ter aanduiding van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten als component van het Koninkrijk.
5 Het woord ‘Rijk’ als aanduiding van Nederland of van het Koninkrijk wordt vermeden, indien over de betekenis daarvan onduidelijkheid kan bestaan.
1 Voor de aanduiding van bedragen in euro's wordt het euroteken ‘€’ gebruikt.
2 Voor de aanduiding van bedragen in de munteenheden van de Caribische delen van het Koninkrijk worden de volgende NEN/ISO-aanduidingen gebruikt: a. Aruba (de Arubaanse florin): AWG; b. Curaçao en Sint Maarten (de Nederlands-Antilliaanse gulden): ANG; c. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Amerikaanse dollar): USD.
Voor meeteenheden worden de wettelijk vastgestelde aanduidingen gebruikt.
Toelichting
Zie voor deze aanduidingen het Meeteenhedenbesluit 2006. Hierin wordt uitvoering gegeven aan de desbetreffende EU-richtlijnen.
In een wet, een algemene maatregel van bestuur of een koninklijk besluit wordt een minister aangeduid met ‘Onze Minister van [aanduiding ministerie] / Onze Minister voor [aanduiding minister zonder portefeuille]’ of, indien die aanduiding in de begripsbepalingen is gedefinieerd, met ‘Onze Minister’.
Toelichting
De aanduiding ‘Onze Minister (van/voor ...)’ wordt alleen gebruikt in regelingen die door de Koning worden vastgesteld. In ministeriële regelingen wordt een minister aangeduid als ‘de Minister (van/voor ...)’. Zie voor de aanduiding van staatssecretarissen aanwijzing 3.26.
In een regeling wordt een minister zonder portefeuille aangeduid met de voor hem vastgestelde benaming.
Onze Minister van Defensie
Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
1 In geval van formele betrokkenheid van meer dan één minister bij de uitvoering van een wet of algemene maatregel van bestuur, worden zij, indien mogelijk, met de naam van hun ministerie genoemd.
2 Indien vermelding bij naam niet doelmatig is, kan de formulering ‘Onze Minister[s] die het mede aangaat’ worden gebruikt.
In een rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur wordt een minister, belast met de zorg voor een koninkrijksaangelegenheid, aangeduid als ‘Onze Minister van/voor [...] in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk’, tenzij daaromtrent geen verwarring kan bestaan.
Toelichting
Indien een minister soms als Nederlandse minister en in andere gevallen als minister, belast met de zorg voor een koninkrijksaangelegenheid, optreedt, kan verwarring worden voorkomen door in het laatste geval de minister als zodanig aan te duiden. Zie hierover Kamerstukken II 2002/03, 28836 (R 1735), A, punt 1a, en nr. 3, p. 1–2).
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk (Artikel 1, onderdeel k, van de Paspoortwet).
1 In het opschrift, de aanhef en de ondertekening van een regeling wordt een staatssecretaris aangeduid als ‘de Staatssecretaris van [aanduiding ministerie]’.
2 In een regeling worden taken en bevoegdheden altijd aan een minister opgedragen, ook indien een staatssecretaris op het desbetreffende terrein als verantwoordelijk bewindspersoon fungeert.
1 Verwijzing naar andere bepalingen wordt vermeden indien de toegankelijkheid van de regeling daardoor onnodig wordt geschaad.
2 Verwijzing naar bepalingen die zelf een verwijzing inhouden en verwijzing naar latere bepalingen van de regeling worden bij voorkeur vermeden.
3 In een regeling wordt niet verwezen naar een met name genoemde lagere regeling.
4 Verwijzing binnen een artikel wordt zoveel mogelijk vermeden.
1 De verwijzing naar een regeling wordt zo mogelijk verbijzonderd tot een verwijzing naar artikelen.
2 Indien dit de duidelijkheid van de verwijzing vergroot, wordt de verwijzing naar een artikel verbijzonderd tot een verwijzing naar een onderdeel van het artikel.
1 Verwijzing naar een lid van een artikel geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: Artikel 5, tweede lid, is van toepassing.
2 Naar het voorafgaande artikel of lid van een artikel wordt verwezen door vermelding van het nummer van dat artikel of lid.
3 Verwijzing naar een onderdeel van een opsomming geschiedt met behulp van de aanduidingen ‘onder’ of ‘onderdeel’. Verwijzing naar een verdere onderverdeling geschiedt met een combinatie van deze aanduidingen of met behulp van de aanduiding ‘subonderdeel’.
4 Indien de aard van een verwijzing dit noodzakelijk maakt, wordt bij verwijzing naar een onderdeel van een opsomming mede verwezen naar de aanhef van de opsomming.
1 Een volledige zin wordt aangeduid als ‘zin’, een deel van een zin als ‘zinsnede’.
2 Indien een zinsnede wordt aangehaald door vermelding van de volledige tekst of van het begin en einde daarvan, kan de aanduiding ‘zinsnede’ worden weggelaten.
1 Met de uitdrukking ‘genoemd’ wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die met name worden aangeduid.
2 Met de aanduiding ‘bedoeld’ wordt verwezen naar personen, zaken of onderwerpen die in algemene of omschrijvende zin worden aangeduid.
3 De aanduiding ‘als bedoeld’ wordt gebruikt indien het voorafgaande begrip een onbepaald lidwoord of geen lidwoord heeft.
1 De uitdrukking ‘is van toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, letterlijk kan worden toegepast.
2 De uitdrukking ‘is van overeenkomstige toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is.
3 De uitdrukking ‘is van [overeenkomstige] toepassing, met dien verstande dat ...’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar wordt verwezen, gedeeltelijk of met wijziging van bepaalde onderdelen moet worden toegepast.
1 De aanduiding ‘deze wet’ wordt uitsluitend gehanteerd bij verwijzing naar een ander onderdeel van de wet zelf waarin de verwijzing is opgenomen.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling.
Verwijzing naar een artikel uit het Burgerlijk Wetboek geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Toelichting
In toelichtingen e.d. kan ook een kortere aanduiding worden gebruikt: artikel 6:162 BW.
De uitdrukkingen ‘onverminderd artikel ...’ en ‘in afwijking van artikel ...’ worden alleen gebruikt, indien dit noodzakelijk is om de onderlinge verhouding tussen de ene en de andere bepaling duidelijk te maken.
Toelichting
De term ‘onverminderd’ houdt in dat het genoemde artikel in het omschreven geval onverkort van toepassing is. Daarbij kan het zowel gaan om de onderlinge verhouding van bepalingen binnen één wet als om die van bepalingen in verschillende wetten. Dit geldt ook voor de term ‘in afwijking van’, die onder andere moet worden gebruikt als in een bijzondere wet wordt afgeweken van een algemene wet (overigens slechts bij hoge uitzondering: zie aanwijzing 2.46), tenzij de algemene wet uitdrukkelijk de mogelijkheid tot afwijken opent door middel van een zinsnede als ‘tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald’.
Bij aanhaling van een regeling met de citeertitel wordt het Staatsblad of de Staatscourant waarin zij is geplaatst, niet vermeld.
Toelichting
Een regeling die een citeertitel heeft, wordt daardoor afdoende geïdentificeerd.
Een regeling zonder citeertitel wordt aangehaald door vermelding van het opschrift van die regeling, gevolgd door (Stb. [jaartal, volgnummer]) respectievelijk (Stcrt. [jaartal, volgnummer]).
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op verwijzingen in het lichaam van een regeling. Zie voor het opschrift van een regeling aanwijzing 4.2, en voor verwijzingen in het opschrift van een regeling aanwijzing 4.3.
Voorbeelden
Wet van 10 juni 2020 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet (implementatie wijziging Gasrichtlijn en een aantal verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas) (Stb. 2020, 236)
Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 29 juni 2022 tot wijziging van de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld in verband met de verlenging van de regeling (Stcrt. 2022, 17545).
1 Een verdrag wordt aangehaald overeenkomstig het volgende voorbeeld: het op 20 juni 1956 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud ( Trb. 1957, 121 ).
2 Bij verdragen met een citeertitel of daarmee vergelijkbare aanduiding kunnen datum en plaats van totstandkoming en het nummer van het Tractatenblad worden weggelaten.
Verkorte verwijzing in de toelichting bij een regeling naar artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geschiedt respectievelijk overeenkomstig de volgende voorbeelden
artikel 6 VEU;
artikel 18 VWEU;
artikel 150 VEGA;
artikel 6 EVRM;
artikel 17 IVBPR.
Toelichting
In verband met de leesbaarheid kan, nadat de titel van het verdrag de eerste keer volledig is uitgeschreven, een verkorte verwijzing naar artikelen van de Europese verdragen aangewezen zijn. In de toelichting bij een regeling kunnen voor een verkorte aanduiding van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ook ‘EU-verdrag’ en ‘Werkingsverdrag’ worden gebruikt.
In regelingen worden de instellingen, verdragen, regelgeving en de lidstaten van de Europese Unie, dan wel de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede hun grondgebied als volgt aangeduid
het Europees Parlement;
de Europese Raad;
de Raad van de Europese Unie;
de Europese Commissie;
het Hof van Justitie van de Europese Unie;
de Europese Centrale Bank;
de Europese Rekenkamer;
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
het Verdrag betreffende de Europese Unie;
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
EU-verordeningen, EU-richtlijnen, EU-besluiten;
bindende EU-rechtshandelingen, EU-rechtshandelingen, EU-regelgeving;
Euratom-verordeningen, Euratom-richtlijnen, Euratom-besluiten;
lidstaten van de Europese Unie;
gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
Toelichting
Deze terminologie vloeit voort uit artikel 13 VEU en artikel 288 VWEU. Bij een aantal begrippen is ten opzichte van de Europese terminologie ‘van de Europese Unie’, ‘Europese’ of ‘EU’ toegevoegd om verwarring met Nederlandse equivalenten te voorkomen. Zie met betrekking tot regelgeving van de Europese Unie ook aanwijzing 1.3.
Tenzij anders bepaald omvat een verwijzing naar een EU-instelling e.d. mede de instelling e.d. zoals die krachtens de voorgaande EU-verdragen getiteld was. Een algemene verwijzing naar bindende EU-rechtshandelingen met betrekking tot een bepaald onderwerp omvat derhalve tevens bindende rechtshandelingen die tot stand zijn gebracht in het kader van de EEG of de EG.
Indien bindende EU-rechtshandelingen tevens gelden voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, worden de betrokken staten, respectievelijk hun grondgebied, aangeduid als
de lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
de gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
Zwitserland.
Toelichting
Zie ook aanwijzing 9.3.
1 Bij het aanhalen van bindende EU-rechtshandelingen wordt de titel gebruikt die daaraan in het Publicatieblad van de Europese Unie is gegeven.
2 Indien vermelding van de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie wenselijk wordt geacht, geschiedt dat op de wijze zoals in aanwijzing 3.46 beschreven.
1 Verwijzing naar parlementaire stukken geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden: − Kamerstukken II 2009/10, 27858, nr. 88, p. 3; − Kamerstukken I 2008/09, 31700 VI, D, p. 4; − Handelingen II 2007/08, nr. 108, p. 7909–7943 (tot en met 31 december 2010); − Handelingen II 2010/11, nr. 108, item 5, p. 25–36 (vanaf 1 januari 2011); − Aanhangsel Handelingen I 2014/15, nr. 12.
2 Verwijzing naar een wetsvoorstel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden: − het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Meststoffenwet (differentiatie fosfaatgebruiksnorm) (Kamerstukken 31945); − het bij geleidende brief van 13 september 2016 aanhangig gemaakte voorstel van wet van de leden Siderius en Van Meenen tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs ter bevordering van kleinere klassen in het basisonderwijs (Kamerstukken 34538).
Verwijzingen naar gepubliceerde jurisprudentie geschiedt door het gebruik van de European Case Law Identifier (ECLI) overeenkomstig het volgende voorbeeld
HR 7 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7440.
Toelichting
Verwijzingen naar vindplaatsen in bijvoorbeeld NJ of AB worden ook voor oudere jurisprudentie niet meer gebruikt. Via www.rechtspraak.nl is voor dergelijke uitspraken een ECLI te vinden. In incidentele gevallen waarin (nog) geen ECLI beschikbaar is, kan een andere manier van verwijzing worden gebruikt.
1 Vermelding van vindplaatsen in het Staatsblad, de Staatscourant en het Tractatenblad geschiedt door toevoeging tussen haakjes van aanduidingen overeenkomstig de volgende voorbeelden: – Stb. 2011, 35; – Stcrt. 2015, 10247; – Trb. 2008, 175.
2 Indien de regeling waarnaar wordt verwezen nog niet in het Staatsblad, de Staatscourant of het Tractatenblad is bekendgemaakt, wordt de vindplaats in ontwerpen van die regeling aangeduid door aanduiding van het jaartal en nummer van het publicatieblad met puntjes, overeenkomstig het volgende voorbeeld: Stb. ..., ....
3 Het invullen van het jaartal en nummer van het desbetreffende publicatieblad geschiedt door het betrokken ministerie, uiterlijk bij de bekendmaking van de regeling.
Voor het Publicatieblad van de Europese Unie wordt de afkorting ‘PbEU’ gebruikt. Bij aanduiding van een nummer van het Publicatieblad gaat aan het nummer vooraf de aanduiding ‘L’ (Legislatio) of ‘C’ (Communicatio).
Toelichting
Bij mededelingen die in het C-blad verschijnen is de vermelding van de vindplaats in dat blad zinvol ter unieke identificatie van de publicatie, en als middel om de publicatie snel te kunnen vinden op de website https://eur-lex.europa.eu. Voor publicaties die in het L-blad worden geplaatst, is die vermelding niet nodig omdat het unieke nummer waaronder deze vindbaar zijn, deel uitmaakt van de titel van de rechtshandeling zelf (zie aanwijzing 3.42). Wanneer er een bijzondere is om toch de vindplaats te vermelden (bijvoorbeeld om de datum van uitgifte van het betreffende Publicatieblad aan te duiden) wordt de notatie gebruikt zoals in deze aanwijzing beschreven.
Hoewel de EU zelf de afkorting ‘Pb’ hanteert wordt, ter voorkoming van verwarring met het Publicatieblad van Curaçao, de afkorting ‘PbEU’ gebruikt dan wel, indien het een publicatie van voor 1 februari 2003 betreft, de afkorting ‘PbEG’.
Vanaf 1 oktober 2023 hanteert de EU een andere wijze van nummering, zie de voorbeelden hieronder.
Voorbeelden
Mededelingen/rechtshandelingen van voor 1 februari 2003
Richtlijn 83/ 189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG 1983, L 109)
Mededelingen/rechtshandelingen van 1 februari 2003 tot 1 oktober 2023
Mededeling van de Commissie inzake financiële sancties in niet-nakomingsprocedures (PbEU 2023, C 2)
Mededelingen/rechtshandelingen vanaf 1 oktober 2023
Mededeling van de Commissie van 5 januari 2024 inzake wisselkoersen van de euro (PbEU C 2024/573)
Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2024/325 van de Commissie van 19 januari 2024 tot wijziging van Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2019/68 wat betreft de minimale diepte van markeringen op vuurwapens en essentiële onderdelen (PbEU L 2024/325).
1 Indien een regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een andere Nederlandse publiekrechtelijke regeling of een bindende EU-rechtshandeling, omvat die verwijzing mede nadien in werking getreden wijzigingen van die regeling of EU-rechtshandeling, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld.
2 Indien een regeling verwijst naar normen die niet publiekrechtelijk van aard zijn, geschiedt de verwijzing in beginsel naar die normen zoals zij op een gegeven tijdstip luidden. Omvat de verwijzing mede latere wijzigingen, dan wordt tevens voorzien in mededeling van deze wijzigingen in de Staatscourant.
Verwijzing in een regeling naar toe te passen normalisatienormen geschiedt in beginsel op een niet-dwingende wijze.
Toelichting
Wanneer het wenselijk is bij overheidsinterventie aan te sluiten bij het zelfregulerende vermogen van de maatschappij (zie aanwijzing 2.5) kan dit bijvoorbeeld door in een regeling te verwijzen naar een norm die niet publiekrechtelijk van aard is.
Tot zulke normen van niet-publiekrechtelijke aard behoren onder andere normalisatienormen. Normalisatie is het systeem waarbij private partijen door tussenkomst van een normalisatie-instituut, zoals het Nederlands Normalisatie-instituut NEN, gezamenlijk normen voor hun handelen opstellen. Op normalisatienormen rust auteursrecht zodat zij alleen tegen betaling bij het normalisatie-instituut kunnen worden verkregen. Om die reden is het dwingend opleggen van dergelijke normen in regelgeving minder wenselijk. Het dwingend opleggen van normalisatienormen past bovendien minder goed bij het vrijwillige karakter van het systeem van normalisatie. In het algemeen heeft het toepasselijk maken van de norm op facultatieve basis dan ook de voorkeur. Dit kan in de vorm van een weerlegbaar rechtsvermoeden waarbij het volgen van de norm het vermoeden oplevert dat aan een wettelijke eis is voldaan. Dit is bijvoorbeeld het geval in het systeem van Europese richtlijnen conform de zogenoemde Nieuwe Aanpak. Zie voor de formulering van een weerlegbaar rechtsvermoeden aanwijzing 3.10, tweede lid.
In bepaalde gevallen legt de wetgever het volgen van een normalisatienorm dwingend op. Zo zijn er EU-richtlijnen, verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties die de nationale wetgever daartoe verplichten. Dwingende verwijzing naar normalisatienormen komt verder bijvoorbeeld in aanmerking in geval van regelingen die zich richten tot overheidsinstanties en waarbij een exclusieve toepassing wenselijk is of in geval van strafrechtelijke handhaving, waarbij een duidelijke norm moet worden gesteld bijvoorbeeld met betrekking tot een toe te passen meetmethode. Een dergelijke vorm van verwijzing moet gemotiveerd worden. Verder moet bij de verwijzing worden vermeld wat de vindplaats van de norm is, moet de norm algemeen verkrijgbaar zijn en dient de norm (behoudens het geval dat enkel de overheid normadressaat is) kosteloos ter beschikking te worden gesteld. Indien dit laatste niet mogelijk is omdat het een internationale norm betreft, mag de prijs van die norm niet onredelijk hoog zijn.
Zie over de verwijzing in wetgeving naar normalisatienormen en over de status van verwezen normen artikel 14a van de Bekendmakingswet en aanwijzing 4.29. Zie ook de brief van de Minister van Justitie van 9 april 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 28 325, nr. 105) en de brief van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 30 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 27 406, nr. 193).
Verwijzing in een regeling naar toe te passen ICT-standaarden of ICT-voorzieningen geschiedt slechts indien verplichte toepassing van de desbetreffende standaarden of voorzieningen noodzakelijk is. In zo'n geval wordt waar mogelijk gekozen voor een open standaard die is aangewezen door het Nationaal Beraad Digitale Overheid, of voor voorzieningen die op dergelijke standaarden zijn gebaseerd, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen.
Toelichting
Voor verwijzing in een regeling naar ICT-standaarden (ook als die zijn neergelegd in een normalisatienorm) of een ICT-voorziening waarin zo’n standaard is toegepast, geldt een apart regime, uitgewerkt in deze aanwijzing. Onder ICT-standaarden worden verstaan afspraken over de vorm van elektronische uitwisseling van gegevens. ICT-voorzieningen zijn informatiesystemen (hardware) of toepassingen (software) die gebruikmaken van ICT-standaarden.
Met het oog op het streven naar techniekonafhankelijke wetgeving wordt in regelingen alleen naar concrete ICT-standaarden of -voorzieningen verwezen indien dit noodzakelijk is. Daarvan kan sprake zijn als het nodig is om burgers of bedrijven te verplichten tot toepassing van de betrokken standaard of voorziening omdat het openhouden van meer kanalen voor aanlevering van informatie bij de overheid onevenredig hoge kosten met zich zou brengen. Ook kan dit voor een goed verloop van het uitvoeringsproces nodig zijn. Een voorbeeld hiervan is het voorschrijven van bestandsformaten bij de aanvraag van een omgevingsvergunning (zie bijvoorbeeld artikel 7.1a van de Omgevingsregeling). Verder kan het voorschrijven van een standaard ook noodzakelijk zijn omdat verplichte toepassing uit Europese of andere internationale wetgeving voortvloeit (zie ook aanwijzing 2.15) of omdat het niet-implementeren van open standaarden door overheidsorganisaties een onaanvaardbaar risico vormt voor publieke belangen zoals informatieveiligheid, interoperabiliteit of de leveranciersonafhankelijkheid van de overheid.
Indien verplichte toepassing aan de orde is, wordt in beginsel slechts verwezen naar de open standaarden die op grond van een besluit van het Nationaal Beraad Digitale Overheid zijn opgenomen op de lijst van open standaarden voor pas toe of leg uit, of naar voorzieningen die op die standaarden zijn gebaseerd. De actuele lijst is te vinden op www.forumstandaardisatie.nl.
Papier voldoet aan NEN 2728:2006 (artikel 4 van de Archiefregeling)
1 In een regeling wordt terughoudendheid betracht bij verwijzing naar informatie op internet door middel van een internetadres als onderdeel van de normstelling.
2 Een verwijzing naar informatie op internet voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de verwijzing heeft betrekking op informatie die is neergelegd in een welomlijnd en zelfstandig benoemd informatieobject; b. het informatieobject wordt rechtstreeks en in de vorm van een volledig uitgeschreven internetadres aangewezen door de verwijzing; c. het informatieobject is tijdig en permanent beschikbaar op de met de verwijzing aangeduide locatie; d. het informatieobject is leesbaar zonder dat bijzondere beperkingen gelden voortvloeiend uit het formaat waarin de informatie wordt aangeboden; e. de authenticiteit van het aangeboden informatieobject is voldoende geborgd.
1 Indien een regeling verwijst naar normen die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld en op overtreding van die normen een strafrechtelijke of bestraffende bestuurlijke sanctie is gesteld, worden die normen in het Nederlands vertaald.
2 De vertaling wordt in de Staatscourant geplaatst. Indien de vertaalde normen slechts van belang zijn voor een kleine groep personen of de kenbaarheid van de vertaling op een andere wijze voldoende is verzekerd voor alle belanghebbenden, kan de vertaling worden gepubliceerd door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium. Van deze wijze van publicatie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
3 Het tweede lid is niet van toepassing op normen die worden vertaald krachtens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
4 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in geval bij wet is bepaald dat een overtreding van een voorschrift als strafbaar feit wordt aangemerkt dan wel wordt bestraft met een bestuurlijke sanctie, indien dit voorschrift in de Engelse taal is gesteld en bekendgemaakt.
1 Het gebruik van hoofdletters wordt zoveel mogelijk beperkt.
2 Het gebruik van hoofdletters in de Grondwet en in basisregelingen wordt zoveel mogelijk gevolgd of als uitgangspunt genomen bij de schrijfwijze van daarin gebezigde uitdrukkingen of vastgestelde benamingen.
3 Bij nieuwe benamingen wordt in beginsel alleen het eerste woord met een hoofdletter geschreven.
4 Aanduidingen van afzonderlijke ministers en ministeries, als eigennaam gebruikt, worden met een hoofdletter geschreven.
Een regeling is opgebouwd uit de volgende elementen
opschrift;
aanhef;
lichaam;
slotformulier;
ondertekening;
eventuele bijlagen.
Toelichting
Tot de aanhef van een wet behoort mede de considerans. Zie aanwijzing 4.5.
Een inhoudsopgave is geen onderdeel van een regeling. Wel kan zij bij de bekendmaking van de regeling in het Staatsblad of de Staatscourant worden opgenomen. Zie aanwijzing 4.30.
1 Het lichaam van een regeling wordt vervat in een of meer artikelen.
2 De artikelen worden doorlopend genummerd met Arabische cijfers. In een omvangrijke regeling kunnen de artikelen per hoofdstuk worden genummerd, onder vermelding van het hoofdstuknummer voor het artikelnummer.
3 Bestaat een regeling uit één artikel, dan wordt daarboven de aanduiding ‘Enig artikel’ geplaatst.
De hierna genoemde bepalingen van een regeling worden in voorkomende gevallen in afzonderlijke artikelen en in de aangegeven volgorde aan het slot van een regeling opgenomen
bepaling inzake evaluatie;
bepaling inzake overgangsrecht;
bepaling over intrekking van een regeling;
bepaling inzake publicatie van de integrale tekst van een regeling;
bepaling inzake inwerkingtreding;
bepaling tot vaststelling van een citeertitel.
Toelichting
Onderdeel b. Zie ook aanwijzing 5.60.
Onderdeel d. Zie aanwijzing 6.22, tweede lid.
1 Indien dit voor de toegankelijkheid van een regeling van belang is, wordt deze systematisch in Arabisch genummerde onderdelen verdeeld.
2 Bij een verdeling op één niveau worden de onderdelen ‘hoofdstuk’ of ‘paragraaf’ genoemd.
3 Bij een verdeling op twee niveaus worden de onderdelen van het eerste niveau ‘hoofdstuk’ en de onderdelen van het tweede niveau ‘paragraaf’ genoemd.
4 Bij een verdeling op meer dan twee niveaus worden de onderdelen in volgorde van omvang ‘deel’, ‘hoofdstuk’, ‘titel’, ‘afdeling’ en ‘paragraaf’ genoemd, met dien verstande dat in ieder geval de aanduidingen ‘hoofdstuk’ en ‘paragraaf’ worden gebruikt.
1 De in aanwijzing 3.56 bedoelde onderdelen van een regeling worden voorzien van een opschrift, waarin de inhoud van het onderdeel beknopt wordt aangeduid.
2 Artikelen kunnen van een opschrift worden voorzien.
1 Artikelen kunnen worden verdeeld in leden die worden aangeduid met Arabische cijfers.
2 Een lid wordt niet verdeeld in alinea's.
3 Indien de inhoud van een artikel zou leiden tot een groot aantal leden, wordt het artikel zo mogelijk gesplitst in meer artikelen.
1 Indien het bij een opsomming in een artikel omwille van de duidelijkheid wenselijk is elk onderdeel daarvan op een nieuwe regel te laten beginnen, wordt de volgende werkwijze gevolgd: a. de onderdelen worden aangegeven met de letters a, b, c enzovoort, een eventuele verdere onderverdeling met 1°, 2°, 3° enzovoort, waarbij achter deze letters en cijfers een punt wordt geplaatst; b. binnen de onderdelen wordt niet met een nieuwe zin begonnen; c. de onderdelen worden, met uitzondering van het laatste onderdeel, afgesloten met een puntkomma.
2 Na het laatste onderdeel van een opsomming wordt geen tekst opgenomen die betrekking heeft op alle onderdelen, tenzij dit onvermijdelijk is.
3 In een opsomming van begripsbepalingen wordt bij voorkeur een alfabetische volgorde zonder nummering of lettering gehanteerd.
1 Indien dit voor de duidelijkheid nodig is, wordt door gebruik van het woord ‘of’ dan wel ‘en’ aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming het alternatieve, onderscheidenlijk cumulatieve karakter van de opsomming tot uitdrukking gebracht. In zo'n geval wordt in afwijking van aanwijzing 3.59, eerste lid, onderdeel c, het voorlaatste onderdeel afgesloten met ‘; of’ dan wel ‘; en’.
2 Uit de formulering van het artikel blijkt of een opsomming een limitatief of een enuntiatief karakter heeft.
Bij een regeling wordt geen bijlage opgenomen, tenzij het gaat om de vaststelling van een tabel, formulier, model, kaart of lijst van regelingen of bepalingen dan wel dit anderszins onvermijdelijk is.
Toelichting
De inhoud van een bijlage is in gelijke mate bindend als de regeling waarbij zij behoort. Bijlagen waarin louter toelichtende informatie wordt verschaft, behoren niet bij een regeling te worden opgenomen. Eventueel kunnen dergelijke bijlagen worden opgenomen bij de toelichting op de regeling.
Het gebruik van bijlagen kan aangewezen zijn bij een regeling die vanwege de omvang daarvan in meerdere bestanden gescheiden moet kunnen worden. Zie ook aanwijzing 4.28.
1 Een bijlage bij een regeling wordt voorzien van een opschrift waarin is vermeld bij welk artikel van de regeling de bijlage hoort, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.
2 Indien dit voor de toegankelijkheid van een bijlage van belang is, wordt in het opschrift de inhoud van de bijlage beknopt aangeduid.
In een uitvoeringsregeling worden zo mogelijk de indeling en volgorde van de onderdelen, de opschriften van die onderdelen, de wijze van nummering van de artikelen en de volgorde van de artikelen van de hogere regeling in acht genomen.
Toelichting
Zie ook de aanwijzingen 2.34 en 3.4.
In een regeling worden, tenzij dit onvermijdelijk is, bepalingen uit een andere regeling, die hetzelfde onderwerp regelen, niet herhaald.
Toelichting
Het gaat hierbij met name om het vermijden van herhaling in een uitvoeringsregeling van bepalingen uit de delegerende regeling en herhaling in een bijzondere regeling van bepalingen uit algemene regelingen, zoals het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet of de Wet milieubeheer.
Regelingen worden voorzien van een opschrift.
1 Voor het opschrift van een regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt: a. bij een (rijks)wet: Rijkswet / Wet van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud]; b. bij een algemene maatregel van (rijks)bestuur: Besluit van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud]; c. bij een ministeriële regeling: Regeling van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] tot /, houdende [aanduiding inhoud]; d. bij een beleidsregel: Beleidsregel van de [Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...] van [datum] over / tot [aanduiding inhoud].
2 In een wetsvoorstel worden in het opschrift de woorden ‘Rijkswet / Wet van (...) tot /, houdende’ niet opgenomen.
1 Het opschrift bevat zo mogelijk enige materiële aanduiding van het onderwerp van de regeling.
2 Het opschrift wordt beknopt gehouden.
Indien aan een regeling een citeertitel wordt gegeven, wordt deze aan het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld.
Toelichting
Toekenning van een citeertitel aan een regeling geschiedt door een bepaling daartoe in de regeling zelf op te nemen (zie de aanwijzingen 4.24 en 4.25). De vermelding van de citeertitel in het opschrift heeft slechts een informatief karakter.
Voorbeeld
Wet van 4 juni 2014, houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Huisvestingwet 2014)
Indien beschikbaar wordt onder het opschrift van een regeling tussen haken het KetenID vermeld.
Toelichting
De vermelding van het KetenID stelt de lezer in staat om via de Wetgevingskalender relevante informatie met betrekking tot het voorstel te vinden, zoals het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport. Het KetenID wordt ontleend aan het interdepartementale wetgevingsinformatiesysteem Kiwi, waarin de meeste regelgeving in wording is opgenomen vanaf de ontwerpfase. Informatie over deze regelgeving in wording wordt aangeboden op de Wetgevingskalender.
Ten behoeve van geautomatiseerde herkenning van dit kenmerk wordt het KetenID weergegeven in de vorm WGK[nnnnnn], waarbij een nummer van minder dan zes cijfers waar nodig van voorloopnullen wordt voorzien.
Voorbeelden
Wet
Wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES in verband met het toekennen van preferentie aan de verschuldigde uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en in de kosten van levensonderhoud en studie van jong meerderjarigen
(KetenID WGK012963)
Algemene maatregel van bestuur
Besluit van [...], houdende regels ter uitvoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Uitvoeringsbesluit Wtza)
(KetenID WGK008987)
Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg, van [...], kenmerk [...], gedaan mede namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Ministeriële regeling
Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [PM] 2022, nr. CZW/S&B/...., houdende nadere eisen en regels voor het verlenen van een toelating voor publieke en private identificatiemiddelen (Regeling nadere eisen identificatiemiddelen, authenticatiediensten en machtigingsdiensten Wdo)
(KetenID WGK010753)
1 Voor de aanhef van een wet wordt het volgende model gebruikt: Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat [considerans]; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze
2 Indien het een rijkswet betreft, luidt de laatste alinea: Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze
1 Voor de aanhef van een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard wordt het volgende model gebruikt: Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, gedaan in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...]; Gelet op ...; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. ...); Gezien het nader rapport van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...[, uitgebracht in overeenstemming met / mede namens Onze Minister(s) van/voor .../ de Staatssecretaris(sen) van ...]; Hebben goedgevonden en verstaan
2 In de aanhef van een algemene maatregel van rijksbestuur wordt gesproken van de ‘Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk’ en wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd: De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
3 Voor de aanhef van een koninklijk besluit, niet zijnde een koninklijk besluit van regelende aard, wordt het volgende model gebruikt: Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] van [datum], nr. ...; Gelet op ...; Hebben goedgevonden en verstaan
4 In de aanhef van een koninklijk rijksbesluit, niet zijnde een algemene maatregel van rijksbestuur, wordt niet naar het Statuut verwezen, tenzij de raad van ministers van het Koninkrijk ter zake heeft overlegd. In dat geval wordt als voorlaatste zinsnede ingevoegd: Artikel 10 van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
1 Indien bij de voordracht tot een voorstel van wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard meer dan één bewindspersoon is betrokken, geschiedt de voordracht door één van hen, in overeenstemming met de ander(en).
2 Indien er bijzondere redenen zijn om te bepalen dat een wet of besluit wordt gecontrasigneerd door alle voordragende bewindspersonen geschiedt de voordracht door één van hen, mede namens de ander(en).
3 Indien er zeer bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen ook in de voordracht tot uitdrukking te brengen, wordt gebruik gemaakt van de volgende formulering: Op de voordracht van [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...] en [Onze Minister van/voor .../ de Staatssecretaris van ...].
Voor de aanhef van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt
De Minister van/voor .../ Staatssecretaris van ...,
[Handelende in overeenstemming met de Minister(s) van/voor... / Staatssecretaris(sen) van ... / in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad];
Gelet op ...;
Besluit
Toelichting
De zinsnede over de medebetrokkenheid (‘handelende in overeenstemming met’) wordt alleen opgenomen, indien zij van toepassing is. De zinsnede ‘handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad’ wordt opgenomen indien – bijvoorbeeld ter voldoening aan een wettelijk voorschrift (vgl. artikel 2.4 van de Wet normering topinkomens) – over een ministeriële regeling besluitvorming in de ministerraad heeft plaatsgevonden.
Indien een ministeriële regeling is gebaseerd op de regelgevende bevoegdheid van twee of meer ministers, worden in de eerste regel van de aanhef alle ministers (of fungerende staatssecretarissen) genoemd die de regeling vaststellen: De Minister van/voor ... en de Minister van/voor ...’. Tevens wordt in dat geval ‘Besluit:’ vervangen door de meervoudsvorm ‘Besluiten:’. Zie voor gezamenlijke regelingen ook aanwijzing 4.33. De formulering ‘mede namens’ wordt vanwege de specifieke betekenis die deze formulering heeft in de aanhef van wetten en koninklijke besluiten (zie aanwijzing 4.33), in de aanhef van ministeriële regelingen vermeden.
Zie voor ‘gelet op’ aanwijzing 4.10. Zie ook aanwijzing 3.18 (aanduiding ‘ministeriële regeling’).
Voor de aanhef van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt
De Minister van/voor ... / Staatssecretaris van ...,
Gelet op ...;
Besluit
Toelichting
Zie voor ‘gelet op’ aanwijzing 4.10.
1 De uitdrukking ‘Gelet op’ verwijst naar de hogere regeling waarop de regelgevende bevoegdheid berust en in voorkomend geval naar de internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling ter uitvoering waarvan de regeling strekt.
2 Verwezen wordt naar de afzonderlijke artikelen van de hogere regeling, tenzij dit door het grote aantal artikelen niet doelmatig is.
1 In de aanhef van een wet wordt een considerans opgenomen.
2 In een andere regeling wordt geen considerans opgenomen.
1 In een considerans worden de strekking van en, indien daartoe aanleiding is, het motief tot de vaststelling van de wet in hoofdzaak kort weergegeven.
2 In de considerans worden geen elementen opgenomen die niet in het lichaam van de wet zelf voorkomen.
Strekt een wet tot uitvoering van de Grondwet, een verdrag of een bindende EU-rechtshandeling, dan wel een ander besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wordt dit in de considerans vermeld.
Toelichting
Bij een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling wordt het verband met een hogere regeling tot uitdrukking gebracht door de formulering ‘gelet op’. Zie aanwijzing 4.10.
Deze aanwijzing geeft tevens invulling aan het in EU-richtlijnen opgenomen voorschrift dat naar de geïmplementeerde richtlijn wordt verwezen in de nationale uitvoeringsbepalingen of bij de officiële bekendmaking van die bepalingen, op een wijze die door de lidstaten wordt vastgesteld.
1 Een regeling voorziet in haar inwerkingtreding.
2 Bij de vaststelling van het moment van inwerkingtreding wordt geen onderscheid gemaakt tussen categorieën van gevallen waarop de regeling toepasselijk wordt.
1 Het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt zodanig geregeld dat dit blijkt uit het Staatsblad waarin de regeling is geplaatst of af te leiden is uit een ander Staatsblad.
2 Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling wordt niet afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van een verdrag of van een andere niet uit het Staatsblad of de Staatscourant blijkende gebeurtenis.
1 Het tijdstip van inwerkingtreding van een regeling ligt in ieder geval na het tijdstip van haar bekendmaking.
2 De datum van bekendmaking van een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur ligt in ieder geval vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur.
1 Een wet of een algemene maatregel van bestuur treedt in werking met ingang van 1 januari of 1 juli.
2 Een ministeriële regeling treedt in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober.
3 In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor regelingen over het onderwijs de volgende vaste verandermomenten: a. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari en 1 augustus; b. voor ministeriële regelingen betreffende het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: 1 januari, 1 april, 1 augustus en 1 oktober; c. voor wetten en algemene maatregelen van bestuur betreffende het hoger onderwijs: 1 januari en 1 september; d. voor ministeriële regelingen betreffende het hoger onderwijs: 1 januari, 1 april, 1 september en 1 oktober.
4 De termijn tussen de publicatiedatum van een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is minimaal twee maanden. Indien een regeling direct relevant is voor medeoverheden, is deze termijn minimaal drie maanden.
5 Uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover: a. dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt; b. het spoed- of noodregelgeving betreft; c. het reparatieregelgeving betreft; of d. het implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, verdragen of andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties betreft.
6 De toepassing van een uitzonderingsgrond wordt gemotiveerd in de toelichting bij de regeling of in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit.
De inwerkingtreding van bepalingen betreffende inwerkingtreding, inwerkingstelling, toepassingsmomenten en bekendmaking van een regeling, vaststelling van een citeertitel, delegatie van regelgevende bevoegdheid of parlementaire betrokkenheid bij de totstandkoming van een regeling hoeft niet uitdrukkelijk te worden geregeld. Deze bepalingen gelden vanaf het tijdstip van totstandkoming van de regeling.
Toelichting
Deze aanwijzing houdt in dat voor de bedoelde bepalingen bij de regeling van de inwerkingtreding geen afzonderlijke voorziening hoeft te worden getroffen. Evenmin is het nodig om deze bepalingen uitdrukkelijk uit te zonderen bij het formuleren van de inwerkingtredingsbepaling.
Parlementaire betrokkenheid. Indien op grond van een bij de Staten-Generaal aanhangig wetsvoorstel reeds een uitvoeringsregeling wordt voorbereid die met toepassing van een in dat wetsvoorstel opgenomen bepaling met betrekking tot de totstandkomingsprocedure tot stand gebracht moet worden, kan de voorbereiding plaatsvinden overeenkomstig die bepaling. Bij de vaststelling van de uitvoeringsregeling is dan aan de verplichtingen inzake parlementaire betrokkenheid bij de uitvoeringsregeling voldaan. De uitvoeringsregeling kan dan op hetzelfde moment in werking treden als de wet waarop zij is gebaseerd. Zie ook de aanwijzingen 2.35 tot en met 2.40.
Een koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur voorziet niet in zijn eigen inwerkingtreding.
Toelichting
Een dergelijk koninklijk besluit geldt zodra het is bekendgemaakt (vgl. aanwijzing 4.19).
Dit geldt ook in het geval dat, al dan niet tezamen met het vaststellen van een tijdstip van inwerkingtreding van een wet of een algemene maatregel van bestuur, bij koninklijk besluit een ander op grond van de wet of de algemene maatregel van bestuur vast te stellen tijdstip wordt bekendgemaakt.
1 Voor de inwerkingtredingsbepaling van een wet wordt zoveel mogelijk het volgende model gebruikt: Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2 Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemene maatregel van bestuur wordt een van de volgende modellen gebruikt: A. Dit besluit treedt in werking met ingang van ... B. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
3 Voor de inwerkingtredingsbepaling van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt: Deze regeling treedt in werking met ingang van ...
4 Voor de inwerkingtredingsbepaling van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt: Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ...
Zo nodig kan voor de inwerkingtredingsbepaling van een regeling ook een van de volgende modellen worden gebruikt
Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van ..., met uitzondering van de artikelen ..., die in werking treden met ingang van ... .
Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop de artikelen ... in werking treden.
Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop [artikel ... van] [citeertitel of aanduiding andere regeling] in werking treedt.
Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, treedt deze wet / dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag van de ... kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/zij/hij wordt geplaatst.
Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van [beoogde datum van inwerkingtreding]. Indien het Staatsblad / de Staatscourant waarin deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt geplaatst, wordt uitgegeven na [de dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding], treedt zij/het/zij/hij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad / de Staatscourant waarin zij/het/ zij/hij wordt geplaatst, en werkt zij/het/zij/hij terug tot en met [beoogde datum van inwerkingtreding].
Toelichting
Bij het gebruik van de in deze aanwijzing opgenomen modellen wordt aanwijzing 4.17 in acht genomen, voor alle onderdelen van de regeling die in werking treden. De modellen G en H worden slechts gebruikt in de in aanwijzing 4.17, vijfde lid, genoemde uitzonderingsgevallen.
Voor de inwerkingtredingsbepaling van een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling, kan een formulering analoog aan die in aanwijzing 4.21, derde lid, of aan de modellen A, D, F, G of H worden gebruikt.
Model D. Indien de ‘andere regeling’ waarnaar in model D wordt verwezen, voorziet in (de mogelijkheid van) gefaseerde inwerkingtreding (zie de modellen A, B en C) kan het nodig zijn om te verwijzen naar een of meer specifieke artikelen uit die andere regeling: ‘het tijdstip waarop artikel X van regeling Y in werking treedt’. Dat is in ieder geval nodig, indien beoogd is om aan te sluiten bij artikelen ten aanzien waarvan in de andere regeling is voorzien in eerdere of latere inwerkingtreding dan de rest van die regeling. In dat geval kan niet worden volstaan met een verwijzing naar ‘het tijdstip waarop regeling X in werking treedt’.
Model E. Dit model kan worden gebruikt om aan te sluiten bij de inwerkingtreding van een nog niet tot wet verheven wetsvoorstel. Daarbij wordt voor regeringsvoorstellen de formulering ‘het bij koninklijke boodschap ingediende wetsvoorstel’ en voor initiatiefwetsvoorstellen de formulering ‘het bij geleidende brief aanhangig gemaakte wetsvoorstel’ gebruikt. Zie voor het gebruik van dit model ook aanwijzing 2.33, derde lid.
Model H. Dit model biedt een voorziening voor het geval onzeker is of een regeling tijdig, dat wil zeggen uiterlijk een dag voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de regeling, bekend kan worden gemaakt. Als de regeling niet tijdig bekend kon worden gemaakt, voorziet de tweede zin van deze inwerkingtredingsbepaling erin dat de regeling alsnog met ingang van de eerste dag na haar bekendmaking in werking treedt en terugwerkt tot en met de dag van haar aanvankelijk beoogde inwerkingtreding. Bij gebruik van dit model wordt aanwijzing 5.62 in acht genomen.
1 Een regeling heeft een citeertitel, tenzij aan aanhaling van de regeling in de praktijk geen behoefte zal bestaan.
2 Een wijzigingsregeling heeft slechts een citeertitel indien daaraan behoefte bestaat.
3 Indien naar verwachting de behoefte zal bestaan een regeling veelvuldig met een afkorting aan te halen, wordt in de toelichting bij de regeling een aanbeveling gegeven voor de te gebruiken afkorting.
1 Een citeertitel wordt kernachtig geformuleerd, heeft voldoende onderscheidend vermogen en bevat geen afkortingen tenzij dit onvermijdelijk is.
2 Voor de bepaling tot vaststelling van de citeertitel wordt het volgende model gebruikt: Deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel wordt aangehaald als: ...
3 In beginsel wordt slechts het eerste woord van een citeertitel met een hoofdletter geschreven.
4 In een citeertitel wordt alleen een jaartal opgenomen indien daartoe behoefte bestaat ter onderscheiding van de betrokken regeling van een andere regeling. In dat geval kan in een wet of een algemene maatregel van bestuur de formulering ‘met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin [zij/het] zal worden geplaatst’ worden gebruikt.
5 In de citeertitel van een rijkswet, een algemene maatregel van rijksbestuur of een ministeriële regeling over een koninkrijksaangelegenheid wordt tot uitdrukking gebracht dat het rijkswetgeving betreft.
6 In de citeertitel van een regeling die uitsluitend voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt, wordt door de toevoeging ‘BES’ tot uitdrukking gebracht dat het een regeling voor die eilanden betreft. Deze toevoeging blijft achterwege, indien de eilanden reeds voluit in de citeertitel worden genoemd.
1 In een regeling worden geen bepalingen opgenomen over de plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant van de regeling zelf of daarop berustende algemeen verbindende voorschriften.
2 Een regeling schrijft, behoudens in uitzonderlijke gevallen, niet voor dat op grond van de regeling genomen besluiten in het Staatsblad worden geplaatst.
Regelingen worden na hun vaststelling zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.
Een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging, indien
de bijlage niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen daarmee voldoende verzekerd is.
Toelichting
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 5 van de Bekendmakingswet. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze uitzondering met name bedoeld voor stukken die niet in een elektronisch bestand zijn weer te geven of alleen in een dermate groot bestand dat het niet geschikt is voor de gedigitaliseerde plaatsing in het Staatsblad of de Staatscourant (zie Kamerstukken II 2006/07, 31084, nr. 3, p. 23). In het geval van elektronische bestanden die niet geschikt zijn voor gedigitaliseerde plaatsing in Staatsblad of Staatscourant kan de terinzagelegging ook in elektronische vorm plaatsvinden.
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging geschiedt door middel van het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Zie ook aanwijzing 4.41. Van bekendmaking door terinzagelegging dient mededeling te worden gedaan in de Staatscourant (zie artikel 5, tweede lid, van de Bekendmakingswet).
Indien in een regeling normen van niet-publiekrechtelijke aard van toepassing worden verklaard, wordt, tenzij de kenbaarheid van deze normen voor alle betrokkenen voldoende verzekerd is, mededeling van de normen in de Staatscourant voorgeschreven. Aanwijzing 4.28 is van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Onder ‘mededeling’ dient ingevolge de Bekendmakingswet te worden verstaan: plaatsing van de integrale tekst van de normen in de Staatscourant.
Zie voor het al dan niet dwingend verwijzen naar normen van niet-publiekrechtelijke aard de toelichting bij aanwijzing 3.48. Bij dwingende verwijzing naar normen van niet-publiekrechtelijke aard dienen die normen kosteloos ter beschikking te worden gesteld. Zie artikel 14a van de Bekendmakingswet. In artikel 14a, vierde lid, is ook bepaald dat indien de mededeling van de normen niet is toegestaan en de kenbaarheid niet kan worden verzekerd – bijvoorbeeld omdat het auteursrecht daaraan in de weg staat en over de toegankelijkheid (nog) geen overeenkomst is gesloten of niet kan worden gesloten – eenieder op verzoek kosteloos inzage in deze normen wordt verleend, ten minste zolang deze normen van toepassing zijn verklaard. Als een dergelijke norm alleen via terinzagelegging kenbaar kan worden gemaakt, zal steeds een afweging dienen te worden gemaakt of tot het opleggen van die norm moet worden overgegaan. Zie ook de brief van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 30 juni 2011, (Kamerstukken II 2010/11, 27 406, nr. 193). Kosteloze terbeschikkingstelling is niet vereist indien de overheid zelf de enige normadressaat is.
Indien het wenselijk is aan een regeling een inhoudsopgave toe te voegen, wordt deze bij de bekendmaking van de regeling achter de regeling opgenomen.
Toelichting
De inhoudsopgave is geen onderdeel van de regeling en wordt daarom achter de regeling (d.w.z. na de ondertekening van de regeling) opgenomen. Bij de indiening van een wetsvoorstel kan een inhoudsopgave afzonderlijk bij de stukken worden gevoegd. Bij andere regelingen kan dit bij de publicatie van de regeling in het Staatsblad of de Staatscourant.
Bij de publicatie van de integrale tekst van een gewijzigde regeling wordt tevens een herziene inhoudsopgave opgenomen.
1 Voor het slotformulier van een (rijks)wet wordt het volgende model gebruikt: Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
2 Voor het slotformulier van een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt: Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.
3 Voor het slotformulier van een koninklijk (rijks)besluit van regelende aard, niet zijnde een algemene maatregel van bestuur, en van een koninklijk (rijks)besluit betreffende de inwerkingtreding van een (rijks)wet of een algemene maatregel van (rijks)bestuur wordt het volgende model gebruikt: Onze Minister van/voor ... is belast met de uitvoering van dit besluit dat [met de daarbij behorende nota van toelichting] in het Staatsblad [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] zal worden geplaatst.
4 Voor het slotformulier van een ministeriële regeling wordt het volgende model gebruikt: Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant [, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten] worden geplaatst.
5 Voor het slotformulier van een beleidsregel wordt het volgende model gebruikt: Deze beleidsregel zal [met de toelichting] in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien een bij een regeling behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt in de modellen voor het slotformulier, genoemd in aanwijzing 4.31, na ‘geplaatst’ telkens ingevoegd: , met uitzondering van [de] bijlage[n] ..., die [zal / zullen] worden geplaatst op het in artikel ... vermelde internetadres.
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op het slotformulier bij gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet: bekendmaking door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant. Hierbij kan worden gedacht aan de website van (een dienstonderdeel van) de rijksoverheid. Zie aanwijzing 5.76. In dat geval wordt in het slotformulier verwezen naar de bepaling in de regeling waar het afwijkende bekendmakingsadres is gegeven.
Beschikbaar blijven. Het is ook voor met toepassing van artikel 7 van de Bekendmakingswet bekendgemaakte bijlagen van belang dat deze elektronisch beschikbaar blijven op de bij de bekendmaking aangegeven wijze. Indien de elektronische beschikbaarheid op de bij de bekendmaking aangegeven wijze niet langer is verzekerd, voorziet het desbetreffende bestuursorgaan daarom in een vervangende wijze (bijvoorbeeld een ander webadres) die door middel van een wijziging van het in de regeling aangegeven internetadres wordt bekendgemaakt. Zie artikel 4.1 van het Besluit elektronische publicaties. Zie ook aanwijzing 4.41.
1 Een regeling wordt ondertekend door één bewindspersoon, tenzij de voordracht tot het voorstel van wet of de algemene maatregel van bestuur is gedaan ‘mede namens’ een of meer andere bewindspersonen of er bijzondere redenen zijn om de gelijkwaardigheid van de verantwoordelijkheid van de verschillende bewindspersonen in de ondertekening tot uitdrukking te brengen.
2 Indien de uitvoering van de regeling geheel of in belangrijke mate geschiedt door ambtenaren die ressorteren onder een andere bewindspersoon dan de ondertekenaar of ondertekenaars krachtens het eerste lid, wordt medeondertekening door die andere bewindspersoon overwogen. Hetzelfde geldt indien de regeling deel gaat uitmaken van een regeling die onder een andere bewindspersoon ressorteert.
1 De ondertekening van een wet door een bewindspersoon brengt niet mee dat die bewindspersoon ook alle uitvoeringsregelingen mede moet voordragen en ondertekenen.
2 Het niet ondertekenen van een wet door een bewindspersoon sluit niet uit dat die bewindspersoon als daartoe aanleiding is een of meer uitvoeringsregelingen (mede) ondertekent.
Bij een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt volstaan met voordracht en ondertekening door één bewindspersoon.
1 Ondertekeningen worden geplaatst in deze volgorde: a. de Minister-President; b. de in het bijzonder bij de zaak betrokken minister(s) of staatssecretaris(sen), naar de mate van hun betrokkenheid.
2 Bij gelijke mate van betrokkenheid is de volgorde van de hoofdstukken van de rijksbegroting bepalend.
3 De Vice-Minister-President wordt alleen als zodanig aangeduid indien hij ondertekent als vervanger van de Minister-President. Hij wordt dan als eerste vermeld.
De Minister-President tekent als ‘De Minister-President, Minister van Algemene Zaken’, tenzij hij uitsluitend tekent als hoofd van zijn ministerie. In dat geval tekent hij als ‘De Minister van Algemene Zaken’.
Toelichting
De Minister-President kan op twee wijzen belast zijn met de behartiging van een belang dat een regeling beoogt te dienen: uitsluitend als hoofd van het Ministerie van Algemene Zaken (het gaat dan met name om interne regelingen) of anderszins (in de regel externe regelingen). Ook in dat laatste geval moet het gaan om een regeling voor de voorbereiding en inhoud waarvan de Minister-President in het bijzonder (mede)verantwoordelijk is (vgl. aanwijzing 4.33, eerste lid). Voorbeelden zijn wijzigingen van de Grondwet, de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en aanwijzingen voor de rijksdienst.
Een minister die een andere minister bij tijdelijke afwezigheid vervangt, tekent als ‘De Minister van/voor ... a.i.’.
Toelichting
In de vervangingsregeling in geval van tijdelijke afwezigheid van een van de ministers, zoals deze bij het aantreden van elk nieuw kabinet bij koninklijk besluit pleegt te worden vastgesteld, is bepaald dat een minister bij tijdelijke afwezigheid wordt vervangen door de staatssecretaris van hetzelfde ministerie, voor zover en voor zolang de minister in de gelegenheid is om de staatssecretaris aanwijzingen dienaangaande te geven. De staatssecretaris tekent ook in dat geval als staatssecretaris, en dus niet als minister ad interim. Ook in het opschrift en de aanhef van de regeling wordt de staatssecretaris dan genoemd. Deze aanwijzing heeft derhalve alleen betrekking op die gevallen waarin een minister niet wordt vervangen door een staatssecretaris maar door een andere minister. Dat gebeurt bij gelijktijdige afwezigheid van een minister en de staatssecretaris(sen) van hetzelfde ministerie, in het geval er geen staatssecretaris van hetzelfde ministerie is en indien een minister door ziekte of om een andere reden niet in de gelegenheid is zijn taak uit te oefenen en aanwijzingen aan de staatssecretaris te geven.
De aanduiding ‘a.i.’ blijft achterwege in de aanhef van een koninklijk besluit dat is voorgedragen door een minister ad interim en in de aanhef van een ministeriële regeling die door een minister ad interim wordt getekend. De ondertekening van de voordracht geschiedt echter wel met de aanduiding ‘a.i.’.
Bij afwezigheid van een staatssecretaris tekent de minister. Bij een ministeriële regeling wordt in dat geval, naast de aanduiding van de ondertekening, ook de aanduiding van de bewindspersoon in de aanhef aangepast. Bij een koninklijk besluit wordt de aanduiding van de bewindspersoon in de aanhef slechts aangepast indien de afwezigheid van de staatssecretaris heeft geleid tot ondertekening van het nader rapport door de minister, dus niet in het geval de minister het besluit slechts contrasigneert in plaats van de staatssecretaris.
1 Bij een wijziging in de portefeuilleverdeling, een naamswijziging van een ministerie of het vervallen van een functie in het kabinet, wordt de aanduiding van de ondertekenende bewindspersoon in de tijdens de parlementaire behandeling van een voorstel van wet in te dienen stukken en in de vastgestelde wet dienovereenkomstig aangepast.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een algemene maatregel van bestuur.
1 De tijdens de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel door de regering in te dienen stukken worden bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon.
2 De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in de tekst tot uitdrukking gebracht.
Bij een wijziging in een regeling van niet uit tekst bestaande informatie die niet kan worden geconsolideerd of bij een wijziging van een bij een regeling behorende bijlage die is bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, wordt die informatie of bijlage opnieuw vastgesteld.
Toelichting
In artikel 7, eerste lid, van de Bekendmakingswet is bepaald dat een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel uit een tekst bestaat en tevens informatie kan bevatten die niet uit tekst bestaat, mits deze informatie in begrijpelijke vorm kan worden bekendgemaakt. Daarbij valt te denken aan kaarten of afbeeldingen. Verder voorziet artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet in bekendmaking van een bij een regeling behorende bijlage door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant in verband met de aard of omvang daarvan (zie aanwijzing 4.28). Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor de publicatiebladen geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn. Artikel 19, eerste lid, van de Bekendmakingswet verplicht er echter ook toe om dergelijke informatie of bijlagen in geconsolideerde vorm beschikbaar te stellen. Om te kunnen garanderen dat na wijziging van de informatie of bijlage een geconsolideerde versie daarvan beschikbaar is, schrijft de Bekendmakingswet voor dat zo’n wijziging de vorm moet hebben van een integrale nieuwe vaststelling.
1 Een wetsvoorstel, een algemene maatregel van bestuur of ander koninklijk besluit van regelende aard en een ministeriële regeling worden voorzien van een toelichting.
2 De toelichting bij een wetsvoorstel wordt aangeduid als ‘memorie van toelichting’, de toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard als ‘nota van toelichting’.
3 Een koninklijk besluit tot inwerkingtreding van een regeling wordt alleen van een nota van toelichting voorzien indien dit gelet op de inhoud ervan nodig is.
De toelichting bevat een verantwoording van de regeling. Daarbij komen, voor zover van toepassing, in ieder geval de volgende punten aan de orde
de doelen die met de regeling worden nagestreefd of, in het geval van een implementatieregeling, de aanleiding en achtergronden van de te implementeren internationale regeling of bindende EU-rechtshandeling;
de noodzaak tot overheidsinterventie, mede bezien in relatie tot het zelfregulerende vermogen in de betrokken sector of sectoren, alsmede de overwogen varianten en de te verwachten neveneffecten van de regeling;
de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling, zoals de keuze van het handhavingsstelsel en de mate waarin te verwachten is dat de toepassing van de regeling aanleiding geeft tot conflicten;
de gevolgen voor de informatievoorziening van de rijksoverheid en voor de verwerking van persoonsgegevens;
de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen en de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan rechtsbescherming;
de wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen van degenen die geraakt worden door de regeling;
de verenigbaarheid met hoger recht en de verhouding tot andere regelingen;
de wijze waarop recht is gedaan aan het primaat van de wetgever, alsmede een motivering van de keuze van de overheidslaag waaraan bevoegdheden zijn toegedeeld;
de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de wijze waarop rekening is gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden waardoor die eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland;
het overgangsrecht en de inwerkingtreding van de regeling;
de inbreng van externe partijen bij de totstandkoming van de regeling, alsmede de bij de totstandkoming van de regeling voorgeschreven bijzondere procedures;
de voorgenomen evaluatie van de regeling;
overige aspecten van de regeling waarop kabinetsbeleid inzake regelgeving toepasselijk is.
Toelichting
Onderdelen a en b. In de toelichting bij een regeling die uitvoering geeft aan nationaal beleid wordt, na een korte inleiding waarin de inhoud en de aanleiding van de regeling worden beschreven, ingegaan op de doelen die met de regeling worden nagestreefd en de noodzaak om daartoe nieuwe regelgeving tot stand te brengen of bestaande regelgeving te wijzigen. Zie in dit verband ook de aanwijzingen 2.2 (noodzaak van regelgeving), 2.3 (voorafgaand onderzoek), 2.5 (zelfregulering) en 2.9 (neveneffecten).
In de toelichting bij een implementatieregeling worden na een korte inleiding de aanleiding en achtergronden van de te implementeren internationale of Europese regeling geschetst. Zie voor de inleiding van de toelichting bij een EU-implementatieregeling aanwijzing 9.11. In de toelichting bij een EU-implementatieregeling moet ook een transponeringstabel worden opgenomen: zie aanwijzing 9.12. In de transponeringstabel kan – tenzij een uitgebreidere toelichting nodig is – ook worden aangegeven welke bepalingen uit een bindende EU-rechtshandeling naar hun aard geen implementatie behoeven (zie aanwijzing 9.6) of reeds door middel van bestaand recht zijn geïmplementeerd (zie aanwijzing 9.13).
Zie voor de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag aanwijzing 8.13.
Onderdelen c en d. Bij de uitvoerings- en handhavingsaspecten van de regeling dient onder meer aandacht te worden besteed aan het bestuursorgaan of overheidsonderdeel dat met de uitvoering of de handhaving van de regeling zal zijn belast. Zie met betrekking tot de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regeling ook de aanwijzingen 2.7 en 2.8. Zie voorts paragraaf 5.4 en meer specifiek de aanwijzingen 5.8 tot en met 5.11, indien in de regeling taken worden opgedragen aan een zelfstandig bestuursorgaan.
In de toelichting dient in voorkomend geval ook te worden ingegaan op de gevolgen die de regeling heeft voor de informatievoorziening van de rijksoverheid of de verwerking van persoonsgegevens: zie de aanwijzingen 5.32 en 5.33. Aanwijzing 5.32 schrijft voor dat de gevolgen voor de informatievoorziening van de rijksoverheid worden toegelicht in een aparte informatieparagraaf. Gelet op het belang van de bescherming van persoonsgegevens ligt het in de rede om dat onderwerp eveneens in een aparte paragraaf te behandelen.
Verder dient in de toelichting aandacht te worden besteed aan de eventuele instelling van een adviescollege (aanwijzing 5.6) of het opnemen van een hardheidsclausule in de regeling (aanwijzing 5.25).
Onderdeel e. Dit onderdeel houdt verband met aanwijzing 2.10, eerste lid dat moet worden gestreefd naar zo beperkt mogelijke lasten voor de maatschappij en voor de overheid. Zie in dit verband ook de aanwijzingen 7.5 (bedrijfseffectentoets) en 7.6 (toetsing gevolgen voor decentrale overheden). Zie met betrekking tot EU-implementatieregelingen ook aanwijzing 9.5 (lastenluwe implementatie).
Ook moet worden aangegeven of en in hoeverre de belasting van de met rechtspraak belaste instanties in verband met de handhaving van de regeling en de rechtsbescherming ter zake van de toepassing wordt beïnvloed.
Zie voor de financiële gevolgen van de regeling voor de rijksoverheid of voor decentrale overheden de aanwijzingen 4.45 en 4.46. Voor een wetsvoorstel geldt dat indien er geen financiële gevolgen zijn, dit ook uitdrukkelijk in de memorie van toelichting moet worden vermeld (aanwijzing 4.45, vijfde lid). Zie voor de toetsing op regeldruk aanwijzing 7.5a.
Onderdeel f. Dit onderdeel houdt verband met aanwijzing 2.10, tweede lid, dat bij de keuzes met betrekking tot vorm en inhoud van een regeling ook rekening wordt gehouden met het doenvermogen van degenen die erdoor worden geraakt.
Onderdeel g. Zie voor de verenigbaarheid met hoger recht in algemene zin aanwijzing 2.15. Zie voor grondwettelijke delegatieverboden aanwijzing 2.20. Zie voorts de aanwijzingen 5.28 (motivering niet opnemen wederzijdse erkenningsclausule) en 5.29 (motivering toepassing conflictregel uit de Dienstenrichtlijn).
Bij de verhouding tot andere regelingen valt onder meer te denken aan de verhouding tot algemene wetten. Zie aanwijzing 2.46. Bij het tot stand brengen van een nieuwe regeling of het wijzigen of intrekken van een bestaande regeling dient ook aandacht te worden besteed aan de gevolgen die dat heeft voor andere regelingen. Zie in dat verband ook de aanwijzingen 6.8 en 6.24 met betrekking tot de gevolgen voor lagere regelingen.
Bij de verenigbaarheid met hoger recht en de verhouding tot andere regelingen moet niet alleen rekening worden gehouden met bestaand recht, maar ook met eventuele in voorbereiding zijnde regelingen. Een bijzonder aandachtspunt is daarbij de mogelijke samenloop van wetsvoorstellen: zie paragraaf 5.15.
Onderdeel h. Zie voor het primaat van de wetgever en de delegatie van regelgevende bevoegdheid de aanwijzingen 2.19, 2.21, 2.22, 2.24 en – met betrekking tot EU-implementatieregelingen – 9.8.
Zie voor de keuze van de overheidslaag waaraan bevoegdheden worden toegedeeld aanwijzing 2.13. Zie ook de aanwijzingen 5.23 (toekenning van bevoegdheden aan decentrale overheden) en 5.24 (interbestuurlijk toezicht).
Onderdeel i. Zie ook aanwijzing 2.16.
Onderdeel j. Zie voor overgangsrecht in algemene zin paragraaf 5.14 en voor inwerkingtreding paragraaf 4.4. Met betrekking tot de inwerkingtreding wordt in ieder geval aandacht besteed aan de keuze voor een bepaald tijdstip van inwerkingtreding in relatie tot de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn (aanwijzing 4.17). Afwijking van de vaste verandermomenten of van de minimuminvoeringstermijn dient steeds te worden gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor het gebruik van een bijzondere inwerkingtredingsbepaling (aanwijzing 4.22), en het verlenen van terugwerkende kracht (aanwijzing 5.63).
Onderdeel k. In de toelichting moet ook de inbreng van externe partijen bij de totstandkoming van de regeling worden besproken. Hetzelfde geldt voor bij de totstandkoming van de regeling gevolgde bijzondere procedures. Zie voor beide aspecten aanwijzing 4.44.
Bij gevolgde bijzondere procedures dient ook te worden gedacht aan notificatieprocedures, voor zover die niet al in het kader van de verenigbaarheid met hoger recht aan de orde zijn geweest. Zie ook paragraaf 7.2.
Onderdeel l. Indien de regeling een evaluatiebepaling bevat, wordt in de toelichting ook aandacht besteed aan de voorgenomen evaluatie van de regeling. In de toelichting bij een experimenteerregeling dient in ieder geval te worden aangegeven hoe die regeling zal worden geëvalueerd. Zie aanwijzing 2.42.
Onderdeel m. Dit onderdeel correspondeert met aanwijzing 2.12 inzake overige kwaliteitseisen en ziet op de situatie dat de regeling een element bevat waar specifiek kabinetsbeleid voor geldt (denk onder meer aan subsidieverstrekking, het verrichten van marktactiviteiten en privatisering of verzelfstandiging). In zo’n geval dient in de toelichting ingegaan te worden op de verhouding tussen de regeling en het beleid ter zake, met name indien van dat beleid zou worden afgeweken.
Zie voor overige aspecten die in de toelichting aan de orde kunnen zijn ook de aanwijzingen 2.27 (afspraken over de voordracht en ondertekening van een algemene maatregel van bestuur), 3.24 (toelichting bij ‘Onze Minister die het mede aangaat’), 4.24 (suggestie voor afkorting van citeertitel), 4.32 (vermelding adres waar bijlagen bij de regeling ter inzage zijn gelegd), 5.59 (in een invoeringswet opgenomen overgangsrecht) en 6.21 (vergelijkend overzicht van oude en nieuwe bepalingen bij een complexe wijzigingsregeling).
1 In de toelichting wordt, voor zover mogelijk en relevant voor de inhoud van de regeling, vermeld welke externe partijen inbreng hebben geleverd bij de totstandkoming van de regeling, op welke wijze dat is gebeurd, wat de strekking van de inbreng was en wat er met de inbreng is gedaan.
2 Indien voor de totstandkoming van een regeling een bijzondere procedure wettelijk is voorgeschreven, wordt aan het volgen daarvan in de toelichting aandacht geschonken.
3 Indien op hoofdpunten in een regeling wordt afgeweken van een krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt de reden hiervan in de toelichting weergegeven.
1 Indien een wetsvoorstel financiële gevolgen heeft, wordt in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting of in een bijlage bij de memorie van toelichting aangegeven in welke omvang daaraan hogere of lagere uitgaven of ontvangsten verbonden zullen zijn.
2 In het in het eerste lid bedoelde overzicht wordt een onderscheid gemaakt tussen gevolgen voor het Rijk en gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren.
3 In de memorie van toelichting wordt tevens aangegeven of en zo ja, in hoeverre de financiële gevolgen begrepen zijn in de laatst ingediende begroting of in de ramingen voor de vier op het begrotingsjaar volgende jaren.
4 Indien op grond van compenserende maatregelen per saldo geen budgettair effect te verwachten valt, worden in de memorie van toelichting ook de bruto financiële gevolgen van een wetsvoorstel vermeld.
5 Indien een wetsvoorstel geen financiële gevolgen heeft, blijkt dit uitdrukkelijk uit de memorie van toelichting.
6 Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor het Rijk, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.
1 Indien een wetsvoorstel leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt dit aangegeven in een afzonderlijk onderdeel van de memorie van toelichting. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de uitvoering van artikel 105, derde lid, van de Provinciewet, artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet of artikel 136, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, respectievelijk artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet of artikel 87 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2 Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de in het eerste lid bedoelde financiële gevolgen kunnen worden opgevangen.
3 Indien een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling leidt tot financiële gevolgen voor decentrale overheden, wordt daaraan zo nodig in de (nota van) toelichting aandacht geschonken.
Een toelichting wordt niet gebruikt voor het stellen van nadere regels.
Toelichting
De toelichting geeft een motivering en uitleg van de regeling maar mag geen aanvullende normen bevatten. De te stellen normen worden in de regeling zelf vastgelegd. Evenmin mag een toelichting gebruikt worden voor een nadere omlijning van in de regeling voorkomende termen of begrippen. Dit neemt niet weg dat het in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn een nadere verklaring te geven van in de regeling voorkomende termen of begrippen.
1 Een toelichting wordt verdeeld in een algemeen en een artikelsgewijs gedeelte, indien dit de toegankelijkheid bevordert.
2 Onderdelen van een toelichting worden genummerd, indien dit met het oog op verwijzing wenselijk is.
1 In een toelichting wordt heldere en bondige taal gebruikt en een logische indeling gevolgd.
2 Bij het formuleren van een nota van toelichting bij een algemene maatregel van bestuur of een ander koninklijk besluit van regelende aard, of een toelichting bij een ministeriële regeling of een beleidsregel wordt ervan uitgegaan dat de betrokken regeling al is vastgesteld.
3 De paragrafen 3.1, 3.3 en 3.4 van deze aanwijzingen zijn voor de formulering van een toelichting van overeenkomstige toepassing, voor zover zij verenigbaar zijn met de aard van een toelichting.
1 Verwijzing naar artikelen of onderdelen van regelingen die in de toelichting met een afkorting of andere verkorte aanduiding worden aangehaald, geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden: – artikel 10, tweede lid, Wob; – artikel 7, tweede lid, Sr; – titel 5.2 Awb; – artikel 21 Arbowet.
2 Indien in de toelichting gebruik wordt gemaakt van een afkorting of verkorte aanduiding voor het aanhalen van een regeling, wordt daarbij bij voorkeur het hoofdlettergebruik in de citeertitel van de aangehaalde regeling gevolgd.
Verwijzing in een toelichting naar andere stukken geschiedt door een nauwkeurige aanduiding van de vindplaats.
Toelichting
Zie ook de aanwijzingen 3.37 tot en met 3.46 en 3.50. Bij verwijzing naar stukken die in het L-blad van het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd, is het niet nodig de vindplaats te vermelden, zie aanwijzing 3.42.
1 Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging, een nota van toelichting, een toelichting op een ministeriële regeling en een toelichting op een beleidsregel worden ondertekend.
2 Een memorie van toelichting, een toelichting op een nota van wijziging die aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt voorgelegd en een nota van toelichting worden ondertekend na de behandeling van het betrokken voorstel in de ministerraad en voordat het aan het Kabinet van de Koning wordt toegezonden voor advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.
1 Bij de voordracht tot een voorstel van wet of een algemene maatregel van bestuur ‘mede namens’ andere bewindspersonen wordt de memorie of nota van toelichting alleen door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon ondertekend.
2 De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
1 Termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd.
2 In een begripsbepaling wordt aan een term geen sterk van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis gegeven.
3 Het gebruik van begripsbepalingen voor inhoudelijke normering wordt vermeden.
Herhaling in een regeling van omvangrijke omschrijvingen wordt vermeden door in de begripsbepalingen een verkorte aanduiding op te nemen.
Toelichting
Begrippen die slechts één keer voorkomen in een regeling worden niet in de begripsbepalingen gedefinieerd.
1 Voor begripsbepalingen wordt de volgende formulering gebruikt: In [deze wet / dit besluit / deze regeling / deze beleidsregel] [en de daarop berustende bepalingen] wordt [, tenzij anders bepaald,] verstaan onder
2 De term ‘verstaan’ wordt gebruikt, indien een begrip in algemene zin wordt gedefinieerd.
3 De term ‘mede verstaan’ wordt gebruikt, indien aan de, al dan niet gedefinieerde, betekenis van een begrip uitbreiding wordt gegeven.
4 In een begripsbepaling worden geen aanhalingstekens gebruikt.
1 Indien een regeling van toepassing is of mede van toepassing is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.
2 De bepaling die de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt, wordt bij voorkeur in de inleidende bepalingen van de regeling opgenomen.
3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een regeling van het Koninkrijk betreft of indien de toepasselijkheid van een regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba reeds onmiskenbaar uit een ander wettelijk voorschrift volgt.
4 In een regeling die uitsluitend van toepassing is in het Europese deel van Nederland, behoeft geen bepaling te worden opgenomen die de werkingssfeer van de regeling uitdrukkelijk tot dat deel van Nederland beperkt.
1 In een regeling die zowel in het Europese deel van Nederland als in Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, worden, indien dat de toegankelijkheid van de regeling ten goede komt, bepalingen die specifiek betrekking hebben op de toepassing van de regeling in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een apart hoofdstuk of een aparte paragraaf opgenomen.
2 Het aparte hoofdstuk of de aparte paragraaf voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt opgenomen aan het einde van de regeling, voor de slotartikelen.
1 In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld of een adviestaak wordt opgedragen, wordt gemotiveerd waarom onafhankelijke advisering op het desbetreffende terrein noodzakelijk wordt geacht.
2 In de toelichting bij een regeling waarbij een adviescollege wordt ingesteld, wordt gemotiveerd waarom de adviestaak niet aan een bestaand adviescollege wordt opgedragen.
In een regeling wordt niet voorzien in de verplichting advies te vragen over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.
In de toelichting bij een regeling waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld of een taak aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt opgedragen, wordt de noodzaak daartoe gemotiveerd.
Toelichting
In artikel 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn de (restrictief geïnterpreteerde) gevallen opgenomen waarin een zelfstandig bestuursorgaan kan worden ingesteld, of nadien met een andere taak, inhoudende de uitoefening van openbaar gezag, kan worden belast. Het voldoen aan een of meer van de in artikel 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen opgenomen gronden laat onverlet dat terughoudend met de instelling van een zelfstandig bestuursorgaan of het opdragen van taken aan een bestaand zelfstandig bestuursorgaan moet worden omgegaan.
Bij het opstellen van de motivering kunnen de volgende vragen als leidraad worden gebruikt
waarom moet de overheid de taak behartigen of blijven behartigen?
waarom is toekenning van de taak aan provincie- en gemeentebesturen of aan de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet aangewezen?
waarom wordt de taak niet onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid uitgeoefend?
welke afweging is er gemaakt inzake de kosten, bestuurlijke lasten en doelmatigheid in vergelijking met het toekennen of blijven toekennen van de taak aan een minister?
hoe is de taakuitoefening afgestemd op de taken van andere bestuursorganen op rijks-, provinciaal of gemeentelijk niveau of op het niveau van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba?
1 Een zelfstandig bestuursorgaan wordt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet ingesteld.
2 Het toekennen van openbaar gezag geschiedt bij of in bijzondere gevallen krachtens de wet.
3 Voor de verstrekking van subsidies kan met inachtneming van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht worden afgeweken van het tweede lid.
1 Regelgevende bevoegdheden worden aan een zelfstandig bestuursorgaan uitsluitend toegekend: a. voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft; of b. in bijzondere gevallen mits voorzien is in de bevoegdheid tot goedkeuring van de regeling door een minister.
2 Aan een zelfstandig bestuursorgaan wordt geen adviestaak opgedragen ten aanzien van algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk.
1 Indien het toekennen van rechtspersoonlijkheid wenselijk is, wordt in de wet waarbij een zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld het volgende model gebruikt: 1. Er is een [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt]. 2. [naam rechtspersoon] is gevestigd te ... . 3. [naam rechtspersoon] bezit rechtspersoonlijkheid.
2 In de instellingswet wordt in dat geval, indien mogelijk, duidelijk onderscheid gemaakt tussen het zelfstandig bestuursorgaan en de rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt. Daarbij wordt het volgende model gebruikt: 1. Aan het hoofd van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] staat [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan]. 2. [aanduiding zelfstandig bestuursorgaan] heeft tot taak ... / de volgende taken: ...
3 In de instellingswet wordt in dat geval de wijze van bekostiging van de rechtspersoon geregeld.
1 De inrichting van het zelfstandig bestuursorgaan, alsmede de termijn waarvoor de leden van het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd, wordt in de instellingswet geregeld.
2 Indien het zelfstandig bestuursorgaan wordt ingesteld omdat participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht (artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), wordt in de instellingswet bepaald dat personen afkomstig van maatschappelijke organisaties in het zelfstandig bestuursorgaan worden benoemd. Zo mogelijk wordt daarbij bepaald dat voor elk lid een plaatsvervangend lid wordt benoemd.
1 Indien binnen een organisatie of rechtspersoon naast het publiekrechtelijke zelfstandig bestuursorgaan nog andere organen of nevenorganen worden ingesteld, worden in de instellingswet de onderlinge verhoudingen en bevoegdheden van deze organen vastgelegd.
2 Aanwijzing 5.12, eerste lid, is op deze andere organen en nevenorganen van overeenkomstige toepassing.
Aan een minister wordt niet de bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te geven aan een zelfstandig bestuursorgaan.
Toelichting
Indien de minister bevoegd is bijzondere aanwijzingen ofwel aanwijzingen voor een concreet geval te geven, kan niet meer van ‘zelfstandigheid’ gesproken worden en resteert er materieel niets anders dan een aan de minister ondergeschikt orgaan met een bij de wet geattribueerde bevoegdheid.
1 In de instellingswet wordt in voorkomende gevallen bepaald hoe de overgang van personeel, rechten, bezittingen en verplichtingen van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden op een andere rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, wordt geregeld.
2 Hiervoor worden de volgende modellen gebruikt: (Artikel ...) 1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn de personeelsleden van [naam dienstonderdeel], van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt]. 2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel]. 3. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van [naam dienstonderdeel], en van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt] met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij [naam dienstonderdeel]. (Artikel ...) 1. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan [naam dienstonderdeel] worden toegerekend, worden toebedeeld aan [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt]. 2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op [naam dienst] tegen een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde. 3. Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
1 Indien aan de orde, wordt bij wet bepaald op welke wijze de op het moment van instelling van een zelfstandig bestuursorgaan dat geen onderdeel uitmaakt van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden, lopende wettelijke procedures en rechtsgedingen, respectievelijk onderzoeken door de Nationale ombudsman, worden afgehandeld.
2 Hiervoor wordt het volgende model gebruikt: 1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij [naam dienstonderdeel] is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet [naam rechtspersoon waarvan het zelfstandig bestuursorgaan deel uitmaakt, dan wel zelfstandig bestuursorgaan] in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister. 2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan [naam dienstonderdeel], treedt [naam zelfstandig bestuursorgaan] op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister.
1 Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor een categorie van gevallen, wordt de term ‘vrijstelling’ gebruikt.
2 Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term ‘ontheffing’ gebruikt.
3 Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term ‘vergunning’ gebruikt.
4 Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet, wordt de term ‘erkenning’ gebruikt.
1 Voor de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term ‘goedkeuring’ gebruikt.
2 Voor de voor het nemen van een besluit door een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan wordt de term ‘verklaring van geen bezwaar’ gebruikt.
Indien de bevoegdheid wordt toegekend om bij het verlenen van een vrijstelling, ontheffing of vergunning een begrenzing naar tijd of plaats dan wel anderszins aan te brengen, wordt de term ‘beperking’ gebruikt.
Toelichting
Naast begrenzingen naar tijd of plaats kan worden gedacht aan een begrenzing ten aanzien van het aantal te verrichten handelingen of een begrenzing in de aard van de te verrichten handelingen.
1 Indien wordt beoogd de verplichtingen van een belanghebbende die hem bij het geven van een beschikking zijn opgelegd, door middel van straffen te handhaven, wordt deze strafbaarstelling uitdrukkelijk geregeld.
2 Voor dergelijke en andere bij het geven van een beschikking op te leggen verplichtingen wordt de term ‘voorschriften’ gebruikt.
1 Indien het nodig is een op een regeling berustende beschikking te kunnen intrekken of wijzigen, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.
2 De gronden voor het intrekken of wijzigen van een beschikking worden in de regeling gespecificeerd.
In een wet wordt geen delegatie van bestuursbevoegdheden aan ondergeschikten mogelijk gemaakt.
Toelichting
Deze aanwijzing ziet alleen op delegatie van bestuursbevoegdheden via een wet in formele zin. Voor wetgeving in materiële zin geldt artikel 10:14 Awb.
1 Indien bevoegdheden aan gemeenten, provincies of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden toegekend: a. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, het vaststellen van de kaders van het beleid en het nemen van een besluit dat een sterke democratische legitimatie nodig heeft, in beginsel toegekend aan de gemeenteraad, provinciale staten of de eilandsraad; b. wordt de bevoegdheid tot het vaststellen of uitvoeren van beleid en het vaststellen van besluiten, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, in beginsel toegekend aan het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het bestuurscollege.
2 De termen ‘gemeentebestuur’, ‘provinciebestuur’ en ‘eilandsbestuur’ worden vermeden. De term ‘gemeente’ of ‘provincie’ wordt uitsluitend gehanteerd als aanduiding van de rechtspersoon gemeente of provincie of het gebied van de gemeente of provincie.
3 De term ‘openbare lichamen’ als aanduiding van de rechtspersonen openbaar lichaam Bonaire, openbaar lichaam Sint Eustatius of openbaar lichaam Saba of als aanduiding van het gebied van die openbare lichamen, wordt uitsluitend gebruikt, indien uit de regeling volgt dat de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoeld zijn.
Indien de uitvoering van een wet wordt opgedragen aan organen van gemeenten of provincies, wordt in die wet niet voorzien in toezicht op de uitvoering.
Toelichting
In 2007 bracht de Commissie Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen het rapport ‘Van specifiek naar generiek’ uit (Kamerstukken II 2007/08, 31200 VII, nr. 8 en bijlage). De kabinetsreactie (Kamerstukken II 2007/08, 31200 VII, nr. 61) is uitgevoerd met de Wet revitalisering generiek toezicht, het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie, het Beleidskader schorsing en vernietiging (Kamerstukken II 2009/10, 32389, nr. 5 en bijlage) en het mede door de provinciebesturen vastgestelde Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing (Kamerstukken II 2010/11, 32500 VII, nr. 85 en bijlage).
Kern van het beleid is dat in wetten waarin aan organen van provincie of gemeenten taken in medebewind worden gegeven geen specifieke instrumenten voor interbestuurlijk toezicht worden opgenomen, maar dat, ingeval een interventie noodzakelijk is, wordt volstaan met de generieke instrumenten die zijn geregeld in de Provinciewet en de Gemeentewet, te weten: indeplaatsstelling (indien een wettelijke taak niet of niet tijdig wordt uitgevoerd) of vernietiging door de Kroon (bij besluiten in strijd met het recht of het algemeen belang). Zie de artikelen 121 e.v. en 261 e.v. van de Provinciewet en de artikelen 124 e.v. en 268 e.v. van de Gemeentewet. Uitgangspunt daarbij is dat het interbestuurlijk toezicht op gemeenten berust bij het provinciebestuur en het toezicht op provincies bij de vakminister(s). Indien het provinciebestuur geen taak of expertise op een beleidsterrein heeft, kan het interbestuurlijk toezicht worden belegd bij de vakminister(s) (artikel 124b en bijlage van de Gemeentewet).
Dit beleid heeft geen betrekking op waterschappen, noch op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Toezichtinformatie. Met de wettelijke basis die door de Wet revitalisering generiek toezicht in de Provinciewet (artikel 121f) en de Gemeentewet (artikel 124h) is opgenomen, is het niet langer nodig een aparte wettelijke grondslag in bijzondere wetten op te nemen. De bescherming van decentrale overheden die uitging van de noodzaak om per aangelegenheid een formeelwettelijke basis te creëren, wordt in het Besluit verstrekking systematische toezichtinformatie gecompenseerd door algemene regels te stellen over het verstrekken van toezichtinformatie, zodat enerzijds adequaat toezicht mogelijk is, maar anderzijds decentrale overheden niet worden geconfronteerd met informatieverplichtingen die onevenredige inspanningen vergen of voor een ander doel dan toezicht worden gebruikt.
Waterschappen. Er zijn geen vergelijkbare generieke regels voor het toezicht op waterschappen. In sommige gevallen is het gewenst om het interbestuurlijk toezicht op waterschappen te uniformeren met het toezicht op gemeenten of provincies. Een voorbeeld van het uniformeren van het toezicht op waterschappen met het toezicht op gemeenten bij zowel indeplaatsstelling door het provinciebestuur als vernietiging door de Kroon is artikel 38 van de Archiefwet 1995. Een voorbeeld van het uniformeren van het toezicht op waterschappen met het toezicht op provincies bij alleen indeplaatsstelling is artikel 17.15, tweede lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer. In een dergelijk geval worden tevens de bijlagen 1 en 2 bij de Algemene wet bestuursrecht aangevuld (zie de aanwijzingen 5.49 en 5.52), zodat de rechtsbescherming bij de toepassing op waterschappen gelijk is aan de rechtsbescherming onder de Gemeentewet en de Provinciewet.
Caribisch Nederland. Zie voor het interbestuurlijk toezicht in Caribisch Nederland hoofdstuk V van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Europeesrechtelijke verplichtingen. Indien de naleving van Europeesrechtelijke verplichtingen in het geding is en het niet mogelijk of aangewezen is de generieke toezichtinstrumenten toe te passen, kan een beroep worden gedaan op de toezichtinstrumenten van de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten.
1 In een regeling wordt een hardheidsclausule opgenomen, indien er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen.
2 Alvorens een hardheidsclausule op te nemen, wordt bezien of toepassing kan worden gegeven aan aanwijzing 2.11, tweede lid.
3 In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen voor situaties waarin het buiten toepassing laten of het afwijken van de regeling nadelige effecten heeft of in het algemeen kan hebben voor derden-belanghebbenden.
4 Indien de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, wordt dit bestendige beleid in een algemeen verbindend voorschrift neergelegd.
1 Indien in een regeling een hardheidsclausule wordt opgenomen, wordt zo concreet en nauwkeurig mogelijk aangegeven op welke onderdelen van de regeling de clausule van toepassing is.
2 Voor een hardheidsclausule wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: [aanduiding bestuursorgaan] kan artikel ... buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van [aanduiding doel of strekking van de regeling] zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Indien een publiekrechtelijke regeling voorziet in het ontstaan van enigerlei recht dat zich naar zijn aard leent voor overgang op anderen, wordt die overgang óf uitgesloten óf geregeld.
Toelichting
Indien een recht slechts aan een bepaalde (rechts)persoon toe kan komen omdat het strikt persoonsgebonden is (bijvoorbeeld rechten voortvloeiend uit inschrijving bij een school, verstrekking van een rijbewijs of inschrijving van een bedrijf in een verplicht register) is overgang vanzelfsprekend niet mogelijk. Een expliciete regeling ter zake is in dat geval niet nodig. In andere gevallen is het wenselijk dat de regeling duidelijk maakt of de rechten die voortvloeien uit de regeling of uit daarop gebaseerde beschikkingen kunnen overgaan op anderen en zo ja, hoe dat geschiedt (bijvoorbeeld artikel 5.37 van de Omgevingswet, artikel 70 van de Kernenergiewet). Indien overgang niet is uitgesloten en een regeling bovendien schaarste creëert of beoogt te creëren moet bij het opstellen van de regeling – behalve aan de overgang zelf – ook aandacht worden besteed aan de wenselijkheid van handel in de rechten, de handhaving van het stelsel en wijze van ontstaan, verdelen, tenietgaan en registratie van die rechten. Zie in dit verband voor een voorbeeld hoofdstuk V van de Meststoffenwet en overigens artikel 3:83, derde lid, BW. Zie verder het kabinetsstandpunt bij het eerste rapport van de MDW-werkgroep Verhandelbare rechten (Kamerstukken II 1999/2000, 24036, nr. 149) en het kabinetsstandpunt bij het tweede rapport ‘Ingrijpen en compenseren?’ (Kamerstukken II 2000/01, 24036, nr. 182).
Vergunningen en ontheffingen, verleend ingevolge deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar. (Artikel 2:1 van de Wet op het financieel toezicht)
Een omgevingsvergunning geldt voor een ieder die de activiteit of activiteiten verricht waarop zij betrekking heeft. (...) Als een aangevraagde of verleende omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, meldt de aanvrager of de vergunninghouder dat ten minste een maand van tevoren aan het bevoegd gezag. (Artikel 5.37, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet)
1 Voor zover een regeling die niet strekt tot implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, eisen stelt aan goederen, keuringen of diensten, wordt tevens een clausule van wederzijdse erkenning opgenomen.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op regelingen die uitsluitend gelden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
3 Voor een clausule van wederzijdse erkenning worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen: (Goederen) Met [aanduiding van de desbetreffende goederen] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld [desbetreffende goederen] die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd. (Keuringen) Met een [aanduiding van het desbetreffende document] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd. (Diensten) Met de beroepseisen ter zake van [aanduiding van de desbetreffende dienst] als bedoeld in [deze wet / dit besluit / deze regeling] worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
1 Een vergunningstelsel in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Dienstenwet: a. wordt slechts opgenomen indien dit geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter, dit noodzakelijk is wegens een dwingende reden van algemeen belang, en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn; b. wordt uitsluitend van de werking van paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht uitgezonderd wegens dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van de belangen van derden.
2 Indien de conflictregel van artikel 3 van de Dienstenrichtlijn en artikel 2, derde lid, onder a, sub 3, van de Dienstenwet op een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, wordt dit toegelicht.
3 Indien bij een vergunningstelsel als bedoeld in het eerste lid het aantal beschikbare vergunningen beperkt is, wordt een selectieprocedure ingesteld die alle waarborgen voor transparantie en onpartijdigheid biedt voor gegadigden, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.
1 In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen gesteld aan de verrichting van diensten door dienstverrichters die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu en evenredigheid.
2 In een regeling die onder de reikwijdte van artikel 15, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn valt, worden geen eisen opgenomen die niet voldoen aan de beginselen van non-discriminatie, noodzakelijkheid wegens een dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid.
Indien voor de uitvoering van een regeling gegevens van burgers, bedrijven of instellingen nodig zijn, wordt voor de omschrijving van de daaraan ten grondslag liggende begrippen zoveel mogelijk verwezen naar of aangesloten bij de definities uit de wetten inzake de basisregistraties.
Toelichting
Een belangrijk uitgangspunt bij het inrichten van (e-)overheidsdienstverlening is dat van ‘eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik’ van gegevens. De overheid vraagt van burgers, bedrijven en instellingen geen gegevens waarover zij al beschikt. Spiegelbeeld hiervan is dat burgers, bedrijven en instellingen bij bijvoorbeeld het doen van belastingaangifte of aanvraag van een vergunning, geen gegevens behoeven te verstrekken die al bij de overheid bekend zijn.
Om dit uitgangspunt in de praktijk te realiseren, is een stelsel van basisregistraties ingericht, waarin basisgegevens zijn opgenomen die nodig zijn voor het uitvoeren van verschillende (beslis)processen van overheidsorganisaties. Een deel van de gegevens in die basisregistraties is aangemerkt als ‘authentiek’, dat wil zeggen dat een overheidsorganisatie in beginsel kan uitgaan van de juistheid van het gegeven en in beginsel verplicht is dit te gebruiken bij de uitvoering van zijn taken.
De genoemde verplichting van overheidsorganisaties en het recht van burgers, bedrijven en instellingen is ten aanzien van deze authentieke gegevens expliciet vastgelegd in de verschillende wetten inzake basisregistraties. Zie bijvoorbeeld de Wet basisregistratie personen en de Wet basisregistraties adressen en gebouwen. Er zijn in totaal 11 basisregistraties. Zie voor meer informatie www.digitaleoverheid.nl.
Om het uitgangspunt van eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik zo breed mogelijk ingang te doen vinden, is nodig dat in wetgeving waarin gegevensuitwisseling met de overheid aan de orde is, zoveel mogelijk wordt verwezen naar of aangesloten bij begrippen uit de basisregistraties.
Een overzicht van de basisregistraties en de daarin opgenomen begrippen en authentieke gegevens is opgenomen in de Stelselcatalogus. Zie www.stelselcatalogus.nl .
Indien voor de uitvoering van een regeling de beschikbaarheid of uitwisseling van informatie tussen overheidsorganisaties van betekenis is, wordt in een aparte informatieparagraaf in de toelichting aandacht besteed aan de wijze waarop de informatievoorziening organisatorisch en technisch is ingericht.
Toelichting
Inrichting informatievoorziening. Het is voor een goede taakvervulling van de overheid van belang dat het ten behoeve daarvan ingerichte of in te richten systeem van informatievoorziening niet alleen doelmatig en doeltreffend is, maar ook dat het voldoet aan juridische en bestuurlijk-organisatorische randvoorwaarden. Onder juridische randvoorwaarden valt onder meer de afstemming op wetgeving die ziet op de verwerking en de bescherming van persoonsgegevens, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de wetten inzake basisregistraties. Bestuurlijk-organisatorische randvoorwaarden betreffen onder meer de verantwoordelijkheid voor de informatievoorziening en de daarvoor benodigde bevoegdheden en systemen en de samenwerking en aansluiting tussen betrokken organisaties en hun informatiesystemen.
Inhoud informatieparagraaf. De inhoud van de informatieparagraaf zal variëren naargelang de wijze waarop de informatievoorziening wordt ingericht. In het ene geval zal een volledige beschrijving van het voorgestane stelsel worden gegeven, waarin wordt ingegaan op de verschillende informatierelaties, de bevoegdheden die bestaan of worden geschapen, de wijze waarop wordt aangesloten bij bestaande informatiesystemen en dergelijke; in een ander geval kan worden volstaan met een beschrijving van de wijze waarop van een bestaand informatiesysteem gebruik gemaakt zal worden. Zie met betrekking tot de informatieparagraaf ook aanwijzing 4.43, onderdeel d.
Overleg over informatieparagraaf. Ingevolge artikel 5 van het Besluit informatievoorziening in de rijksdienst 1990 (Besluit IVR 1990) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een coördinerende bevoegdheid op het gebied van de informatievoorziening in de openbare sector. Het Besluit IVR 1990 wijst voorts verantwoordelijke ministers aan voor verschillende deelgebieden van de informatievoorziening. Met de desbetreffende ministeries wordt overleg gevoerd over de informatieparagraaf.
Bij het opnemen in een regeling van bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens bevat de regeling een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking en bevat de toelichting een expliciete afweging van de belangen van verwerkingsverantwoordelijken en betrokkenen in relatie tot die doeleinden.
Toelichting
Een regeling waarin de verwerking van persoonsgegevens een belangrijke plaats inneemt, bevat ter uitvoering van de artikelen 5 en 6, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming een welbepaalde en uitdrukkelijke omschrijving van de doeleinden van de gegevensverwerking. Die doeleinden dienen ook gerechtvaardigd te zijn. Bij het ontwerpen van een dergelijke regeling wordt daarom ook altijd een afweging gemaakt tussen de belangen, gemoeid met de verwerking van persoonsgegevens en het belang van de bescherming van die gegevens. Zie in dit verband ook aanwijzing 4.43, onderdeel d. Het internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke kader en de Grondwet worden bij de belangenafweging in acht genomen. Daarnaast vereist de afstemming van bijzondere wettelijke regelingen op de Algemene verordening gegevensbescherming, mede met het oog op het legaliteitsbeginsel, specifieke aandacht. De verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming in beginsel verboden. Indien de Algemene verordening gegevensbescherming en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming niet voorzien in een uitdrukkelijke uitzondering op dat verbod zal daarvoor in beginsel op het niveau van de formele wet een regeling moeten worden getroffen.
De bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming inzake onder meer de beginselen voor de verwerking van persoonsgegevens, de rechtsgrondslagen voor verwerking en verdere verwerking, en de verwerking van bijzondere persoonsgegevens gelden rechtstreeks. De algemene beginselen voor rechtmatige gegevensverwerking volgen uit artikel 5 van de verordening en worden in de daarop volgende artikelen verder uitgewerkt. Het eerste lid van artikel 6 van de verordening somt limitatief de rechtsgrondslagen op waarop een verwerking van persoonsgegevens moet zijn gebaseerd. Voor overheidsinstanties zijn vooral de grondslagen ‘noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke plicht die op de verwerkingsverantwoordelijke rust’ en ‘noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of een taak in het kader van de uitoefening van openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen’ relevant. Wil een overheidsinstantie zich op de laatste rechtsgrond kunnen beroepen dan dient in de wettelijke regeling haar taak voldoende duidelijk te zijn omschreven en tevens die gegevensverwerking logischerwijs en voorzienbaar noodzakelijk te zijn voor het vervullen van die taak. Bij het opstellen van regelingen mogen geen bepalingen worden opgenomen die een juiste toepassing en verwezenlijking van de werking van de verordening en, voor zover van toepassing, Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad in gevaar kunnen brengen.
Indien het noodzakelijk is dat op structurele basis wordt voorzien in de onderlinge verstrekking van persoonsgegevens tussen bestuursorganen of toezichthouders, terwijl geldende geheimhoudingsbepalingen daaraan in de weg staan, wordt op het niveau van de formele wet voorzien in een uitdrukkelijke regeling van de gegevensverstrekking, met inbegrip van de vaststelling van het doel van de gegevensverstrekking.
Toelichting
In het rapport van de Werkgroep herijking toezichtsregelgeving, Den Haag, augustus 2008, zijn de achtergronden van de doelbinding van gegevensverwerking, de betekenis van de term verdere verwerking van gegevens en de functie van geheimhoudingsbepalingen specifiek voor het toezicht op de naleving beschreven. Zie de bijlage bij de brief van de Minister van Justitie van 29 oktober 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 70). Indien de politie of het openbaar ministerie een van de betrokken partijen is, zal in de regel moeten worden teruggegrepen op de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
1 Indien er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van het openbaarheidsregime van de Wet open overheid, wordt de afwijking in de bijlage bij die wet vermeld.
2 Voor het wijzigen van de bijlage bij de Wet open overheid wordt het volgende voorbeeld als uitgangspunt gebruikt: In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: – Waterschapswet: de artikelen 37 en 43.
1 De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden aangeduid als ‘toezicht op de naleving’ van die voorschriften.
2 De werkzaamheden ter vaststelling in concrete gevallen of een strafbaar feit is gepleegd op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is, worden aangeduid als ‘opsporing’ van die feiten.
Voor de regeling van de aanwijzing van toezichthouders worden de volgende modellen gebruikt
bij aanwijzing van toezichthouders bij de wet
Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast [aanduiding ambtenaren of andere personen].
bij aanwijzing van toezichthouders krachtens de wet
Met het toezicht op de naleving van [aanduiding desbetreffende voorschriften] zijn belast de bij besluit van [aanduiding bestuursorgaan] aangewezen [ambtenaren / personen].
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Toelichting
De bevoegdheden die toezichthouders hebben bij de uitoefening van hun taak zijn ten algemene geregeld in titel 5.2 Awb. Krachtens artikel 5:14 van die wet kunnen de bevoegdheden onder andere bij wettelijk voorschrift worden beperkt. Zie hiervoor het model in aanwijzing 5.37.
Titel 5.2 Awb is niet van toepassing in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De toekenning van bevoegdheden aan toezichthouders zal in een (mede) voor die eilanden geldende regeling uitdrukkelijk moeten worden geregeld (zie bijvoorbeeld de artikelen 7:4 e.v. van de Wet financiële markten BES). Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat titel 5.2 Awb verwijzingen bevat naar Nederlandse wetgeving die niet van toepassing is in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze verwijzingen zullen moeten worden vervangen door verwijzingen naar de relevante BES-wetgeving.
Voor het uitsluiten van toezichtsbevoegdheden wordt het volgende model gebruikt
De toezichthouder beschikt niet over de [bevoegdheid / bevoegdheden], genoemd in [artikel / de artikelen ...] van de Algemene wet bestuursrecht.
Toelichting
Als regel worden, gelet op de samenhang tussen beide bevoegdheden, de bevoegdheden met betrekking tot onderzoek van zaken (artikel 5:18 Awb) en de bevoegdheden met betrekking tot onderzoek van vervoermiddelen (artikel 5:19 Awb) steeds gezamenlijk uitgesloten. De bevoegdheden tot het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 Awb) en het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs (artikel 5:16a Awb) worden, gelet op het basale karakter van deze bevoegdheden, nimmer uitgesloten. Zie overigens deel 2, paragraaf 5.7, van de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet derde tranche Awb I (Kamerstukken II 1996/97, 25280, nr. 3).
1 Indien het in bijzondere gevallen wenselijk wordt geacht ook anderen dan de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen algemene opsporingsambtenaren te belasten met de opsporing van bepaalde strafbare feiten die geen economisch delict zijn, wordt daarvoor het volgende model gebruikt: 1. Met de opsporing van de bij [artikel / de artikelen ...] strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd [artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering / artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES], belast [aanduiding ambtenaren]. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in [de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht / de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES], voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf. 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
2 Aan buitengewoon opsporingsambtenaren worden in beginsel naast de hun op grond van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten toekomende bevoegdheden geen bijzondere opsporingsbevoegdheden toegekend.
1 Het regelen van de mogelijkheid om bij de uitoefening van een bevoegdheid de assistentie van de politie in te roepen, geschiedt overeenkomstig het volgende model: De [omschrijving bevoegde personen] oefenen hun [omschrijving bevoegdheid] zo nodig uit met behulp van de sterke arm.
2 Indien het de bedoeling is taken of bevoegdheden slechts op te dragen aan ambtenaren van politie die executieve werkzaamheden verrichten, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
3 Indien het de bedoeling is ook andere ambtenaren van politie taken of bevoegdheden op te dragen, worden die ambtenaren aangeduid als: ambtenaren van politie.
Als bestuurlijke sancties worden met name de volgende mogelijkheden overwogen: intrekken of schorsen van een beschikking, opleggen van een last onder bestuursdwang, opleggen van een last onder dwangsom of opleggen van een bestuurlijke boete.
Toelichting
Er zijn vier bestuurlijke sancties die vanwege hun algemene karakter in een groot aantal gevallen en voor regelgeving van uiteenlopende aard in aanmerking komen als handhavingsmiddel. Voor het verlenen van de bevoegdheid tot het toepassen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom (beide herstelsancties) is in aanwijzing 5.42 een model opgenomen. Titel 5.3 Awb (herstelsancties) bevat algemene regels over het opleggen van een last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en het opleggen van een last onder dwangsom (afdeling 5.3.2). Een bevoegdheid tot toepassing van een last onder bestuursdwang impliceert automatisch een bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom (zie artikel 5:32, eerste lid, Awb). Het opleggen van een bestuurlijke boete (bestraffende sanctie) is geregeld in titel 5.4 Awb.
De titels 5.3 en 5.4 Awb gelden niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In een regeling die (mede) voor die eilanden geldt, moet worden voorzien in een nadere regeling van de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
Bij het verlenen van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden de artikelen 6 en 7 EVRM en de artikelen 14 en 15 IVBPR in acht genomen (zie hiervoor met name de memorie van toelichting bij de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 117 e.v.). Zie ook aanwijzing 2.7.
1 Indien intrekking of schorsing van een beschikking bij wijze van sanctie mogelijk moet zijn, wordt de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk geregeld.
2 De gronden die kunnen of moeten leiden tot het intrekken of schorsen van een beschikking bij wijze van sanctie, worden in de regeling gespecificeerd.
Voor het verlenen van de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt het volgende model gebruikt
[aanduiding bestuursorgaan] is bevoegd tot oplegging van een [last onder bestuursdwang / last onder dwangsom] ter handhaving van [aanduiding desbetreffende verplichtingen].
Toelichting
Door gebruik te maken van dit model wordt – indien het een regeling betreft die in het Europese deel van Nederland geldt – aangegeven dat afdeling 5.3.1 of 5.3.2 Awb van toepassing is. Deze afdelingen van de Awb gelden niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie ook de toelichting bij aanwijzing 5.40). Het model is met name van belang voor toekenning van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (of alleen de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom) aan bestuursorganen van de centrale overheid. De Gemeentewet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de Provinciewet en de Waterschapswet bevatten reeds een algemene bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang voor de besturen van gemeenten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, provincies en waterschappen.
Uit artikel 5:32 Awb volgt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan ook een last onder dwangsom kan opleggen. Om een last onder bestuursdwang en last onder dwangsom beide mogelijk te maken hoeft dus slechts de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang te worden geregeld. Indien het – bijvoorbeeld omdat het bestuursorgaan daartoe niet over de benodigde mensen of middelen beschikt – onwenselijk is om aan een bestuursorgaan ook de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang toe te kennen, kan ervoor worden gekozen om aan het bestuursorgaan alleen de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom toe te kennen.
1 Bij het vaststellen van een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt verwezen naar een van de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht, tenzij het noodzakelijk is aan te sluiten bij afwijkende bedragen in een bestaand stelsel.
2 Voor de bepaling waarin een maximale bestuurlijke boetehoogte wordt vastgesteld, wordt het volgende model gebruikt: De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de [...] categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES].
3 Indien het vanwege de afschrikkende werking of grote financiële belangen noodzakelijk is om aan ondernemingen een zeer hoge bestuurlijke boete te kunnen opleggen die aansluit bij de hoogste boetecategorie in het Wetboek van Strafrecht of die, indien dat meer is, gerelateerd is aan de omzet van de desbetreffende onderneming, wordt het volgende model gebruikt: De op grond van [artikel ... / de artikelen ...] op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in [artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht / artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES] of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
Door sancties te handhaven bepalingen worden zo nauwkeurig mogelijk geformuleerd.
Toelichting
In het bijzonder bij bepalingen die door strafsancties of bestuurlijke sancties worden gehandhaafd is de rechtszekerheid van groot belang. De burger moet uit de bepalingen precies kunnen afleiden in welke gevallen een gedraging tot toepassing van een sanctie kan leiden. Als daarover door verwijzing naar andere bepalingen onduidelijkheid kan ontstaan betekent dat dus dat die verwijzing achterwege moet blijven (zie aanwijzing 3.27). Zie ook artikel 5:4, tweede lid, Awb.
1 Indien de omschrijving van een strafbaar feit aan een lagere regeling wordt overgelaten, wordt in de wet geregeld welke straf kan worden opgelegd.
2 De geldboete die ten hoogste kan worden opgelegd, wordt aangegeven door het noemen van een van de geldboetecategorieën, vermeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onderscheidenlijk artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
3 Voor de strafbaarstelling van een feit dat niet alleen met een geldboete maar ook met een vrijheidsstraf wordt bedreigd, wordt het volgende model gebruikt: Overtreding van artikel ... wordt gestraft met [gevangenisstraf / hechtenis] van ten hoogste [aantal maanden of jaren] of een geldboete van de ... categorie.
Ten aanzien van elk strafbaar feit dat door een wet in het leven wordt geroepen of dat krachtens een wet bij lagere regeling in het leven kan worden geroepen, wordt in de wet aangegeven of het een misdrijf of een overtreding is. Daarvoor worden de volgende modellen gebruikt
De in artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
De [in / krachtens] artikel ... strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Toelichting
Strafbare feiten die als misdrijf kwalificeren kunnen slechts bij wet in het leven worden geroepen. De delictsomschrijving wordt dan in de wet zelf opgenomen. Bij overtredingen kan, indien de wet de omschrijving van het strafbare feit aan een lagere regeling overlaat, de delictsomschrijving ook in die lagere regeling worden opgenomen.
Indien het economische delicten betreft, behoeft alleen indien zij worden vermeld in artikel 1, onder 3°, Wed, te worden aangegeven of er sprake is van een misdrijf of een overtreding. Voor het overige wordt in artikel 2 Wed zelf geregeld of er sprake is van een misdrijf of een overtreding (zie verder aanwijzing 5.47). De Wed is niet van toepassing in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
1 Strafbaarstelling als economisch delict geschiedt door de betrokken regeling in artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten op te nemen.
2 Bij aanwijzing van economische delicten worden de artikelen van de betrokken regeling waarvan overtreding een economisch delict oplevert, opgesomd. Zo nodig worden ook de afzonderlijke leden genoemd.
3 De aanwijzing van economische delicten wordt overeenkomstig het volgende voorbeeld geformuleerd: In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd: de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, de artikelen 2 en 5, tweede en vierde lid;.
4 Indien de Wet op de economische delicten wordt gewijzigd in verband met de wijziging van een regeling die reeds economische delicten bevat, wordt de wijziging overeenkomstig de volgende voorbeelden geformuleerd: A. In artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Meststoffenwet ‘de artikelen 7, 14, eerste lid, 19, 20, eerste lid, 21, 22, derde lid, en 26, zesde lid;’ vervangen door ‘(...)’. B. In artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet bodembescherming. De desbetreffende zinsnede wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.
1 In een bijzondere wet worden in beginsel geen bepalingen over bestuursrechtelijke rechtsbescherming opgenomen.
2 Naast de bestaande gerechten worden geen nieuwe organen met bestuursrechtspraak belast.
Indien er aanleiding is voor een van de volgende afwijkingen van een in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen hoofdregel van bestuursprocesrecht, wordt die afwijking in de bijlagen bij die wet geregeld
rechtstreeks beroep;
geen beroep;
beroep in één instantie;
beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie;
hoger beroep bij een andere bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
verlaagd griffierecht.
Toelichting
Voor afwijkingen van het algemene bestuursprocesrecht van de Awb dient een goede reden te bestaan. Voor enkele situaties voorziet de Awb zelf in de mogelijkheid van een dergelijke afwijking, door een bijzondere wet of een onderdeel daarvan te vermelden in een bijlage bij de Awb
rechtstreeks beroep: zie artikel 7:1, eerste lid, onder g, en bijlage 1;
geen beroep: zie artikel 8:5, eerste lid, en artikel 1 van bijlage 2;
beroep in één instantie: zie artikel 8:6 en hoofdstuk 2 van bijlage 2;
beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie: zie artikel 8:7, derde lid, en hoofdstuk 3 van bijlage 2;
hoger beroep bij een andere bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: zie de artikelen 8:105 en 8:106, eerste lid, onder a, en hoofdstuk 4 van bijlage 2;
verlaagd griffierecht: zie de artikelen 8:41, tweede lid, onder a, en 8:109, eerste lid, onder a, en bijlage 3.
Bij het openstellen van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient een keuze te worden gemaakt tussen het wel of niet toekennen van schorsende werking, zie artikel 8:106, eerste lid, onder a, Awb en de artikelen 9 en 10 van bijlage 2 bij die wet.
Als een regeling of bepaling die vermeld wordt in een Awb-bijlage, wordt ingetrokken of vervalt, verdient het aanbeveling om die vermelding met ingang van dezelfde datum te schrappen, ook als de regeling of bepaling krachtens overgangsrecht nog van toepassing blijft op ‘oude’ gevallen. Desgewenst kan in dat overgangsrecht worden voorzien in een aanvulling of afwijking van het permanente overgangsrecht van artikel 11:3 Awb.
Bij het toedelen van rechtsmacht aan een bestuursrechter wordt aangesloten bij de bestaande competentieverdeling.
Toelichting
In de meeste gevallen blijft een uitdrukkelijke beroepsbepaling achterwege. Uit de Awb volgt reeds dat, indien verdere regeling achterwege blijft, beroep openstaat bij de rechtbank (volgens de regels voor relatieve competentie van artikel 8:7, eerste en tweede lid, Awb) en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba volgt uit de WarBES dat beroep openstaat bij het Gerecht in eerste aanleg en hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Indien in het Europese deel van Nederland voor het desbetreffende terrein van regelgeving een gespecialiseerde rechter bestaat, dan wordt bij nieuwe regelingen ter zake beroep of hoger beroep opengesteld bij dat gerecht. Hiertoe dient dan bijlage 2 Awb te worden aangevuld.
Voor toedeling van rechtsmacht aan de CRvB is aanleiding op het terrein van het ambtenarenrecht, de pensioenwetgeving, sociale zekerheid, studiefinanciering en wetgeving voor oorlogsgetroffenen. In enkele gevallen fungeert de CRvB als bestuursrechter in eerste en enige aanleg (artikel 3 van bijlage 2 Awb), in de meeste gevallen als hogerberoepsrechter (artikelen 9 en 10 van bijlage 2 Awb).
Voor toedeling van rechtsmacht aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is aanleiding bij regelingen van sociaal-economische aard, dat wil zeggen regelingen die economische ordening of sturing dan wel kwaliteitsnormen voor producten behelzen. Van een regeling van sociaal-economische aard zal in het algemeen ook gesproken kunnen worden, indien het gaat om wettelijke voorschriften die primair de uitoefening van beroepen of bedrijven betreffen. Dit geldt niet voor voorschriften die betrekking hebben op het oprichten en in werking houden van inrichtingen ten behoeve van bedrijf of beroep, zoals deze bijvoorbeeld in de milieuwetgeving voorkomen.
Het CBb fungeert meestal als bestuursrechter in eerste en enige aanleg (artikel 4 van bijlage 2 Awb). Bij enkele wetten is het CBb echter hogerberoepsrechter (artikel 11 van bijlage 2 Awb), terwijl beroep in eerste aanleg openstaat bij de rechtbank Rotterdam (artikel 7 van bijlage 2 Awb). Het beroep in twee instanties in deze wetten houdt meestal verband met de mogelijkheid om deze wetten te handhaven door het opleggen van een bestuurlijke boete (gelet op artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten).
Voor één wet wordt zoveel mogelijk één rechtsgang gekozen.
Toelichting
Eenheid van rechtsgang binnen een wet bevordert voor alle betrokkenen de toegankelijkheid van de procedure en voorkomt complicaties bij gelijktijdige procedures over samenhangende besluiten. Een reden voor differentiatie kan zijn dat één rechtsgang onvoldoende aansluit bij de bestaande competentieverdeling. Zie bijvoorbeeld de vermelding van artikel 125 van de Gemeentewet in artikel 4 van bijlage 2 Awb (beroep in één instantie bij het CBb) voor zover het gaat om handhaving van de Winkeltijdenwet.
Tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete dient beroep in twee instanties open te staan, gelet op artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het kan wenselijk zijn dat tegen andere besluiten die op grond van de betrokken wet genomen kunnen worden, beroep in één instantie openstaat. Als in dat geval wordt gekozen voor differentiatie van de rechtsgang binnen de wet, dan verdient het aanbeveling om een voorziening te treffen voor het geval dat in één besluit zowel een bestuurlijke boete wordt opgelegd als een andere sanctie, bijvoorbeeld een last onder dwangsom.
Deze aanwijzing ziet niet op het overslaan van de bezwaarfase (rechtstreeks beroep als bedoeld in bijlage 1 Awb).
Voor het wijzigen van een bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht worden de volgende voorbeelden als uitgangspunt gebruikt
In bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd
Wet tijdelijk huisverbod
In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht komt de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet te luiden
Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid
In artikel 4 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd
Zeewet, met uitzondering van
artikel 5, voor zover het betreft een aanwijzing
artikel 6, voor zover het betreft
een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing
een besluit tot verlening van de vergunning voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden
In de artikelen 4 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
In de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt ‘Tabakswet’ en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd
Tabaks- en rookwarenwet
In artikel 9 van bijlage 2 en artikel 2 van bijlage 3 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet werk en bijstand en wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd
Participatiewet: de artikelen ...
Toelichting
In de meeste gevallen kan worden volstaan met het noemen van de bijzondere regeling of het betrokken onderdeel, zonder verdere aanduiding van de betrokken besluiten. Zie telkens de eerste zin van de bijlage of de artikelen daarvan, bijvoorbeeld de eerste zin van bijlage 1: ‘Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt.’
Bij de verdere aanduiding van de betrokken besluiten mag gebruik gemaakt worden van begrippen uit de bijzondere regeling, zonder dat die begrippen door middel van een verwijzing of anderszins nader omschreven hoeven te worden.
De onderdelen van de opsommingen in de Awb-bijlagen worden omwille van consistentie binnen de Awb niet afgesloten met een leesteken (vgl. aanwijzing 3.59).
Indien de besluitvorming uiteenvalt in een reeks achtereenvolgende besluiten, wordt overwogen om slechts tegen één besluit bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen.
Toelichting
Het beperken van de lasten voor de rechtspraak enerzijds en het geen afbreuk doen aan de rechtsbescherming van de burger anderzijds dienen hierbij tegen elkaar te worden afgewogen. Een voorbeeld waarbij alleen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat tegen het laatste besluit in de reeks, is de aanwijzing van gedeputeerde staten aan de gemeenteraad om een bestemmingsplan vast te stellen (artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; zie de vermelding van die bepaling in artikel 1 van bijlage 2 Awb). Concentratie van rechtsbescherming kan soms ook worden bereikt door te bepalen dat bij het beroep tegen een uitvoeringsbesluit geen gronden kunnen worden aangevoerd die betrekking hebben op het uit te voeren besluit (zie bijvoorbeeld artikel 27 van de Tracéwet).
1 Administratief beroep wordt slechts opengesteld, indien: a. sprake is van een niet in overwegende mate gebonden besluit, en b. het belang van de eenheid van beleid of van sturing door een hoger bestuursorgaan op een beleidsterrein waarvoor dit orgaan medeverantwoordelijkheid draagt, niet afdoende door andere bestuursinstrumenten kan worden verzekerd.
2 Tegen besluiten van bestuursorganen wordt, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat, geen administratief beroep opengesteld bij een ander orgaan van hetzelfde openbare lichaam.
Indien het wenselijk is dat de werking van een besluit wordt opgeschort zolang het besluit nog door de bestuursrechter kan worden vernietigd, wordt het volgende model gebruikt
De werking van het besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Toelichting
Artikel 6:16 Awb bepaalt dat het bezwaar of beroep niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Met het oog op de rechtsbescherming, in het bijzonder van derden-belanghebbenden, kan het soms gewenst zijn om te regelen dat de werking van een besluit gedurende een bepaalde periode na de bekendmaking wordt opgeschort. Aandacht hiervoor is met name van belang als de uitvoering van het besluit tot onomkeerbare gevolgen leidt. Bij de overweging van de vraag of het noodzakelijk is om een regeling ter zake van de opschorting van de werking van een besluit op te nemen, moet worden bedacht dat belanghebbenden in beginsel de mogelijkheid hebben om bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening te vragen, inhoudende gehele of gedeeltelijke schorsing van een besluit.
Als tegen een besluit eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld, dan volgt uit de modelbepaling, gelet op het stelsel van de Awb, dat ook het maken van bezwaar de werking van het besluit opschort.
In beginsel geldt de opschortende werking voor de periode waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld bij een bestuursrechter. Een verdergaande mogelijkheid is dat wordt bepaald dat het besluit buiten werking blijft totdat op een ingesteld beroep is beslist. Overigens geldt dat de bestuursrechter in het kader van de bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van een daartoe ingesteld verzoek kan beslissen de schorsing op te heffen.
De WarBES bevat geen met artikel 6:16 Awb vergelijkbare bepaling. Ook voor de WarBES geldt echter dat een bezwaar of beroep niet de werking schorst van de beschikking waartegen het is gericht.
Bij het opnemen van bepalingen over de doorberekening van kosten voor toelating, voor toezicht op de naleving of voor repressieve handhaving van wet- en regelgeving wordt het toetsingskader voor doorberekening van toelatings- en handhavingskosten ‘Maat houden 2014’ (Kamerstukken II 2013/14, 24036, nr. 407) in acht genomen.
Toelichting
Onder toelating wordt verstaan het door de overheid toetsen of bedrijven of burgers voldoen aan gestelde eisen en het verlenen van toestemming – eventueel onder het stellen van aanvullende eisen – voor het verrichten van bepaalde handelingen. Te denken valt aan het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning. Zie artikel 6, tweede lid, eerste zin, van de Wet op de kansspelen en artikel 19, eerste en derde lid, van de Geneesmiddelenwet voor voorbeelden van de doorberekening van toelatingskosten. In artikel 13, tweede lid, van de Dienstenrichtlijn is aangegeven dat eventuele kosten voor aanvragers van een vergunning in verband met hun aanvraag redelijk en evenredig met de kosten van de vergunningprocedure in kwestie zijn en de kosten van de procedure niet overschrijden. Zie ook aanwijzing 5.29.
Onder toezicht op de naleving worden verstaan alle controleactiviteiten, stelselmatig of steekproefsgewijs, aangekondigd of niet aangekondigd, gericht op de naleving van wet- en regelgeving. Ook controles bij vergunninghouders die in ‘Maat houden 1996’ (Stcrt. 2000, 90) nog tot de ‘post-toelating’ werden gerekend, vallen hieronder.
Onder repressieve handhaving worden verstaan handhavingsactiviteiten die zijn gebaseerd op een redelijk vermoeden van een strafbaar feit of een bestuursrechtelijke overtreding. Hieronder vallen ook vervolgactiviteiten zoals het opmaken van een proces-verbaal of van een boeterapport gevolgd door oplegging van een bestuurlijke sanctie.
Zie voor voorbeelden van doorberekening van kosten die verband houden met nalevingstoezicht en repressieve handhaving artikel 6, tweede lid, tweede zin, van de Wet op de kansspelen en artikel 19, tweede en derde lid, van de Geneesmiddelenwet.
1 Indien het wenselijk is kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: 1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van [de vergunning / de ontheffing / het diploma / de concessie etc.] en van de overige documenten die bij of krachtens deze wet worden afgegeven [, alsmede van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van deze documenten], ten laste van de aanvrager van het document. 2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
2 Indien het wenselijk is kosten voor het verrichten van werkzaamheden en diensten door te berekenen, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: 1. [Naam bestuursorgaan] brengt de kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel ... ten laste van degene ten behoeve van wie deze werkzaamheden worden verricht. 2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
3 Indien het wenselijk is bedragen in de wet op te nemen en vervolgens via indexering aan te passen, wordt in plaats van een tweede lid dat voorziet in vaststelling van de bedragen bij ministeriële regeling het volgende model als uitgangspunt genomen: 2. De bedragen ter vergoeding van de kosten zijn als volgt: ... 3. De bedragen kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de [naam index, bijvoorbeeld de consumentenprijsindex] daartoe aanleiding geeft.
Indien het wenselijk is te bepalen dat een wet wordt geëvalueerd, of dat over de uitvoering daarvan verslag wordt gedaan, wordt het volgende model als uitgangspunt genomen
Onze Minister van/voor ... zendt [in overeenstemming met Onze Minister van/voor ...] binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk [of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de wet].
Toelichting
Voor onderzoek komen in aanmerking zowel de mate van verwerkelijking van de doelstellingen en de neveneffecten als de evenredigheid, subsidiariteit, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, afstemming op andere regelingen, eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. Welke vorm van evaluatie moet worden gekozen, zal afhangen van onder meer het gewicht van de betrokken regeling, de maatschappelijke betekenis ervan en de aan evaluatie verbonden lasten. Er is een breed scala denkbaar van diepgaand wetenschappelijk onderzoek tot rapportage door de uitvoeringsorganen. Indien voor de evaluatie de medewerking van anderen dan een onder de minister ressorterend orgaan nodig is, moet worden voorzien in een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking. Voor zelfstandige bestuursorganen is in artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen al een algemene basis voor gegevensverstrekking opgenomen die mede ten dienste van evaluaties kan worden ingezet.
In het algemeen ligt een evaluatietermijn van vijf jaar in de rede. Onder omstandigheden kan een andere termijn de voorkeur verdienen. Bij een termijn van minder dan vijf jaar moet er echter rekening mee worden gehouden dat die termijn mogelijk te kort is voor een evaluatie, omdat er dan nog weinig ervaring met de wet in de praktijk zal zijn opgedaan.
De modelbepaling gaat uit van een eenmalige evaluatie. In bijzondere gevallen kan er behoefte bestaan aan een periodieke evaluatie van een wet. In de evaluatiebepaling kan dan worden bepaald dat de evaluatie ‘binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na (...) jaar,’ zal plaatsvinden.
Zie voor nadere informatie over de gevallen waarin en de wijze waarop evaluaties moeten plaatsvinden onderdeel 5 (Wat is de voorkeursoptie?) van het Beleidskompas.
Bij een nieuwe regeling of wijziging van een regeling wordt overwogen of overgangsbepalingen noodzakelijk zijn.
Toelichting
Het is van belang tijdig na te gaan welke elementen van een regeling aanleiding kunnen geven tot een of meer overgangsbepalingen. Zie voor uitgangspunten voor overgangsrecht en de daarbij te maken keuzes bijvoorbeeld het voor wijzigingen in de socialezekerheidswetgeving opgestelde Toetsingskader Overgangsrecht (Kamerstukken I 1999/2000, 25900, EK 87, nr. 87b, p. 5–7). Verder is het van belang de grenzen in het oog te houden die artikel 1 (het eigendomsbegrip) van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in het licht van de gevormde jurisprudentie stellen aan het overgangsrecht en meer in het bijzonder overgangsrecht bij wijziging van aanspraken in de socialezekerheidswetgeving en de pensioenwetgeving. Zie onder meer de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State met een summier beslismodel bij artikel 1 Eerste Protocol EVRM (Kamerstukken II 2012/13, 33400 XV, nr. 7).
Als een wet wordt gevolgd door een invoeringswet, kan worden overwogen het overgangsrecht op te nemen in die invoeringswet. Indien mogelijk verdient het aanbeveling om in de memorie van toelichting bij de eerste wet in te gaan op het voorgenomen overgangsrecht.
Indien bij een wijziging van een regeling overgangsbepalingen noodzakelijk zijn, worden deze in de te wijzigen regeling opgenomen, tenzij dit gelet op de doelgroep, de geldigheidsduur of de toegankelijkheid, onwenselijk is.
Toelichting
Door het overgangsrecht in de te wijzigen regeling op te nemen wordt voorkomen dat verschillende wijzigingsregelingen van belang blijven wegens het daarin opgenomen overgangsrecht. Tevens bevordert deze handelwijze de kenbaarheid van het overgangsrecht, doordat dit in dezelfde regeling is opgenomen als het recht waarop de overgangsbepalingen betrekking hebben. Op deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt indien het overgangsrecht een zodanig beperkte doelgroep of geldigheidsduur kent, dat het overgangsrecht de te wijzigen regeling zou ‘vervuilen’. In een dergelijk geval spelen de genoemde argumenten voor het opnemen van het overgangsrecht in de te wijzigen regeling ook een minder grote rol. Indien een invoerings- of een overgangswet gebruikelijk is op het te regelen terrein, pleit de toegankelijkheid van het overgangsrecht juist voor opname in de desbetreffende invoerings- of overgangswet. Zie ook aanwijzing 6.3.
1 Een nieuwe regeling is niet slechts van toepassing op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen (onmiddellijke werking).
2 Indien beoogd wordt af te wijken van het eerste lid, wordt dit uitdrukkelijk bepaald.
1 Aan een regeling wordt slechts terugwerkende kracht verleend, indien daarvoor een bijzondere reden bestaat.
2 Door het verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling worden de in die regeling voorziene rechtsgevolgen gerekend te zijn ingetreden vanaf een nader aangeduid tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van die regeling.
3 Aan belastende regelingen wordt, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht toegekend.
4 Bij een regeling mag een feit dat vóór haar inwerkingtreding is geschied, niet strafbaar of zwaarder strafbaar worden gesteld.
1 Het verlenen van terugwerkende kracht geschiedt niet door de regeling in werking te laten treden op een tijdstip dat in het verleden ligt.
2 Voor het verlenen van terugwerkende kracht wordt een van de volgende modellen gebruikt: A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van ...; zie aanwijzing 4.21] en werkt [ten aanzien van artikel... / de artikelen...] terug tot en met... B. Deze wet / Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat besluit kan worden bepaald dat [artikel ... / de artikelen ... van] deze wet / dit besluit [terugwerkt / terugwerken] tot en met [... / een in dat besluit te bepalen tijdstip] [, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld].
3 Indien dit voor de duidelijkheid van de beoogde rechtsgevolgen van terugwerkende kracht nodig is, worden meer gespecificeerde bepalingen opgenomen.
4 In de toelichting wordt vermeld om welke reden en tot en met welk tijdstip het verlenen van terugwerkende kracht noodzakelijk is of kan zijn.
1 Een nieuwe regeling kan een daarvoor geldende regeling blijvend (eerbiedigende werking) of voor een bepaalde periode (uitgestelde werking) van toepassing laten op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend of voor een bepaalde periode gelding toekennen aan door een daarvoor geldende regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen.
2 Bij het verlenen van eerbiedigende of uitgestelde werking of het toekennen van gelding aan door een eerdere regeling in het leven geroepen rechten of verplichtingen blijkt uit de regeling duidelijk welke rechtsgevolgen beoogd worden.
In geval van nieuwe regels voor procedures en bevoegdheden van organen ter zake van geschillen wordt met betrekking tot de zaken die voor de inwerkingtreding van deze regels aanhangig zijn gemaakt, uitdrukkelijk geregeld of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing is.
Toelichting
Deze aanwijzing geldt ook in de sfeer van het strafprocesrecht. In de sfeer van de strafvordering geldt niet een regel als die van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij verandering van de bevoegde instantie of van de procedure dient men in die sfeer, evenals elders in de sfeer van het procesrecht, na te gaan of de oude dan wel de nieuwe regeling ook moet gelden voor de zaken, die bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling aanhangig zijn.
Artikel 11:3 Awb bevat ‘permanent overgangsrecht’ voor wijzigingen van de bijlagen bij de Awb. Zie ook de toelichting bij aanwijzing 5.49.
Op de afhandeling van een noodregeling of faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar die is uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het op het tijdstip van het uitspreken van de noodregeling of faillietverklaring geldende recht van toepassing. (Artikel 10:9 van de Wet financiële markten BES)
Beroepen, ingesteld op grond van artikel 18 van de Schepenwet, waarin voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, nog geen uitspraak is gedaan, worden afgehandeld door de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart of, indien het beroep een beslissing van een ambtenaar in de Nederlandse Antillen of Aruba betreft, door de voorzitter van de Commissie van Onderzoek.
Ten aanzien van beroepen als bedoeld in het eerste lid blijven de bij of krachtens de artikelen 18 tot en met 22 van de Schepenwet gestelde regels, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van kracht. (Artikel II van de Rijkswet van 20 januari 2005, houdende wijziging van de Schepenwet in verband met de totstandkoming van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid en de invoering van een nieuwe regeling van tuchtrechtspraak voor de zeescheepvaart (Stb. 2005, 51))
Bij de beëindiging van een taak van een overheidsorgaan of de overgang van een taak op een ander overheidsorgaan wordt in het overgangsrecht een voorziening opgenomen voor de op die taak betrekking hebbende archiefbescheiden. Daarbij worden de volgende modellen als uitgangspunt genomen
Archiefbescheiden van [overheidsorgaan A] betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan [overheidsorgaan B], voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Archiefbescheiden van [voorheen bevoegde overheidsorgaan] met betrekking tot taken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn beëindigd, worden overgedragen aan Onze Minister [van/voor ...]. Indien zij ingevolge de Archiefwet 1995 voor blijvende bewaring in aanmerking komen worden zij, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister [van/voor ...], overeenkomstig de Archiefwet 1995 overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Onze Minister [van/voor ...] is met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zorgdrager voor de archiefbescheiden die door [voorheen bevoegde overheidsorgaan] ter beschikking zijn gesteld aan privaatrechtelijke rechtspersonen.
Toelichting
Deze aanwijzing houdt verband met artikel 4 van de Archiefwet 1995, waarin is bepaald dat een regeling waarbij overheidsorganen worden opgeheven, samengevoegd of gesplitst, of waarbij een of meer taken van een overheidsorgaan worden overgedragen aan een ander overheidsorgaan, een voorziening moet bevatten omtrent hun archiefbescheiden.
Onder overheidsorgaan in de zin van de Archiefwet 1995 worden verstaan organen van krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, alsmede andere met enig openbaar gezag beklede personen of colleges. De Archiefwet 1995 regelt voor de verschillende overheidsorganen wie als zorgdrager is belast met de zorg voor archiefbescheiden. De zorgdrager heeft onder meer als taak om selectielijsten op te stellen voor de overbrenging naar een archiefbewaarplaats of de vernietiging van archiefbescheiden. Voor de rijksoverheid geldt dat iedere minister zorgdrager is voor de bij zijn departement berustende archiefbescheiden. Deze aanwijzing geldt daarom ook bij een herschikking van taken binnen de rijksoverheid, indien die herschikking ertoe leidt dat voortaan een andere minister als zorgdrager moet worden aangemerkt.
Model A. Dit model ziet op de overdracht van archiefbescheiden met betrekking tot lopende zaken indien er – bijvoorbeeld als gevolg van de instelling of opheffing van een zelfstandig bestuursorgaan – een herschikking van taken en bevoegdheden plaatsvindt. Het gaat daarbij om de archiefbescheiden die nog berusten bij het overheidsorgaan dat ophoudt te bestaan of waarvan een taak wordt overgedragen. Bescheiden die op grond van een selectielijst al zijn vernietigd of overgebracht naar een archiefbewaarplaats, vallen hier dus niet onder.
Het model heeft tot doel te zorgen dat (digitale) archieven die zien op zaken die nog niet zijn afgedaan of waarbij nog geen selectie op grond van een selectielijst heeft plaatsgevonden, worden overgedragen aan het voortaan bevoegde overheidsorgaan. Dat overheidsorgaan is vanaf dat moment verantwoordelijk voor naleving van de bepalingen in de Archiefwet 1995 en heeft die archiefbescheiden nodig voor het afdoen van lopende zaken. Daarnaast kan dat overheidsorgaan voor historisch onderzoek behoefte hebben aan archiefbescheiden betreffende zaken die bij de instelling van het overheidsorgaan wel reeds waren afgedaan. Dergelijke archiefbescheiden kunnen door de zorgdrager in de zin van de Archiefwet 1995 tijdelijk ter beschikking worden gesteld van het desbetreffende overheidsorgaan. Na afloop van de terbeschikkingstelling keren die archiefbescheiden terug naar het archief waaruit ze afkomstig zijn. Aldus wordt voorkomen dat het oorspronkelijke archief van een dienstonderdeel door overdracht van archiefbescheiden incompleet wordt en zijn rol als bron voor verantwoording en voor historisch onderzoek niet meer optimaal kan vervullen.
Model B. Dit model ziet op de archiefbescheiden met betrekking tot de reeds beëindigde taken en werkzaamheden van een opgeheven overheidsorgaan. Archiefbescheiden met betrekking tot taken die zijn beëindigd worden, voor zover zij niet op basis van een geldige selectielijst zijn vernietigd, overgedragen aan de betrokken minister. Het gaat daarbij om archiefbescheiden die tijdelijk bewaard moeten blijven, omdat zij op basis van een geldige selectielijst zijn aangewezen om te vernietigen, maar waarvan de vernietigingstermijn nog niet is verstreken. Het gaat dan onder meer ook om archiefbescheiden die nog niet in aanmerking komen voor overbrenging naar een archiefbewaarplaats. Indien bescheiden op basis van een geldige selectielijst voor blijvende bewaring in aanmerking komen, worden ze overgedragen aan een archiefbewaarplaats.
Model C. Deze bepaling is nodig in de situatie dat taken worden overgedragen van een publiekrechtelijke naar een privaatrechtelijke rechtspersoon. Voor de vervulling van de taak moeten de archiefbescheiden voor de lopende zaken aan de privaatrechtelijke rechtspersoon worden overgedragen. Tegelijkertijd is van belang dat duidelijk is dat de archiefbescheiden binnen het publieke domein blijven en dat daarom duidelijk is wie de zorgdrager voor de archiefbescheiden is. Deze bepaling voorkomt dat hier onduidelijkheid over zou kunnen zijn.
Het is bij het ontwerpen van een overgangsbepaling tevens van belang de mogelijkheid van een gedeeltelijke overgang van taken en bevoegdheden zichtbaar te maken in de desbetreffende bepaling ten aanzien van archiefbescheiden. Zo nodig kunnen meerdere modellen samen worden gebruikt. Zo zullen de modellen A en C bijvoorbeeld aan de orde zijn bij overdracht van een taak van een publiekrechtelijk overheidsorgaan naar een privaatrechtelijke rechtspersoon waarbij het orgaan van de publiekrechtelijke rechtspersoon wordt opgeheven.
Bij een wetsvoorstel wordt bezien of het noodzakelijk is de samenloop met een ander wetsvoorstel te regelen.
Toelichting
Onder samenloop wordt de situatie verstaan waarin een tekstuele afhankelijkheid tussen twee (of meer) wetsvoorstellen (of met betrekking tot een wet die nog niet in werking is getreden) bestaat terwijl de procedures van totstandkoming in de tijd onafhankelijk van elkaar verlopen. Het gaat hier dus niet om situaties als die van een nieuwe wet en een invoeringswet daarbij, waar de inhoud en procedurele voortgang van het ene voorstel rechtstreeks bepalend zijn voor die van het andere voorstel. Een samenloopprobleem zal zich over het algemeen slechts voordoen bij wetsvoorstellen, aangezien bij algemene maatregelen van bestuur, andere koninklijke besluiten en ministeriële regelingen kort voor de publicatie nog wijzigingen kunnen worden aangebracht en de tekst kan worden vastgesteld naar de situatie die op dat moment bestaat.
Het verdient de voorkeur samenloopproblemen te voorkomen. Dit kan worden bereikt door
een tweede wetgevingstraject pas te starten wanneer het eerste zijn beslag heeft gevonden in een wet(swijziging) of anderszins reeds verder in procedure is, zodat de volgorde van inwerkingtreding duidelijk vooraf goed kan worden ingeschat;
wetsvoorstellen aldus te formuleren dat geen tekstuele afhankelijkheid bestaat, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de in aanwijzing 5.69 opgenomen mogelijkheid;
de wetsvoorstellen samen te voegen.
Verder kunnen samenloopproblemen soms worden voorkomen door in het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt de volgorde van inwerkingtreding te bepalen: zie aanwijzing 5.70, tweede lid.
Het verdient aanbeveling een samenloopbepaling als bedoeld in aanwijzing 5.68 pas in een wetsvoorstel op te nemen op het moment dat vaststaat dat een samenloopprobleem zich daadwerkelijk voordoet en dat probleem niet anders dan door een samenloopbepaling opgelost kan worden.
1 Indien de formulering van een wetsvoorstel tot wijziging van een wet afhankelijk is van een wijziging die een ander wetsvoorstel beoogt teweeg te brengen in diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen: Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel... van] die wet eerder in werking is getreden of treedt dan [artikel... van] deze wet, wordt [artikel... van] deze wet als volgt gewijzigd:....
2 Indien een wetsvoorstel tot wijziging van een wet gevolgen heeft voor de formulering van een ander wetsvoorstel tot wijziging van diezelfde wet, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen: Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....
3 Indien er tussen twee wetsvoorstellen tot wijziging van dezelfde wet een wederzijdse tekstuele afhankelijkheid bestaat, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen: Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet: a. eerder in werking treedt of is getreden dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ...; b. later in werking treedt dan [artikel ... van] deze wet, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ... .
4 Indien een wetsvoorstel gevolgen heeft voor de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen: Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven, wordt [artikel ... van] die wet als volgt gewijzigd: ....
5 Indien de formulering van een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe wet tot stand te brengen, afhankelijk is van een ander wetsvoorstel, wordt een samenloopbepaling overeenkomstig het volgende model opgenomen: Indien het bij koninklijke boodschap van [datum] ingediende voorstel van wet [opschrift en Kamerstuknummer] tot wet is of wordt verheven en [artikel ... van] die wet in werking treedt, wordt [artikel ... van] deze wet als volgt gewijzigd: ....
1 Indien door samenloop van twee of meer voorstellen van wet nog geen duidelijkheid bestaat over de uiteindelijke aanduiding van een artikel, een lid of een onderdeel, kan voor die aanduiding in het desbetreffende wetsvoorstel gebruik worden gemaakt van het symbool ‘#’, waarbij tussen blokhaken wordt vermeld op welke wijze de aanduiding in de bestaande nummering of lettering wordt opgenomen.
2 In de drukproeffase wordt het symbool ‘#’ vervangen door de uiteindelijke aanduiding. De tussen blokhaken geplaatste tekst wordt daarbij geschrapt.
1 Indien daaromtrent niets is geregeld en de bedoeling van de wetgever niet uit de regeling of de toelichting kan worden afgeleid, is voor de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer regelingen die op hetzelfde tijdstip in werking treden, bepalend: a. de datum van vaststelling van de regeling; b. indien de datum van vaststelling van beide regelingen dezelfde is: de datum van uitgifte van het Staatsblad of de Staatscourant; c. indien de datum van vaststelling en de datum van uitgifte van beide regelingen dezelfde zijn: het volgnummer van het Staatsblad of de Staatscourant.
2 Voor het regelen van de volgorde van inwerkingtreding van twee of meer wetten of algemene maatregelen van bestuur door middel van een inwerkingtredingsbesluit wordt een van de volgende modellen gebruikt: A. Met ingang van [datum] treden de volgende [wetten/besluiten] in werking, in de hieronder aangegeven volgorde: a. (...); b. (...). B. Met ingang van [datum] treedt [wet/besluit] in werking, met dien verstande dat die wet/dat besluit in werking treedt voordat/nadat [wet/besluit] in werking treedt.
1 Voor het regelen van de werkingsduur van een tijdelijke regeling wordt een van de volgende modellen gebruikt: A. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt [met ingang van ... / ... jaar na het tijdstip van inwerkingtreding]. B. Deze wet / Dit besluit / Deze regeling / Deze beleidsregel treedt in werking [op / met ingang van...: zie aanwijzing 4.21] en vervalt op een bij [koninklijk besluit / door Onze Minister van/voor ... / door de Minister van/voor ...] te bepalen tijdstip.
2 De verlenging van een tijdelijke regeling geschiedt door een wijziging van de vervaldatum die in de regeling (in geval van toepassing van model A) of het koninklijk of ministerieel besluit (in geval van toepassing van model B) is opgenomen, en die uiterlijk met ingang van de oorspronkelijke datum in werking kan treden.
De tijdelijkheid van een regeling wordt in het opschrift en de citeertitel tot uitdrukking gebracht.
Voorbeelden
Wet van 4 december 2013 inzake invoering van een tijdelijke heffing voor de bankensector (Tijdelijke wet resolutieheffing 2014)
Besluit van 16 februari 2001 tot regeling van de doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002 (Interim-besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen).
1 Indien het gewenst is tijdelijk van een bestaande regeling af te wijken, geschiedt dit in de vorm van: a. een zelfstandige afwijkende regeling met tijdelijke werking; of b. een wijzigingsregeling die opeenvolgende wijzigingen aanbrengt in de tijdelijk te wijzigen regeling.
2 In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien mogelijk, de opvolgende wijziging opgenomen in de tijdelijk te wijzigen regeling zelf, en wordt daarin ook tot uitdrukking gebracht op welk tijdstip de opvolgende wijziging effect zal krijgen.
Om aan te geven dat aan een regeling of een onderdeel daarvan tijdelijk gelding kan worden verleend of de gelding daarvan kan worden opgeschort wordt de term ‘in werking stellen’, respectievelijk ‘buiten werking stellen’, gebruikt.
Toelichting
Met name in noodwetgeving komt het voor dat een regeling of regelingsonderdeel tijdelijk in of buiten werking gesteld moet kunnen worden. Het is niet wenselijk dat te regelen door middel van de inwerkingtreding daarvan. Van nog niet in werking getreden (onderdelen van) regelingen wordt in beginsel de tekst niet getoond in het Basiswettenbestand, terwijl bovendien onduidelijkheden optreden hoe zo’n regeling of regelingsonderdeel vervolgens weer gedeactiveerd moet worden en op een later moment weer in werking gesteld moet worden.
Voorbeeld
Indien de beperkte noodtoestand is afgekondigd, worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor Nederland of een gedeelte daarvan bepalingen in werking gesteld die voorkomen op de bij deze wet behorende lijst A.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het in het eerste lid bedoelde besluit in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
(Artikel 7 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)
1 Indien het noodzakelijk is om te regelen dat een regeling of regelingsonderdeel niet direct bij inwerkingtreding zal gelden voor één of meer categorieën van gevallen wordt dit tot uitdrukking gebracht door een afwijkend moment vast te stellen met ingang waarvan die regeling of dat onderdeel van toepassing wordt voor de desbetreffende categorie.
2 Een wet kan bepalen dat een daarin aangewezen toepassingsmoment bij koninklijk besluit wordt vastgesteld.
Indien bij of krachtens de wet wordt voorzien in de mogelijkheid om bekendmaking van daarop gebaseerde regelingen of besluiten in bijzondere gevallen te laten plaatsvinden in een andere vorm of op een andere wijze of locatie dan gebruikelijk, wordt daarbij eveneens bepaald dat deze regelingen of besluiten tevens zo spoedig mogelijk op de reguliere wijze worden gepubliceerd, met vermelding van de wijze waarop de bekendmaking heeft plaatsgevonden alsmede de datum en in voorkomend geval het tijdstip daarvan.
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op de situatie dat in regelgeving de mogelijkheid wordt geboden om de bekendmaking van regelingen of besluiten in bijzondere omstandigheden, veelal met het oog op de snelheid daarvan, te laten plaatsvinden in een andere dan de gebruikelijke vorm of op een andere wijze of locatie. Daarbij valt te denken aan bekendmaking via de media in plaats van door plaatsing in de Staatscourant of het Staatsblad, door plaatsing van het besluit op een ander dan het gebruikelijke webadres, of door uitgifte in papieren vorm. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet dieren en artikel 3 van de Bekendmakingsregeling. Deze andere wijze van bekendmaken biedt veelal minder garanties over het behoud en de toegankelijkheid van deze bekendmaking op langere termijn. Daarom dient de bekendmaking van zo’n regeling of besluit gevolgd te worden door publicatie op de reguliere wijze. Omdat de eerste publicatie formeel geldt als moment van bekendmaking, dient de tweede publicatie de informatie daarover te vermelden.
Een wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel kan na voorafgaande instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een daarbij behorende bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling of beleidsregel aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, indien
de bijlage wegens aard of omvang niet geschikt is voor publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant; en
de kenbaarheid voor de direct bij de regeling betrokken personen op die wijze voldoende verzekerd is.
Deze aanwijzing bevat criteria voor gebruikmaking van de uitzonderingsmogelijkheid die wordt geboden door artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet: bekendmaking door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het Staatsblad of de Staatscourant, bijvoorbeeld de website van (een dienstonderdeel van) de rijksoverheid.
De in aanwijzing 3.50, tweede lid, neergelegde eisen aan de vorm en locatie van bekendmaking zijn in zo’n geval overigens van toepassing.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet deze uitzondering terughoudend worden toegepast. Uit de term ‘bijlage’ volgt dat het bij de toepassing van artikel 7 van de Bekendmakingswet niet kan gaan om het gehele algemeen verbindend voorschrift of de gehele beleidsregel. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor het Staatsblad en de Staatscourant geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 218, nr. 3, p. 41). Om te bewaken dat artikel 7 terughoudend wordt toegepast, is in dat artikel de figuur opgenomen van de instemming door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie dient te worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen. Bij wetten en algemene maatregelen van bestuur wordt de instemming van de ministerraad met het voorstel van wet onderscheidenlijk het ontwerpbesluit geacht de instemming in te houden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de publicatie door middel van het aangewezen andere algemeen toegankelijk elektronisch medium.
Het bepalen dat een bijlage wordt bekendgemaakt door middel van een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium, geschiedt door middel van een bepaling in het lichaam van de regeling zelf, en wordt naar die bepaling verwezen in het slotformulier: zie aanwijzing 4.32. Wanneer de in de regeling aangegeven locatie moet worden aangepast, bijvoorbeeld omdat het internetadres wordt gewijzigd, dient dat ook te leiden tot wijziging van het aangegeven adres in die regeling.
1 Wijziging of intrekking van een regeling geschiedt door een regeling van gelijke orde.
2 Intrekking door een regeling van hogere orde komt alleen in aanmerking in de situatie, bedoeld in aanwijzing 6.24, tweede lid.
1 Indien het voornemen bestaat in een regeling een omvangrijke wijziging aan te brengen, wordt overwogen de regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen.
2 Bij vervanging van een regeling door een nieuwe regeling wordt de oude regeling uitdrukkelijk ingetrokken.
Indien de vaststelling van een nieuwe regeling een groot aantal wijzigingen in andere regelingen nodig maakt, wordt overwogen deze wijzigingen in een afzonderlijke regeling onder te brengen.
Toelichting
De afzonderlijke regeling kan een aanpassings- of invoeringsregeling zijn. Een aanpassingsregeling strekt alleen tot aanpassing van andere regelingen aan de nieuwe regeling. Een invoeringsregeling voorziet ook in de inwerkingtreding van de nieuwe regeling en eventueel in overgangsbepalingen.
Tot een wijzigingswet waarin meerdere inhoudelijke onderwerpen worden geregeld wordt in principe slechts overgegaan indien
de verschillende onderdelen samenhang hebben;
de verschillende onderdelen niet van een omvang en complexiteit zijn die een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen; en
het op voorhand niet de verwachting is dat één van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in het geding komt.
Toelichting
Deze aanwijzing heeft betrekking op zogenoemde verzamelwetten: wetten die, anders dan wetten die één bepaald onderwerp regelen, wijzigingen met betrekking tot meerdere onderwerpen bevatten. Verzamelwetten bestaan in verschillende vormen. Het kunnen bijvoorbeeld wetten zijn waarmee bepaalde rechtsontwikkelingen worden geconsolideerd, wetten waarmee EU-regelgeving wordt geïmplementeerd of aanpassings- of invoeringswetten in verband met de totstandkoming van een nieuwe wet (zie ook aanwijzing 6.3). Daarvan te onderscheiden zijn de zogenoemde technische verzamelwetten (ook wel herstel-, veeg- of reparatiewetten genoemd). Deze wetten worden gebruikt om technische aanpassingen te doen of om omissies in wetgeving te herstellen die naar verwachting zonder inhoudelijke discussie door het parlement aanvaard zullen worden. Op deze vorm van verzamelwetten is deze aanwijzing niet van toepassing.
Zie met betrekking tot de implementatie van EU-regelgeving ook aanwijzing 9.4.
Onderdeel a. Het eerste criterium ziet op de samenhang tussen de verschillende onderdelen van een verzamelwet. Bij het opnemen van verschillende onderdelen in een wetsvoorstel is van belang dat hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan de constitutionele positie van de Eerste Kamer. De Eerste Kamer kan op basis van artikel 85 van de Grondwet wetsvoorstellen slechts in hun geheel aannemen of verwerpen. Het is niet wenselijk dat de Eerste Kamer een inhoudelijke verzamelwet krijgt voorgelegd waarbij de onderlinge samenhang ontbreekt. Van samenhang is sprake bij
inhoudelijke samenhang;
budgettaire samenhang, zoals bij wetgeving waarbij de opbrengst van bepaalde maatregelen wordt gebruikt als dekking voor andere maatregelen;
thematische samenhang waarbij de samenhang zijn grond vindt in de aard van de onderwerpen; of
uitvoeringstechnische samenhang, zoals bij wetgeving waarbij voor de doelgroep of de betrokken uitvoeringsinstantie gelijktijdige invoering gewenst is.
Onderdeel b. Uitgangspunt bij een verzamelwet is dat deze bestaat uit verschillende onderdelen die als zodanig niet dermate groot en inhoudelijk complex zijn dat dit een separaat wetsvoorstel rechtvaardigt. Tegen een wat groter onderdeel dat politiek en technisch gezien eenvoudig te behandelen is, bestaat geen bezwaar. Teneinde te voorkomen dat het parlement geconfronteerd wordt met grote afzonderlijke onderdelen van een verzamelwet die een inhoudelijke behandeling vergen, is het wenselijk dergelijke onderdelen in een zelfstandig wetsvoorstel op te nemen.
Onderdeel c. Bij het opstellen van een verzamelwetsvoorstel is het raadzaam dat een inschatting plaatsvindt van de politieke gevoeligheid van de verschillende onderdelen. Het is niet raadzaam om een onderdeel in een verzamelwet op te nemen waarvan bij voorbaat helder is dat dit politiek gezien omstreden is. Het opnemen van een politiek gevoelig onderdeel kan ertoe leiden dat de behandeling van dat onderdeel veel tijd vergt. Hierdoor kan het verzamelwetsvoorstel vertraging oplopen waardoor de andere onderdelen van het wetsvoorstel later dan nodig in werking kunnen treden. Het in het gedrang komen van die andere onderdelen kan weer leiden tot druk op het parlement om toch met het wetsvoorstel in te stemmen, ook al is het parlement van oordeel dat het politiek gevoelige punt nog parlementaire behandeling vergt.
Zie ook de bij brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 juli 2011 aan de Eerste Kamer aangeboden notitie over verzamelwetgeving (Kamerstukken I 2010/11, 32500 VI, M).
Indien een regeling strekt tot wijziging van meerdere regelingen, kunnen de wijzigingsbepalingen worden geplaatst
in volgorde naar omvang of aard van de wijziging;
in alfabetische volgorde van de te wijzigen regelingen;
in volgorde naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder de te wijzigen regelingen ressorteren.
Toelichting
Variant a wordt vaak toegepast bij wijzigingsregelingen die zowel inhoudelijke wijzigingen als daaruit voortvloeiende technische aanpassingen in andere regelingen bevatten. Een logische opbouw van de regeling is dan om eerst de inhoudelijke wijzigingen van een bepaalde regeling op te nemen en pas daarna de daaruit voortvloeiende technische aanpassingen in andere regelingen. De varianten b en c zijn vooral geschikt voor wijzigingsregelingen waarbij een groot aantal bestaande regelingen wordt gewijzigd. Daarbij is in variant b de (citeer)titel van de regeling bepalend, terwijl in variant c de volgorde van de hoofdstukken van de rijksbegroting wordt gevolgd. Combinaties van de drie varianten zijn ook mogelijk: bijvoorbeeld eerst de meer inhoudelijke wijzigingen van een regeling, waarna voor de daaruit voortvloeiende technische aanpassingen van andere regelingen de alfabetische volgorde wordt aangehouden.
1 Een regeling die slechts betrekking heeft op wijziging of intrekking van een of meer bestaande regelingen, wordt ingedeeld in artikelen met Romeinse cijfers.
2 Indien een nieuwe regeling tevens strekt tot wijziging of intrekking van bestaande regelingen, worden ook de wijzigings- of intrekkingsbepalingen genummerd met Arabische cijfers.
3 In een omvangrijke aanpassings- of invoeringsregeling waarin regelingen van verschillende ministeries worden gewijzigd of ingetrokken, kan voor een andere nummering worden gekozen.
Het opschrift en de aanhef van een regeling worden niet gewijzigd.
Toelichting
Het opschrift en de aanhef van een regeling vormen met het slotformulier het deel van de regeling dat een eenmalige, aan het tijdstip van totstandkoming gebonden, betekenis heeft. Dit deel, en dus ook de considerans van een wet en de passage ‘Gelet op ...’ in de aanhef van een andere regeling, kan bij een latere wijziging van de regeling niet meer worden gewijzigd. Indien de strekking van een wet wordt gewijzigd, kan dit tot uitdrukking worden gebracht in het opschrift en de considerans van de wet die in de wijziging voorziet. Wel dient in het oog gehouden te worden dat bij wijziging van een wetsvoorstel tijdens de parlementaire behandeling aanpassing van het opschrift en de considerans noodzakelijk kan zijn. Dit kan bij nota van wijziging (zie paragraaf 6.4). Het opschrift en de considerans zijn ook vatbaar voor amendering.
1 Indien een gewijzigde dan wel nieuwe regeling een nieuwe grondslag biedt aan bestaande uitvoeringsregelingen kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen: Na de inwerkingtreding van deze wet / dit besluit berust [betrokken uitvoeringsregeling] [mede] op artikel [de nieuwe delegatiebepaling] van deze wet / dit besluit.
2 Indien het wenselijk is dat niet in de hogere regeling, maar in de uitvoeringsregeling de nieuwe grondslag wordt vermeld, kan een bepaling overeenkomstig het volgende model worden opgenomen: Dit besluit / Deze regeling berust [mede] op [artikel / de artikelen ...] van [delegerende wet / delegerend besluit].
3 Indien een regeling een nieuwe grondslag biedt aan een bestaande uitvoeringsregeling of indien een uitvoeringsregeling wordt gewijzigd met gebruikmaking van een nieuwe grondslag, wordt in de toelichting bij die regeling een overzicht opgenomen van de verschillende onderdelen van de integrale uitvoeringsregeling en de grondslagen waarop zij berusten.
1 Vervanging van een tekst in een regeling wordt vormgegeven met de uitdrukking ‘wordt vervangen door’ of, voor zover dit taalkundig mogelijk is, met de uitdrukking ‘komt te luiden:’.
2 Bij de vervanging van woorden of zinsneden wordt zowel de te vervangen tekst als de nieuwe tekst tussen aanhalingstekens geplaatst.
3 Indien een artikel of onderdeel daarvan wordt vervangen, begint de nieuwe tekst met de aanduiding van het artikel of het onderdeel.
Bij wijziging van een bepaling wordt ten minste een gehele lees- of begripseenheid vervangen door een nieuwe lees- of begripseenheid.
Toelichting
Dus niet: ‘Buitenlandse’ wordt vervangen door ‘Algemene’, maar: ‘Ministerie van Buitenlandse Zaken’ wordt vervangen door ‘Ministerie van Algemene Zaken’.
1 Voor het opnemen van een nieuw artikel of ander onderdeel van een regeling of het aanvullen van de bestaande tekst van een artikel of ander onderdeel van een regeling wordt het werkwoord ‘invoegen’ of ‘toevoegen’ gebruikt.
2 In een wijzigingsbepaling worden in of toe te voegen woorden en zinsneden tussen aanhalingstekens geplaatst.
1 Het schrappen van een artikel of ander onderdeel van een regeling of het schrappen van een woord of zinsnede wordt aangeduid met het werkwoord ‘vervallen’. Het werkwoord ‘intrekken’ wordt slechts gebruikt voor het beëindigen van de gelding van een gehele regeling.
2 In een wijzigingsbepaling worden woorden of zinsneden die vervallen tussen aanhalingstekens geplaatst.
Bij wijziging van een regeling kunnen bestaande bepalingen strekkende tot wijziging van andere regelingen en andere uitgewerkte bepalingen van die regeling vervallen.
Toelichting
Het doen vervallen verdient in het bijzonder aanbeveling indien bij wijziging van een regeling tevens opdracht wordt gegeven tot plaatsing van de integrale actuele tekst van de regeling (zie aanwijzing 6.22, tweede lid). Bij uitgewerkte bepalingen kan ook gedacht worden aan materieel uitgewerkte overgangsbepalingen.
Het vervallen van een bijlage bij een regeling wordt uitdrukkelijk geregeld.
Toelichting
Voor het laten vervallen van een bijlage kan niet worden volstaan met het laten vervallen van het artikel waarbij de bijlage behoort.
Zie voor bijlagen ook de aanwijzingen 3.61 en 3.62.
1 In een wijzigingsregeling en in de slotbepalingen van een nieuwe regeling wordt voor iedere te wijzigen regeling een artikel gebruikt.
2 Binnen een afzonderlijk artikel worden de verschillende wijzigingen van een regeling aangeduid met hoofdletters.
3 In het geval, bedoeld in het tweede lid, worden de verschillende wijzigingen in een artikel van een regeling aangeduid met Arabische cijfers of kleine letters.
1 De nummering van bij wijziging ingevoegde artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen geschiedt met behulp van letters, die worden toegevoegd aan de bestaande nummers.
2 Een eenmaal aangevangen wijze van nummering wordt voortgezet.
1 Bij wijziging van regelingen worden artikelen, boeken, delen, hoofdstukken, titels, afdelingen en paragrafen niet vernummerd, tenzij dit voor een logische nummering van de regeling wenselijk is.
2 De leden, onderdelen en subonderdelen van een artikel worden wel vernummerd of verletterd, tenzij daartegen overwegend bezwaar bestaat.
1 Het invoegen of vervallen van een artikellid geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden: A. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 2. (...) B. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.
2 Het wijzigen van de aanduiding van een artikelonderdeel of het invoegen of toevoegen van een artikelonderdeel geschiedt overeenkomstig de volgende voorbeelden: A. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot d tot en met g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: c. (...) B. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: e. (...) C. Onder vervanging van ‘; of’ aan het slot van onderdeel c door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door ‘; of’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: e. (...)
3 Het toevoegen van een of meer leden aan een artikel dat nog niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: 1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst. 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: 2. (...)
4 Het wijzigen van een uit leden bestaand artikel tot een artikel dat niet uit leden bestaat, geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld: Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.
Indien een artikel, lid of onderdeel in één wijzigingsregeling zowel wordt vernummerd of verletterd als gewijzigd, wordt dat artikel, lid of onderdeel ten behoeve van die wijziging aangeduid met de nieuwe nummering of lettering, met toevoeging van de vermelding ‘(nieuw)’.
Voorbeeld
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd
Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende
(...)
In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘tweede en derde lid’ vervangen door ‘tweede tot en met vierde lid’.
In een overgangsbepaling ter zake van een wijziging van een voorschrift wordt verwezen naar het gewijzigde voorschrift en niet naar de wijzigingsbepaling.
Toelichting
Deze aanwijzing wordt toegelicht aan de hand van een voorbeeld: In artikel I, onderdeel C, van een wijzigingsregeling wordt een artikel 8a ingevoegd, dat een beperking bevat van aanspraken die in artikel 8 aan een bepaalde groep van personen worden gegeven. Die beperking moet tot 1 januari 2004 niet gelden voor personen uit de groep die zijn geboren voor 1 januari 1930. De betrokken overgangsbepaling van de wijzigingsregeling moet dan niet luiden: ‘Artikel I, onder C, geldt tot 1 januari 2004 niet voor personen die geboren zijn voor 1 januari 1930.’, maar: ‘Artikel 8a van [aanduiding gewijzigde regeling] geldt tot en met 31 december 2003 niet voor personen die geboren zijn voor 1 januari 1968.’.
Bij complexe wijzigingsvoorstellen wordt ter verduidelijking van de voorgestelde wijzigingen in een wet of algemene maatregel van bestuur, een vergelijkend overzicht van de te wijzigen bepalingen en de voorgestelde bepalingen aan de Afdeling advisering van de Raad van State, respectievelijk aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden.
Toelichting
Dit overzicht kan een apart stuk zijn, dan wel in of als bijlage bij de memorie of nota van toelichting worden opgenomen. Ook in een later stadium van de behandeling van een wetsvoorstel (bij indiening van een nota van wijziging) kan een vergelijkend overzicht nuttig zijn.
1 Na wijziging van een regeling wordt geen integrale tekst van die regeling in het Staatsblad of de Staatscourant geplaatst.
2 In afwijking van het eerste lid kan een integrale tekst worden geplaatst, indien het gewenst is tevens tot vernummering van de gehele gewijzigde regeling over te gaan, of de tekst van de gewijzigde regeling die in oude spelling is geformuleerd, over te brengen naar de geldende spelling. In die gevallen wordt daartoe een bepaling opgenomen in de wijzigingsregeling, overeenkomstig het volgende model: De tekst van [aanduiding van de betrokken regeling] wordt in [het Staatsblad / de Staatscourant] geplaatst.
3 In geval van vernummering wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd: Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] stelt [Onze Minister / de Minister (van/voor...)] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van [aanduiding van de betrokken regeling] opnieuw vast en brengt hij de in [die wet / dat besluit / die regeling] voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.
4 Ingeval van overbrenging in de geldende spelling wordt aan het model, bedoeld in het tweede lid, toegevoegd: Voor de plaatsing in [het Staatsblad / de Staatscourant] wordt de tekst door [Onze Minister /de Minister (van/voor...)] overgebracht in de geldende spelling.
Intrekking van een regeling geschiedt overeenkomstig het volgende voorbeeld
De Vuurwapenwet 1919 wordt ingetrokken.
Toelichting
Bij intrekking van meer regelingen dienen deze elk afzonderlijk te worden aangeduid. Intrekking door middel van een algemene formule is niet toegestaan.
Intrekking van een regeling met uitzondering van een of meer artikelen is niet mogelijk. In dat geval moet of voor wijziging worden gekozen of voor onderbrenging van de overgebleven artikelen in een nieuwe regeling.
Bij intrekking van meerdere regelingen hoeft niet voor elke in te trekken regeling een apart artikel te worden gebruikt. Indien het past in de opbouw van de regeling, is het ook mogelijk om in één artikel een opsomming op te nemen van alle in te trekken regelingen (‘De volgende wetten / besluiten / regelingen worden ingetrokken:’). Zie bijvoorbeeld artikel 7.1 van het Besluit houders van dieren.
Zie ook aanwijzing 6.12 (terminologie ‘vervallen’ en ‘intrekken’).
1 Bij de gehele of gedeeltelijke intrekking van een regeling wordt mede ingetrokken de op deze regeling of het in te trekken gedeelte daarvan gebaseerde uitvoeringsregelgeving, tenzij voor die regelgeving een andere grondslag bestaat of specifiek bij die gelegenheid tot stand wordt gebracht.
2 De intrekking kan geschieden in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de delegerende regeling.
3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het laten vervallen van bepalingen in een uitvoeringsregeling in verband met het vervallen van de grondslag daarvan.
1 Een regeling die terstond is uitgewerkt nadat zij in werking is getreden, wordt niet ingetrokken.
2 Evenmin wordt in een dergelijke regeling voorzien in het vervallen van de regeling.
1 Het wijzigen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht leidt niet tot aanpassing van de aangebrachte wijzigingen. Evenmin maakt het laten vervallen van een al uitgevoerde wijzigingsopdracht de aangebrachte wijzigingen ongedaan.
2 Een ingetrokken regeling of een vervallen bepaling herleeft niet door het laten vervallen van de bepaling, krachtens welke zij is ingetrokken of vervallen.
1 Door de regering gewenste veranderingen in door haar ingediende voorstellen van wet krijgen de vorm van een nota van wijziging.
2 Het opstellen van een nota van wijziging geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen 6.9 tot en met 6.12 en 6.16.
3 In het opschrift worden een tweede, derde en volgende nota van wijziging als zodanig aangeduid.
4 De aanhef van een nota van wijziging luidt: Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd
5 Een nota van wijziging wordt niet ingedeeld in artikelen. De onderdelen worden met hoofdletters of Arabische cijfers aangeduid. Een eventuele verdere onderverdeling geschiedt met Arabische cijfers of kleine letters.
1 Een nota van wijziging wordt van een toelichting voorzien.
2 Betreft het een nota van wijziging die tegelijk met een nota naar aanleiding van het verslag wordt ingediend, dan kan ter toelichting worden volstaan met een verwijzing naar een bepaald gedeelte van de nota naar aanleiding van het verslag.
1 Een nota van wijziging wordt niet ondertekend, de toelichting op een nota van wijziging wel.
2 De toelichting op een nota van wijziging wordt bij voorkeur alleen ondertekend door de eerstverantwoordelijke bewindspersoon. De medebetrokkenheid van een of meer andere bewindspersonen wordt in dat geval in de toelichting tot uitdrukking gebracht.
Indien tijdens de schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel een nota van wijziging met inhoudelijke betekenis wordt overwogen, wordt overlegd met het Ministerie van Justitie en Veiligheid of die nota van wijziging aan een wetgevingstoets zal worden onderworpen.
Toelichting
Zie over de toetsing van ontwerpregelgeving door de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten algemene: aanwijzing 7.4.
Om tijdsverlies in de wetgevingsprocedure te voorkomen en vanwege de soms krappe termijnen tijdens de mondelinge behandeling, beperkt deze toetsing zich tot nota’s van wijziging met inhoudelijke betekenis in de fase van schriftelijke behandeling van een wetsvoorstel. Onderdeel van de toetsing is de vraag of de nota van wijziging ingrijpend is en dientengevolge aan de ministerraad moet worden voorgelegd, met het oog op het vragen van advies daarover aan de Afdeling advisering van de Raad van State (zie ook aanwijzing 7.15, tweede lid).
Indien de regering een ingediend amendement overneemt, blijft de indiening van een nota van wijziging ter zake achterwege.
Toelichting
Een amendement kan pas worden overgenomen, nadat is gebleken dat het niet vanuit de Kamer wordt bestreden. Het amendement kan zowel tijdens de plenaire beraadslaging als in een wetgevingsoverleg worden overgenomen (zie artikel 9.8 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer). Overneming pleegt daarbij eerst in de tweede termijn of tijdens de artikelsgewijze behandeling plaats te vinden. De voorzitter van de Kamer, of de commissievoorzitter tijdens een wetgevingsoverleg, overtuigt zich ervan dat geen van de in de vergaderzaal aanwezige leden tegen de overneming bezwaren heeft en constateert vervolgens dat het amendement is overgenomen. Het amendement wordt niet meer in stemming gebracht. Door het overnemen van een amendement wordt het wetsvoorstel per direct gewijzigd (en dus niet pas na aanvaarding zoals bij een door de Kamer aangenomen amendement het geval is).
Tijdens de behandeling van een wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt geen wijziging aangebracht in de nummering van de artikelen of, bij wijzigingswetten, in de lettering van de verschillende onderdelen van een artikel, tenzij dit onvermijdelijk is.
Toelichting
Tussentijdse wijziging in de nummering van een wetsvoorstel leidt ertoe dat de totstandkomingsgeschiedenis van een bepaling moeilijker is terug te vinden in de parlementaire stukken. Tussentijdse wijziging in de nummering vindt alleen plaats indien een in te voegen artikel anders niet op praktische wijze van een nummer kan worden voorzien. Ingevolge artikel 9.13 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is de voorzitter van de Tweede Kamer bevoegd een wetsvoorstel na aanneming door de Tweede Kamer te vernummeren (zie ook aanwijzing 6.33). Leden en (sub)onderdelen van artikelen worden bij wijziging van een wetsvoorstel wel vernummerd of verletterd.
Wijzigingswetten. Nieuwe onderdelen die worden ingevoegd in een artikel van een wijzigingswet, worden geletterd door de hoofdletter van het voorgaande onderdeel te herhalen en daaraan in alfabetische volgorde een kleine letter toe te voegen (‘Aa, Ab, Ac, etc.’). Zie aanwijzing 6.16, eerste lid, voor het invoegen van artikelen.
Indien een onderdeel wordt ingevoegd vóór onderdeel A van een artikel, wordt dat onderdeel geletterd ‘aA’. Indien dat op praktische bezwaren stuit, kan ervoor worden gekozen het bestaande onderdeel A te verletteren tot Aa en een nieuw onderdeel A in te voegen. Bij het invoegen van twee of meer onderdelen wordt de ingezette reeks voortgezet: ‘aA, bA, cA, etc.’ (bij handhaving van de bestaande lettering). Zie ook de toelichting bij aanwijzing 6.16.
1 Indien er de voorkeur aan wordt gegeven dat de (eerst)verantwoordelijke bewindspersoon en niet de voorzitter van de Tweede Kamer zorg draagt voor een doorlopende nummering van een wet, wordt dit bepaald overeenkomstig het volgende model: Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister [van/voor ...] de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2 In dat geval geschiedt de vaststelling van de nieuwe nummering en het daarmee in overeenstemming brengen van de desbetreffende aanhalingen bij een door de betrokken bewindspersoon vastgesteld en ondertekend besluit overeenkomstig het volgende model: De Minister van/voor ... / de Staatssecretaris van ..., Gelet op artikel ... [bepaling overeenkomstig het in het eerste lid gegeven model]; Besluit: Enig artikel Overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage wordt de nummering van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] van de ... [citeertitel van de wet] opnieuw vastgesteld en worden de in die wet voorkomende aanhalingen van de artikelen [, hoofdstukken en paragrafen] met de nieuwe nummering in overeenstemming gebracht.
Indien het gewenst is ten aanzien van een wetsvoorstel tijdens of na de behandeling in de Eerste Kamer maar voor de bekrachtiging door de Koning een wijzigingsvoorstel in te dienen, wordt dit voorstel geformuleerd overeenkomstig het volgende model
ARTIKEL I
Indien het bij [koninklijke boodschap van [datum] ingediende / geleidende brief van [datum] aanhangig gemaakte] voorstel van wet [als aanwijzing 3.43, tweede lid] tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd: ...
Toelichting
Een wijzigingswet als bedoeld in deze aanwijzing wordt een novelle genoemd. Zie aanwijzing 3.43, tweede lid, voor de wijze waarop bij de toepassing van het model de verwijzing naar het Kamerstuknummer wordt vormgegeven.
Zie voor de inwerkingtreding van een novelle aanwijzing 4.21, eerste lid.
Bij de voorbereiding van een regeling worden de onderdelen van andere ministeries betrokken die bemoeienis hebben met het te regelen onderwerp of een onderdeel daarvan of met onderwerpen die door de regeling worden geraakt.
1 Over een regeling die van betekenis is voor het rijksbeleid inzake decentrale overheden, overlegt het eerstverantwoordelijke ministerie in een vroegtijdig stadium met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2 Indien de regeling wijziging brengt in de taken en bevoegdheden van decentrale overheden, vindt tijdig overleg plaats met de beheerders van het gemeentefonds, het provinciefonds of het BES-fonds over de financiële gevolgen daarvan.
1 Bij de voorbereiding van een regeling die een koninkrijksaangelegenheid betreft, vindt overleg plaats met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt van contacten met de kabinetten van de Gevolmachtigde Ministers op de hoogte gehouden.
2 Het eerste lid is eveneens van toepassing bij de voorbereiding van een regeling ten aanzien waarvan concordantie is voorgeschreven.
1 Vanwege de primaire verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de toetsing van wetgeving op rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit, met inbegrip van de constitutionele, Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke toetsing van wetgeving, worden de volgende stukken, voordat zij ter behandeling aan de ministerraad of een onderraad worden aangeboden, ter toetsing aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voorgelegd: a. voorstellen van wet; b. ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur; c. ingrijpende nota’s van wijziging op een wetsvoorstel; d. een voorstel van wet of ontwerp van een algemene maatregel van bestuur en het nader rapport daarbij, ingeval het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State daarop ingrijpende kritiek op inhoud of vormgeving bevat.
2 Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het beheer van de Grondwet werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de constitutionele toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3 Vanwege de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke toetsing van wetgeving samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
4 Het voorleggen geschiedt dusdanig tijdig, dat er voldoende ruimte is voor reëel overleg over alternatieve mogelijkheden, indien de Directie Wetgeving en Juridische Zaken dat noodzakelijk acht.
5 Het eerste lid is niet van toepassing op stukken als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, waarover in overleg tussen het betrokken ministerie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid is bepaald dat deze niet ter toetsing voorgelegd hoeven worden.
1 In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor bedrijven en voor het milieu uiteengezet en waar nodig gekwantificeerd.
2 De wijze waarop de gevolgen voor bedrijven in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.
In de toelichting bij een regeling worden de gevolgen van de regeling voor de regeldruk uiteengezet en gekwantificeerd.
De wijze waarop de gevolgen voor de regeldruk in de toelichting zijn weergegeven wordt getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk.
Toelichting
Eerste lid. Zie ook aanwijzing 4.45.
Tweede lid. Zie voor de wijze van toetsing het Instellingsbesluit Adviescollege toetsing regeldruk.
Bij een regeling met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 wordt advies gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing.
Toelichting
Ingevolge het Instellingsbesluit Adviescollege ICT-toetsing dienen ICT-projecten met een ICT-component van ten minste € 5.000.000 van de ministeries, publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, de politie of de Raad voor de rechtspraak voorgelegd te worden aan het Adviescollege ICT-toetsing teneinde een advies te verkrijgen over de risico’s en slaagkans, alsmede een oordeel over de mate van beheersbaarheid daarvan. Het adviestraject leidt tot een openbaar advies.
1 In de toelichting bij een regeling worden door het eerstverantwoordelijke ministerie in daarvoor in aanmerking komende gevallen de gevolgen van de regeling voor decentrale overheden uiteengezet.
2 De wijze waarop dit aspect is verantwoord in de toelichting bij de regeling wordt getoetst door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1 Bij de voorbereiding van regelingen beziet het voor de regeling eerstverantwoordelijke ministerie steeds of bindende EU-rechtshandelingen of andere internationale verplichtingen ertoe noodzaken het ontwerp van de regeling te notificeren aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie.
2 Bij de bepaling van het tijdstip van vaststelling van de regeling wordt in voorkomend geval de voorgeschreven standstillperiode in acht genomen dan wel stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van de desbetreffende instelling afgewacht.
1 Indien in een regeling voorschriften worden vastgesteld die ingevolge een bindende EU-rechtshandeling of andere internationale verplichting in ontwerp zijn genotificeerd aan een instelling van de Europese Unie of van een andere internationale organisatie, wordt dat vermeld in het algemeen deel van de toelichting bij die regeling, onder verwijzing naar de desbetreffende EU-rechtshandeling of internationale verplichting. Voor de vermelding wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: [Het voorstel van wet / Het ontwerpbesluit / De ontwerpregeling] is op [datum notificatie] ingevolge artikel ... van [aanduiding bindende EU-rechtshandeling of internationale verplichting] voorgelegd aan [aanduiding instelling]. Naar aanleiding van de reacties van [aanduiding instelling of andere betrokkenen] wordt het volgende opgemerkt. [reactie of doorgevoerde aanpassingen].
2 Indien het een notificatie in het kader van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235) betreft, wordt daarvan tevens mededeling gedaan in de Staatscourant. Voor de mededeling wordt het volgende model als uitgangspunt genomen: Ter voldoening aan [artikel 2, negende lid, / artikel 5, zesde lid,] van de op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235), deelt de Minister [van / voor ...] mee dat een [voorstel van wet / ontwerpbesluit / ontwerpregeling tot / , houdende ...] waarin [technische voorschriften / voorschriften omtrent keuringen] worden gesteld aan [aanduiding soort goederen], is gemeld aan het Secretariaat van de Wereldhandelsorganisatie. Informatie over deze technische voorschriften kan worden ingewonnen bij het Ministerie van [...].
1 Aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden geen voorstellen van wet of ontwerpen voor een algemene maatregel van bestuur voorgelegd, ten aanzien waarvan de beleidsvoorbereiding en de besluitvorming in de ministerraad nog niet is afgerond.
2 Een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur wordt in beginsel niet eerder aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd, dan nadat het wetsvoorstel dat aan de algemene maatregel van bestuur ten grondslag ligt, door de Tweede Kamer is aanvaard.
Bij een adviesaanvraag aan de Afdeling advisering van de Raad van State over een voorstel van wet of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur worden de volgende adviezen over dat voorstel of ontwerp die door het ministerie zijn ontvangen, aan de Afdeling advisering toegezonden
adviezen van de Europese Commissie;
adviezen van adviescolleges;
adviezen van belangrijke organisaties van belanghebbenden indien kennisneming ervan kan dienen tot een beter inzicht in de in het voorstel of het ontwerp en de toelichting vervatte beleidskeuzen;
overige adviezen waarnaar in de memorie of nota van toelichting wordt verwezen;
overige adviezen, waarvan de verantwoordelijke bewindspersoon toezending wenselijk acht.
Het vragen van een spoedbehandeling van een adviesaanvraag kan slechts worden gedaan met machtiging van de ministerraad.
Toelichting
Indien een voorgesteld verzoek om spoedbehandeling betrekking heeft op een ontwerpregeling die in een onderraad van de ministerraad wordt behandeld, kan het voorstel aan de onderraad worden toegezonden.
Het ligt in de rede dat de ministerraadsbehandeling van een voorgesteld verzoek om spoedbehandeling gelijktijdig plaatsvindt met de behandeling van de ontwerpregeling waarop het verzoek betrekking heeft. Dit zal echter niet mogelijk zijn indien er na de behandeling in de ministerraad, doch voor de toezending aan de Afdeling advisering van de Raad van State, nog tijd gemoeid is met andere procedures, zoals voorpublicatie en advisering door adviescolleges. In die gevallen moet een voorgesteld verzoek om spoedbehandeling na afronding van die procedures aan de ministerraad worden voorgelegd, waarbij in het algemeen evenwel kan worden afgeweken van de 7-dagentermijn die geldt voor het aanbieden van stukken aan de ministerraad.
De beslissing om een spoedbehandeling te vragen blijft primair behoren tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Het is wel van belang dat steeds een zorgvuldige afweging wordt gemaakt; het vragen van spoedadvies dient uitzondering te zijn.
Voor het voorstel aan de ministerraad om een spoedbehandeling kan worden volstaan met de brief aan de vice-president van de Raad van State waarin wordt verzocht om een spoedbehandeling van de adviesaanvraag. Deze brief wordt in concept aan de ministerraad voorgelegd.
Een beslissing als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet open overheid, tot het uitstellen van de openbaarmaking van een ontwerpregeling, de bijbehorende adviesaanvraag en het daarop betrekking hebbende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, wordt slechts genomen met machtiging van de ministerraad.
De Woo voorziet in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, in een uitzondering op de hoofdregel dat ontwerpregelingen waarover advies wordt gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen een termijn van twee weken actief openbaar worden gemaakt. Deze uitzondering geldt tevens voor de openbaarmaking van het uitgebrachte advies, waarvoor als hoofdregel eveneens een tweewekentermijn geldt (deze hoofdregel vloeit thans voort uit artikel 10.2b Woo, dat voorziet in overgangsrecht zolang artikel 3.3, tweede lid, Woo inzake actieve openbaarmaking nog niet in werking is getreden). De mogelijkheid om de openbaarmaking uit te stellen is uitsluitend bedoeld voor situaties waarin openbaarmaking conform de tweewekentermijn afbreuk zou doen aan een met de regeling beoogd doel. In de parlementaire geschiedenis van de Woo genoemde voorbeelden zijn de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius en fiscale wetten die anticiperend gedrag kunnen uitlokken. Een dergelijke situatie zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
De beslissing om de openbaarmaking van de genoemde stukken uit te stellen behoort primair tot de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon. Van belang is dat aan deze beslissing een zorgvuldige afweging voorafgaat. Daarbij dient afstemming plaats te vinden met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Voor het voorstel aan de ministerraad om deze uitzondering uit de Woo toe te passen kan worden volstaan met het ontwerp van de brief van de verantwoordelijke minister aan de vice-president van de Raad van State waarin gemotiveerd kennis wordt gegeven van de uitgestelde openbaarmaking. Deze brief wordt in concept aan de ministerraad voorgelegd.
Artikel 3.3, vijfde lid, onder a, Woo is eveneens van toepassing op eventuele adviesaanvragen voorafgaand aan adviesaanvragen aan de Afdeling advisering. In die fase is geen instemming van de ministerraad noodzakelijk. In dergelijke gevallen zal echter als genoemde bepaling aan de orde is, terughoudend worden omgegaan met andere formele adviesaanvragen dan het wettelijk verplichte advies van de Afdeling advisering.
Indien tijdens de adviesprocedure bij de Afdeling advisering van de Raad van State blijkt dat aan de voortzetting van de behandeling van een wetsvoorstel of het ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur geen behoefte meer bestaat, bevordert de eerstverantwoordelijke bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de ministerraad, dat de adviesaanvraag wordt ingetrokken.
In het nader rapport aan de Koning wordt het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State integraal opgenomen en wordt de reactie daarop te bestemder plaatse tussengevoegd.
Toelichting
De zelfstandige leesbaarheid van het nader rapport wordt vergroot door daarin de tekst van het advies van de Afdeling advisering op te nemen en daar de puntsgewijze reactie tussen te plaatsen. Algemene opmerkingen die niet specifiek gerelateerd zijn aan punten in het advies worden in het begin of aan het eind van het nader rapport opgenomen.
Indien bij gelegenheid van het nader rapport wijzigingen worden aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies van de Afdeling (en waarover de Afdeling niet ingevolge aanwijzing 7.16, eerste lid, wordt gehoord) wordt daarvan mededeling gedaan in een of meer afzonderlijk genummerde punten aan het slot van het nader rapport.
Indien een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State ingrijpende kritiek op de inhoud of de vormgeving van een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur bevat, wordt het wetsvoorstel of ontwerp opnieuw in de ministerraad aan de orde gesteld.
Toelichting
De volgende dicta geven aan dat van ingrijpende kritiek sprake is
‘De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.’ (dictum c)
‘De Afdeling advisering van de Raad van State heeft ernstige bezwaren tegen het voorstel en adviseert het niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.’ (dictum d)
Bij algemene maatregelen van bestuur luiden deze dicta overeenkomstig, met dien verstande dat het dictum in dat geval ziet op de besluitvorming van de regering over de algemene maatregel van bestuur.
Bij ingrijpende kritiek dienen de ontwerpregeling en het nader rapport ook ter toetsing te worden voorgelegd aan de sector Juridische Zaken en Wetgevingsbeleid van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (aanwijzing 7.4, eerste lid, onderdeel d).
1 Indien in een wetsvoorstel of een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur waarover de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft uitgebracht, vóór de indiening, onderscheidenlijk de vaststelling, daarvan ingrijpende wijzigingen worden aangebracht die niet het gevolg zijn van het advies van de Afdeling advisering, wordt de Afdeling over deze wijzigingen gehoord.
2 Indien in een ingediend wetsvoorstel door de regering ingrijpende wijzigingen worden aangebracht, wordt de Afdeling advisering over deze wijzigingen gehoord, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten.
3 De aanwijzingen 7.9, eerste lid, en 7.10 tot en met 7.14 zijn van overeenkomstige toepassing op de advisering over een nota van wijziging.
Over een bij amendement voorgestelde ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel wordt de Afdeling advisering van de Raad van State alleen gehoord, indien de betrokken bewindspersoon daaraan met het oog op zijn oordeelsvorming over het amendement behoefte gevoelt.
Toelichting
Gaat het om een wijziging waarbij het functioneren van de Raad van State in het geding is, dan ligt het voor de hand daarover het gevoelen van de Raad van State te vernemen, hetzij in de vorm van een adviesaanvrage, hetzij door raadpleging van de vice-president.
Advisering over een amendement is verder geïndiceerd indien de verenigbaarheid met hoger recht aan de orde is en de aanvaardbaarheid van dat amendement in dat licht moet worden bezien.
De in aanwijzing 7.10 bedoelde adviezen over een voorstel van wet worden aan de Tweede Kamer toegezonden.
Toelichting
Ingevolge artikel 80, tweede lid, van de Grondwet worden adviezen van vaste adviescolleges, uitgebracht ter zake van voorstellen van wet die door of vanwege de Koning worden ingediend, behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen aan de Staten-Generaal overgelegd. De aanwijzing omvat mede de andere aan de Afdeling advisering van de Raad van State overgelegde adviezen.
1 De nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling en de volgorde van het verslag.
2 Indien dat wenselijk is met het oog op verwijzing worden in de nota naar aanleiding van het verslag de onderdelen of vragen van het verslag genummerd wanneer dat niet is gebeurd in het verslag zelf.
3 Deze aanwijzing is van overeenkomstige toepassing op andere stukken die het karakter hebben van een puntsgewijze reactie op voorgelegde vragen of opmerkingen.
De beantwoording van een verslag van de Tweede Kamer vindt in beginsel plaats binnen eenzelfde termijn als die welke de Kamercommissie heeft genomen voor het uitbrengen van het verslag, waarbij als aanvangsdatum geldt de datum van de koninklijke boodschap.
Leden van de Tweede Kamer die een amendement willen voorstellen, kunnen het betrokken ministerie bijstand verzoeken bij het formuleren van amendementen. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.
Toelichting
Kamerleden, hun fractiemedewerkers en medewerkers van het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer kunnen ambtenaren rechtstreeks om ambtelijke bijstand verzoeken bij het opstellen van amendementen. Ambtenaren informeren hun bewindspersoon over het feit dat bijstand is verzocht en verleend. De ambtelijke bijstand bestaat uit juridische en wetgevingstechnische adviezen bij het formuleren van een amendement, of om toetsing van amendementen. De adviezen kunnen bijvoorbeeld ook juridische inpassing van een amendement in het wetsvoorstel betreffen, of de verenigbaarheid daarvan met Europees of internationaal recht. Verder kan het omvatten de verrichting van procedurele handelingen door het departement waartoe het amendement aanleiding zou geven, zoals notificatie bij de Europese Commissie (zie aanwijzing 9.19) of het verrichten van een specifiek voorgeschreven evenredigheidsbeoordeling en toepassing van publieke consultatie (zie de toelichting bij aanwijzing 2.15). Ingevolge artikel 9.5, tweede lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, worden amendementen beknopt toegelicht. De bijstand strekt zich in beginsel niet uit tot het formuleren van deze toelichting.
1 Een memorie van antwoord op een voorlopig verslag van de Eerste Kamer wordt uiterlijk veertien dagen vóór de beoogde datum van openbare behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel bij de Eerste Kamer ingediend.
2 In spoedeisende gevallen kan van deze termijn in overleg met de griffie van de Eerste Kamer worden afgeweken.
1 Intrekking van een bij de Tweede of de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel geschiedt bij brief van de betrokken bewindspersoon, daartoe gemachtigd door de Koning.
2 Is het wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer, dan wordt ook aan de voorzitter van de Tweede Kamer mededeling gedaan van de intrekking.
Leden van de Tweede Kamer die een initiatiefvoorstel van wet aanhangig willen maken, kunnen de betrokken bewindspersoon bijstand verzoeken bij het formuleren daarvan. Deze bijstand wordt zoveel mogelijk verleend.
Toelichting
Het gaat hier, evenals bij amendementen (aanwijzing 7.20), om juridische en wetgevingstechnische bijstand. Daarnaast kan het gaan om het verstrekken van feitelijke informatie ten behoeve van het door de indiener op te stellen algemeen deel van de memorie van toelichting, om het formuleren van passages voor de artikelsgewijze toelichting, of om het (door de directie FEZ) doorrekenen van de financiële gevolgen van het voorstel. Verder kan het omvatten de verrichting door het departement van procedurele handelingen waartoe het voorstel aanleiding zou geven, zoals notificatie bij de Europese Commissie (zie aanwijzing 9.19) of het verrichten van een specifiek voorgeschreven evenredigheidsbeoordeling en toepassing van publieke consultatie (zie de toelichting bij aanwijzing 2.15).
Voor het verlenen van bijstand bij het formuleren van een initiatiefvoorstel behoeft een ambtenaar toestemming van zijn bewindspersoon. Zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30095, nr. 5.
1 Bewindspersonen geven zowel bij de schriftelijke als bij de mondelinge behandeling van een initiatiefvoorstel alle inlichtingen en adviezen die van hen worden gevraagd en waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Bij de mondelinge behandeling zijn de bewindspersonen steeds aanwezig.
2 Bewindspersonen maken ook eigener beweging, zowel in de schriftelijke als in de mondelinge fase, alle opmerkingen die zij dienstig achten om te komen tot een goed wetgevingsproduct.
3 Ook tijdens de parlementaire behandeling van een initiatiefvoorstel wordt desgewenst aan de initiatiefnemers zoveel mogelijk en zo snel mogelijk ambtelijke bijstand van juridische en wetgevingstechnische aard verleend.
Bewindspersonen dragen er zorg voor dat zij in voorkomende gevallen over initiatiefvoorstellen kunnen spreken namens het kabinet. Daartoe stellen zij deze tijdig in de ministerraad aan de orde.
Zo spoedig mogelijk, maar niet later dan drie maanden na aanneming van een initiatiefvoorstel door de Eerste Kamer doet de betrokken bewindspersoon mededeling aan de Staten-Generaal omtrent de besluitvorming over het al dan niet bekrachtigen van het voorstel, of, indien een besluit nog niet is genomen, van de stand van zaken daaromtrent en van het tijdstip waarop nieuwe mededelingen als vorenbedoeld zullen worden gedaan.
Bij deze aanwijzing is ook van belang dat indien niet-bekrachtiging wordt overwogen, advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State dient te worden gevraagd, hetgeen consequenties heeft voor de procedure en de termijn daarvan.
1 Onder verdrag wordt verstaan: iedere op schrift gestelde overeenkomst die volgens volkenrechtelijke criteria voor de staat verbindend is.
2 In de Nederlandse titel van een verdrag wordt bij voorkeur de grondwettelijke term ‘verdrag’ gebruikt en niet de term ‘overeenkomst’.
3 In verdragen wordt het Koninkrijk der Nederlanden als zodanig aangeduid als partij bij het verdrag.
4 Bij de onderhandelingen over ontwerpverdragen wordt er naar gestreefd de staat – en derhalve niet de regering – als verdragspartij aan te duiden.
1 De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken bij de totstandbrenging van verdragen die voor de landen mede kunnen gelden of deze landen anderszins kunnen raken en bij de ter zake te volgen procedures.
2 De afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken onderhoudt de contacten hierover met de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 Over de voorbereiding van verdragen wordt in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Internationaal Recht en de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
2 Over de goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt met het oog op de coördinatie ter verzekering van een consistent verdragsbeleid in een zo vroeg mogelijk stadium contact gezocht met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
3 In gevallen dat het initiatief met betrekking tot verdragen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken ligt, zoekt de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken op haar beurt in een zo vroeg mogelijk stadium daarover contact met eventuele andere betrokken ministeries.
4 Over de voorbereiding en goedkeuring van verdragen, over het tot uitdrukking brengen van instemming door een verdrag gebonden te worden en over het voornemen een verdrag op te zeggen of al dan niet te verlengen, wordt eveneens contact gezocht met de onderdelen van andere ministeries die bemoeienis hebben met het onderwerp waarop het verdrag of een onderdeel daarvan betrekking heeft of met onderwerpen die door het verdrag worden geraakt.
1 Bij de voorbereiding van en de onderhandelingen over een verdrag wordt tijdig en zorgvuldig aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wet- en regelgeving.
2 Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over een verdrag dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij in een zo vroeg mogelijk stadium worden ingeschakeld.
3 De onderhandelingsdelegaties nemen in hun verslag datgene op wat van belang is voor de implementatie en voor de parlementaire goedkeuring.
De opstelling van de authentieke Nederlandse tekst van een verdrag of van de Nederlandse vertaling geschiedt door of onder verantwoordelijkheid van de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
1 Regeringsvertegenwoordigers die zitting hebben in een orgaan van een volkenrechtelijke organisatie dat besluiten neemt die de lidstaten van die organisatie binden, dragen er zorg voor dat, indien besluiten in voorbereiding zijn die het regeringsbeleid betreffen of anderszins van groot belang zijn, de ontwerpen voor deze besluiten voorwerp van overleg vormen tussen de betrokken ministeries en in de ministerraad aan de orde worden gesteld.
2 Indien het om bindende besluiten gaat wordt ook de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het voorbereidende stadium betrokken.
1 Bij de voorbereiding van besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de nationale wetgeving.
2 Wanneer een het Koninkrijk bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot stand is gekomen dat voor zijn uitvoering wettelijke voorschriften vereist, worden deze zo spoedig mogelijk en binnen de eventueel voorgeschreven termijn tot stand gebracht.
3 Indien het besluit bepalingen bevat die een ieder kunnen verbinden en niet verenigbaar zijn met geldende wettelijke voorschriften, worden onverwijld maatregelen getroffen tot aanpassing van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
1 Indien een verdrag een verwijzing bevat naar een instantie die voor het Koninkrijk bindende besluiten kan nemen en die instantie niet kan worden aangemerkt als orgaan van een volkenrechtelijke organisatie in de zin van de artikelen 92, 93 en 94 van de Grondwet, wordt het verdrag goedgekeurd bij wet.
2 In het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag wordt in dat geval een machtigingsbepaling opgenomen, inhoudende dat de besluiten die door deze instantie worden genomen, geen goedkeuring van de Staten-Generaal behoeven.
1 Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt onderzocht in hoeverre de naleving door het Koninkrijk wettelijke voorschriften vereist.
2 Bij de voorbereiding van de parlementaire goedkeuring van een verdrag wordt eveneens onderzocht of het verdrag mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat als bedoeld in artikel 93 Grondwet.
3 Indien tot stand te brengen voorschriften bij wet moeten worden vastgesteld, wordt het desbetreffende wetsvoorstel in beginsel gelijktijdig met het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verdrag bij de Tweede Kamer ingediend.
1 De uitdrukkelijke goedkeuring van verdragen die krachtens een territorialiteitsbepaling of naar hun aard binnen het Koninkrijk alleen voor Nederland gelden, geschiedt niet bij rijkswet, maar bij wet.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de goedkeuring van verdragen waarbij medegelding voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten weliswaar mogelijk is, maar waarbij reeds bij de indiening van het goedkeuringswetsvoorstel definitief is vastgesteld dat het verdrag niet mede voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten zal gaan gelden.
Indien in een wet de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties wordt gedelegeerd naar een lagere regeling, wordt voor de delegatiebepaling het volgende model als uitgangspunt genomen
[Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur / Bij ministeriële regeling] worden regels gesteld ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Toelichting
Wanneer daarvoor gronden aanwezig zijn, kan van de standaard worden afgeweken en voor een ruimere verwijzing gekozen worden. Zo kan het nodig zijn om ter uitvoering van ‘aanbevelingen’ en ‘internationale beleidsafspraken’ niet juridisch bindende regels vast te stellen. Zie ook de aanwijzingen 2.21, 2.22, 2.23 en 9.8.
1 Voor een voorstel van (rijks)wet tot goedkeuring van een verdrag wordt het volgende model gevolgd: Goedkeuring van het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... [zie aanwijzing 3.38] Wij Willem-Alexander, [zie verder aanwijzing 4.5] (...) Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State [van het Koninkrijk] gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, [de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde,] hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 Het op ... te ... tot stand gekomen verdrag ... , waarvan de ... tekst [en de vertaling in het Nederlands] [is/zijn] geplaatst in Tractatenblad [jaartal], nr. [ nummer] , wordt goedgekeurd voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk]. Artikel 2 Deze [rijks]wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Lasten en bevelen ... [zie verder aanwijzing 4.31, eerste lid].
2 Voor de goedkeuring van een voorbehoud bij een verdrag wordt het volgende model gebruikt: Artikel (...) Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in artikel 1 genoemde verdrag voor [Nederland / het Europese deel van Nederland / het Caribische deel van Nederland / voor Aruba / voor Curaçao / voor Sint Maarten / voor het gehele Koninkrijk] het volgende voorbehoud wordt gemaakt: [tekst voorbehoud].
3 Voor een machtigingsbepaling als bedoeld in aanwijzing 8.8, tweede lid, wordt het volgende model gebruikt: Artikel (...) De besluiten, bedoeld in [artikel / de artikelen ...] van het in artikel 1 genoemde verdrag, behoeven niet de goedkeuring van de Staten-Generaal.
1 Een wetsvoorstel tot goedkeuring van een verdrag wordt voorzien van een memorie van toelichting.
2 Een voorstel tot stilzwijgende goedkeuring van een verdrag gaat vergezeld van een toelichtende nota.
3 Toelichtingen op verdragen worden beperkt tot hetgeen voor een goed begrip nodig is. In voorkomend geval wordt daarin aangegeven dat wijziging van een bijlage die een integrerend onderdeel vormt van het verdrag en waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het verdrag zelf, geen parlementaire goedkeuring behoeft, tenzij de Staten-Generaal zich het recht daartoe voorbehouden.
4 Indien een verdrag gevolgen heeft voor de nationale wet- en regelgeving, wordt dit in de toelichting besproken. Bij de binding van het Koninkrijk te maken voorbehouden en af te leggen verklaringen die geen voorbehouden inhouden, worden eveneens in de toelichting besproken.
5 In de toelichting op een verdrag wordt besproken of een verdrag naar de mening van de regering mogelijk een ieder verbindende bepalingen bevat.
6 In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, worden de redenen beschreven om aan dat verdrag wel of geen gelding of medegelding voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba te verlenen.
7 In de toelichting op een verdrag dat niet voor het Koninkrijk als geheel wordt gesloten, wordt aangegeven of het verdrag wel of geen gelding of medegelding heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
1 Met betrekking tot verdragen worden in de (rijks)ministerraad gelijktijdig aan de orde gesteld de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag, alsook de parlementaire goedkeuringsstukken.
2 Het eerste lid geldt niet indien het noodzakelijk wordt geacht dat eerst alleen de sluiting en de eventuele voorlopige toepassing van het verdrag aan de orde worden gesteld.
3 Bij de beraadslaging over de sluiting van een verdrag of de goedkeuring ervan spreekt de (rijks)ministerraad zich erover uit of het verdrag Aruba, Curaçao en Sint Maarten al dan niet raakt in de zin van artikel 2, derde lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
Originele ondertekende exemplaren van bilaterale verdragen en gewaarmerkte afschriften van multilaterale verdragen dienen aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken te worden gezonden ter deponering in het archief der verdragen, dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd.
Teksten van besluiten van volkenrechtelijke organisaties en verdragsrechtelijke gegevens worden met het oog op de bekendmaking toegezonden aan de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Toelichting
Besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In ieder geval moeten worden bekendgemaakt besluiten
die hetzij rechtstreeks rechten en verplichtingen voor de burgers kunnen meebrengen, hetzij voor de overheid rechten of verplichtingen van voldoende betekenis tot gevolg hebben;
die een verdrag, of bijlagen daarbij, wijzigen;
die van het Koninkrijk of een van de landen daarvan aanvaarding vergen; of
die aan de Staten-Generaal, de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao of de Staten van Sint Maarten krachtens internationaal voorschrift dienen te worden voorgelegd (bijvoorbeeld aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie).
Ter zake van de bekend te maken besluiten wordt ook verwezen naar de artikelen 16 tot en met 20 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. In spoedeisende gevallen (de tekst dient immers in het Tractatenblad te zijn bekendgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing) is het wenselijk tijdig met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken contact op te nemen en eventueel alvast een ontwerptekst toe te zenden.
Bij twijfel of een besluit in aanmerking komt voor bekendmaking in het Tractatenblad dient ook contact te worden opgenomen met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken.
Sommige besluiten van internationale organisaties zijn eigenlijk verdragen; zie de derde categorie van deze aanwijzing. De naam van het besluit doet voor deze beoordeling niet ter zake. Een voorbeeld is het Besluit van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (Trb. 2021, 5). De afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken zal beoordelen of voor deze besluiten een parlementaire procedure doorlopen dient te worden.
Bindende EU-rechtshandelingen worden niet in het Tractatenblad maar in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
Verdragsrechtelijke gegevens. Onder verdragsrechtelijke gegevens worden verstaan gegevens betreffende ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding, opzegging, territoriale toepassing, verklaring van voortgezette gebondenheid, het maken van of het intrekken van voorbehouden, het afleggen, wijzigen of intrekken van verklaringen, het doen van in een verdrag voorziene mededelingen, voorlopige toepassing, in- en buitenwerkingtreding en verlenging.
Wanneer een verdrag is ondertekend of anderszins tot stand komt, wordt zo nodig overleg gevoerd met de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over spoedige bekendmaking van de tekst in het Tractatenblad.
Toelichting
Alle verdragen (behalve vertrouwelijke en geheime) worden bekendgemaakt in het Tractatenblad en komen daardoor ter kennis van het parlement. Verdragen die geen goedkeuring behoeven, worden bovendien, zodra het Tractatenblad is verschenen, door de Minister van Buitenlandse Zaken nog speciaal ter kennis van het parlement gebracht. Verdragen die geen parlementaire goedkeuring behoeven, komen ook daardoor onder ogen van het parlement. In het geval er bij het parlement bijzondere belangstelling bestaat voor een bepaald verdrag, zal er zo spoedig mogelijk een Tractatenblad worden gepubliceerd. Ook verdragen met een vertrouwelijk of geheim karakter worden, tenzij het belang van het Koninkrijk zich daartegen verzet, ter kennis gebracht van het parlement op voorwaarde van geheimhouding.
Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) worden niet ondertekend. Krachtens artikel 19, vijfde lid, van het IAO-Statuut moeten deze binnen een maximumtermijn aan het parlement worden voorgelegd, dat wil zeggen dat zij ter goedkeuring worden ingediend, of dat aan het parlement wordt medegedeeld dat en waarom het verdrag in kwestie niet of nog niet ter goedkeuring wordt ingediend.
1 Voorstellen tot goedkeuring van verdragen worden op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken bij de Afdeling advisering van de Raad van State (van het Koninkrijk) aanhangig gemaakt, met het oog op advisering.
2 In spoedgevallen kan een voorstel tot goedkeuring van een verdrag bij de Afdeling advisering aanhangig worden gemaakt, voordat het verdrag is ondertekend of anderszins tot stand is gekomen, mits de besluitvorming in de (rijks)ministerraad over de tekst van het verdrag, de toelichting daarop en de overige voor de goedkeuring door de Staten-Generaal noodzakelijke stukken en het gebruik van de spoedprocedure is afgerond.
3 Na ontvangst van het advies wordt een nader rapport opgesteld, waarin op de eventuele opmerkingen van de Afdeling advisering wordt ingegaan.
In geval van stilzwijgende goedkeuring van een verdrag wordt dit, na daartoe van de Koning verkregen machtiging, door de Minister van Buitenlandse Zaken overgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal en, indien het verdrag Aruba, Curaçao, Sint Maarten of al die landen raakt, gelijktijdig aan de Staten van de betrokken landen.
1 Voor overlegging van een verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter stilzwijgende goedkeuring wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste tweederde van de in artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bedoelde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
2 Voor overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat uitsluitend de uitvoering betreft van een goedgekeurd verdrag, zoals bedoeld in artikel 7, onder b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
3 Voor de overlegging aan de beide Kamers der Staten-Generaal van een verdrag, dat de verlenging van een aflopend verdrag betreft, zoals bedoeld in artikel 7, onder e, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, wordt een zodanig tijdstip gekozen dat ten minste twee derde van de in artikel 9, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen genoemde termijn buiten een reces van de Kamers valt.
4 Indien de voorgaande leden niet in acht genomen kunnen worden, wordt dit bij de overlegging dan wel de kennisgeving door de Minister van Buitenlandse Zaken uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeld.
Voordat de Minister van Buitenlandse Zaken, na verkregen parlementaire goedkeuring, de binding van het Koninkrijk voor enig deel daarvan aan een verdrag tot stand doet brengen, vergewist de afdeling Verdragen van de Directie Juridische Zaken zich ervan bij de medebetrokken ministeries en in voorkomend geval bij de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten dat er geen bezwaar bestaat tegen de totstandbrenging van de binding voor dat deel van het Koninkrijk.
Toelichting
Het kan zich voordoen dat het direct tot stand brengen van de binding niet opportuun is, bijvoorbeeld omdat dit gemeenschappelijk in EU-kader dient plaats te vinden of omdat nog uitvoeringsmaatregelen moet worden getroffen. Voorts zou het kunnen voorkomen dat door plotseling veranderende omstandigheden de totstandbrenging van de binding niet meer opportuun is.
Onder implementatie wordt in dit hoofdstuk verstaan: de uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen in het nationale recht door middel van het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.
Toelichting
De in hoofdstuk 9 opgenomen aanwijzingen hebben tot doel de tijdige en juiste implementatie van bindende EU-rechtshandelingen te realiseren (zie voor het begrip bindende EU-rechtshandelingen aanwijzing 1.3). Ten behoeve van implementatie kunnen zowel regelgevende als niet-regelgevende activiteiten noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld de toepassing en handhaving en het verrichten van de implementatiemelding). In dit hoofdstuk wordt met implementatie in het bijzonder gedoeld op het treffen van de maatregelen van intern recht die een lidstaat van de Europese Unie neemt ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen (in EU-verband wordt hier gewoonlijk de term transpositie voor gebruikt). De implementatie van EU-richtlijnen is pas afgerond indien de melding aan de Europese Commissie is voltooid (zie aanwijzing 9.19). Dit hoofdstuk ziet op regelgevende activiteiten, zoals
het vastleggen van te waarborgen rechten en verplichtingen;
het aanpassen van strijdige regelgeving;
het creëren van noodzakelijke uitvoerings- en handhavingsstructuren (bijvoorbeeld het aanwijzen van een toezichthouder).
Deze aanwijzingen zijn als zodanig niet slechts van belang voor (wetgevings)juristen, maar voor een ieder die bij de voorbereiding en implementatie van bindende EU-rechtshandelingen is betrokken.
De hoofdstukken 2 tot en met 8 zijn van toepassing op de voorbereiding en totstandkoming van regelingen ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen, voor zover hiervan niet wordt afgeweken in dit hoofdstuk.
Toelichting
Voor een aantal onderwerpen, zoals delegatie van regelgevende bevoegdheid of procedures, geldt dat dit hoofdstuk 9 bijzondere regels geeft, specifiek voor implementatie.
Indien de te implementeren bindende EU-rechtshandeling tevens geldt voor de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt hier rekening mee gehouden bij de vaststelling van het toepassingsbereik van de implementatieregeling.
Toelichting
Op grond van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en de Overeenkomsten tussen de EU en Zwitserland wordt door het Gemengd Comité van de Europese Economische Ruimte, respectievelijk het Gemengd Comité van de EU-Zwitserland, bepaald of nieuwe bindende EU-rechtshandelingen op het terrein van de Overeenkomsten in de bijlagen bij de Overeenkomsten worden opgenomen en daarmee ook van kracht worden in niet-EU-lidstaten die partij zijn bij de Overeenkomsten. De desbetreffende EU-rechtshandeling moet bij afzonderlijk besluit van het Gemengd Comité van toepassing worden verklaard. Deze besluiten worden gepubliceerd in het Publicatieblad. Zie bijvoorbeeld het Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 153/2014 van 9 juli 2014 tot wijziging van bijlage X (Algemene diensten) bij de EER-overeenkomst [2015/88].
Bij implementatie worden in de implementatieregeling geen andere regels opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn.
Toelichting
Gelet op de noodzaak van tijdige implementatie wordt vermeden dat de implementatie van bindende EU-rechtshandelingen wordt ‘meegenomen’ in een bredere herziening van de desbetreffende regelgeving of dat in de implementatieregeling ‘extra’ nationaal beleid wordt meegenomen. Bij dit laatste gaat het met name om regels die geen verband houden met de bindende EU-rechtshandeling en om nodeloze verfijningen ten opzichte van die regelgeving. Ook moet in het algemeen worden vermeden te wachten op een volgende wijziging van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling teneinde deze in de implementatieregeling mee te nemen.
1 Bij implementatie wordt gekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan de door de regeling geraakte bedrijven.
2 Bij afwijking van het eerste lid wordt dit expliciet vermeld in de toelichting en worden de overwegingen geschetst die tot deze keuze hebben geleid.
Bepalingen uit bindende EU-rechtshandelingen die verplichten tot feitelijk handelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraak hoeven te kunnen maken, worden niet geïmplementeerd.
Toelichting
Dergelijke bepalingen (bijvoorbeeld een notificatieverplichting van de lidstaat aan de Europese Commissie of het verzamelen en toezenden van gegevens aan de Europese Commissie) behoeven geen implementatie omdat de verplichting daartoe reeds rechtstreeks voortvloeit uit de EU-rechtshandeling die verbindend is voor de lidstaat. Ook bepalingen die zich richten tot EU-instellingen komen naar hun aard niet voor implementatie in aanmerking. Dit laat onverlet dat duidelijk dient te zijn hoe aan dergelijke verplichtingen invulling zal worden gegeven. Dit kan gerealiseerd worden door in de toelichting bij implementatie aandacht te besteden aan de aard en inhoud, de geadresseerde en de wijze van uitvoering daarvan.
Indien voor het kunnen voldoen aan een feitelijke verplichting door Nederland de medewerking van andere overheden dan het Rijk, van zelfstandige bestuursorganen, of van particulieren noodzakelijk is, kunnen wettelijke voorzieningen wel nodig of wenselijk zijn – zie onder meer HvJ EG C-237/90 (ECLI:EU:C:1992:452) en de artikelen 119 van de Gemeentewet en 117 van de Provinciewet. Dat geldt ook indien derden (waaronder andere lidstaten) zich moeten kunnen beroepen op deze verplichtingen van de overheid.
Bij implementatie wordt zoveel mogelijk aangesloten bij instrumenten waarin de bestaande regelgeving reeds voorziet.
Toelichting
Alleen al om vertraging bij de implementatie te voorkomen, is het van belang zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande, wettelijk geregelde stelsels van vergunningen en ontheffingen, verboden, goedkeuringen, handhavingsmechanismen, systemen van rechtsbescherming en dergelijke.
Bij de afweging op welk niveau van regeling implementatie dient plaats te vinden, komt, onverminderd de aanwijzingen 2.20 en 2.21, delegatie van regelgevende bevoegdheid eerder in aanmerking naarmate
de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de Nederlandse wetgever bij de uitvoering minder ruimte laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard;
de te implementeren bindende EU-rechtshandeling gedetailleerder van aard is;
de termijn waarbinnen volgens de te implementeren bindende EU-rechtshandeling de implementatie moet geschieden korter is;
verwacht mag worden dat in de toekomst de te implementeren bindende EU-rechtshandelingen vaker wijzigingen zal ondergaan;
in het bestaande systeem van regelgeving waarin de implementatieregeling een plaats zal krijgen, vaker is gekozen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid.
Toelichting
Aan de in deze aanwijzing bedoelde afweging moet steeds de vraag vooraf gaan of de Grondwet dan wel het primaat van de wetgever vereist dat voorschriften in de wet zelf moeten worden opgenomen: zie de aanwijzingen 2.20 en 2.21. Wat het primaat van de wetgever betreft, brengt het karakter van implementatieregelgeving – uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen die integrerend onderdeel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde – met zich mee dat daaraan een andere invulling kan worden gegeven. De onderhavige aanwijzing moet dan ook worden gezien als een nuancering ten opzichte van aanwijzing 2.19, tweede zin, en bevat enkele richtsnoeren voor het kiezen voor gedelegeerde regelgeving bij implementatie. Ingevolge aanwijzing 2.31 wordt ten behoeve van implementatie niet voorzien in delegatiebepalingen die afwijking van hogere regelgeving door lagere mogelijk maken.
Bepalingen van een EU-verordening worden niet in nationale regelingen overgenomen, tenzij daarvoor een bijzondere reden bestaat.
Toelichting
Een verordening is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten van de Europese Unie. Om deze rechtstreekse werking te garanderen is het in beginsel niet toegestaan om bepalingen van een EU-verordening over te nemen in nationale regelingen. Een bijzondere reden kan echter gelegen zijn in de omstandigheid dat de verordening een uitdrukkelijke opdracht tot het treffen van uitvoeringsmaatregelen bevat of dat anders in ernstige mate afbreuk wordt gedaan aan de begrijpelijkheid van een nationale regeling. Vaak is implementatie van de verordening nog noodzakelijk in de zin dat in nationale regelgeving nog bepalingen moeten worden opgenomen betreffende sanctionering, rechtsbescherming en aanwijzing van met de uitvoering van de verordening belaste instanties en met de verordening strijdige regelgeving moet worden aangepast. Bij het ontwerpen van dergelijke nationale regelingen moet veel zorgvuldigheid worden betracht, opdat wordt voorkomen dat de inhoud van de verordening door de nationale maatregelen wordt gewijzigd.
1 Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals deze met inbegrip van toekomstige wijzigingen zal luiden (dynamische verwijzing), geschiedt door de enkele verwijzing in de tekst van de implementatieregeling naar de tekst van de Europese bepaling.
2 Bij een dynamische verwijzing naar bepalingen van een EU-richtlijn wordt afzonderlijk aangegeven vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen doorwerken in het Nederlandse recht. Hiervoor wordt in de implementatieregeling het volgende model gebruikt: Een wijziging van [aanduiding van (bepaling uit) de EU-richtlijn waarnaar is verwezen] gaat voor de toepassing van [aanduiding van de nationale regeling of de nationale bepaling waarin de verwijzing is opgenomen] gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
3 Indien het gewenst is dat een ander tijdstip kan worden gekozen, wordt aan het model, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende zinsnede toegevoegd: tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4 Het verwijzen naar een bepaling van een bindende EU-rechtshandeling zoals die op een bepaald moment luidt (statische verwijzing), geschiedt door verwijzing naar de tekst van die bepaling volgens de volgende voorbeelden: A. Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld. B. Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016.
In de eerste alinea van de toelichting bij een implementatieregeling wordt vermeld
dat de regeling strekt tot implementatie, met een verwijzing naar de bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42;
de uiterste datum waarop de implementatie moet zijn gerealiseerd;
een verwijzing naar het onderdeel van de toelichting waarin de transponeringstabel is opgenomen.
Toelichting
Onderdeel a. Indien veel bindende EU-rechtshandelingen tegelijkertijd worden geïmplementeerd en dus aangehaald, is het met het oog op de overzichtelijkheid en leesbaarheid van de toelichting beter om een verkorte aanduiding te gebruiken, met daarbij in een voetnoot de volledige aanduiding, bedoeld in aanwijzing 3.42.
1 De toelichting bij een regeling ter implementatie van een bindende EU-rechtshandeling bevat een transponeringstabel waaruit blijkt of en hoe de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn of worden geïmplementeerd. De transponeringstabel bevat een verwijzing naar de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling overeenkomstig aanwijzing 3.42.
2 Indien een bepaling uit de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling ruimte laat voor, dan wel verplicht tot het maken van beleidskeuzes, wordt dit in de transponeringstabel aangegeven en wordt verwezen naar de passages in de toelichting waarin de door de regering gemaakte keuzes worden toegelicht.
3 Indien een bepaling uit een bindende EU-rechtshandeling geen implementatie behoeft, wordt dit vermeld in de transponeringstabel. Hierbij wordt aangegeven wat de reden daarvan is, en wordt indien noodzakelijk verwezen naar de passages in de toelichting waar daar nader op wordt ingegaan.
4 De transponeringstabel maakt onderdeel uit van de toelichting bij de implementatieregeling.
Indien een bindende EU-rechtshandeling implementatie behoeft en aan deze verplichting reeds uitvoering wordt gegeven door middel van bestaand recht, doet de eerstverantwoordelijke bewindspersoon onverwijld na het van kracht worden van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling mededeling in de Staatscourant van
de te implementeren bindende EU-rechtshandeling;
de bestaande nationale regelingen door middel waarvan reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling wordt voldaan;
de datum met ingang waarvan de te implementeren regeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing is dan wel vanaf welk tijdstip wijzigingen van de desbetreffende bepalingen van de bindende EU-rechtshandeling doorwerken in het Nederlandse recht;
de in aanwijzing 9.12 bedoelde transponeringstabel.
Toelichting
Deze aanwijzing ziet op het geval dat de nationale wet- en regelgeving reeds in overeenstemming is met de te implementeren bindende EU-rechtshandeling. Ook in dat geval is een expliciete handeling nodig om te voldoen aan de standaardbepaling in een richtlijn dat wanneer lidstaten bepalingen aannemen ter implementatie daarvan, in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar de richtlijn moet worden verwezen. Daarbij vallen twee situaties te onderscheiden
Het bestaande recht voldoet aan de implementatieverplichting dankzij een eerder in de regelgeving opgenomen dynamische verwijzing die de nieuw te implementeren bindende EU-rechtshandeling dekt (zie aanwijzing 9.10). In dit geval treedt een materiële wijziging van het geldende recht op, omdat de achterliggende norm inhoudelijk is gewijzigd. Omwille van de kenbaarheid van het geldende recht is het wenselijk dat hier steeds melding van wordt gemaakt in de Staatscourant. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan het in EU-richtlijnen opgenomen voorschrift dat naar de geïmplementeerde richtlijn wordt verwezen in de nationale uitvoeringsbepalingen of bij de officiële bekendmaking van die bepalingen, op een wijze die door de lidstaten wordt vastgesteld.
Het bestaande recht voldoet aan de implementatieverplichting doordat het anders dan door dynamische verwijzing inhoudelijk voldoet aan de door de bindende EU-rechtshandeling gecreëerde implementatieverplichting. In dit geval is, in tegenstelling tot het hierbovengestelde onder a, juist geen sprake van wijziging van het materiële recht. Wel is het, omwille van de doorzichtigheid van het stelsel van nationale regelgeving en bindende EU-rechtshandelingen en ter voldoening aan de plicht tot verwijzing naar de richtlijn, van belang dat het implementerende karakter van die nationale bepaling wordt bekendgesteld.
De mededeling in de Staatscourant dient als implementatiemiddel genotificeerd te worden aan de Europese Commissie. Zoals in de toelichting bij aanwijzing 9.10, derde lid, is aangegeven, wordt in voorkomend geval de bekendmaking van het daar bedoelde besluit tot vaststelling van een ingangsdatum van de geldingsdatum gecombineerd met de in deze aanwijzing bedoelde mededelingen.
1 Zij die deelnemen aan de voorbereiding van of de onderhandelingen over bindende EU-rechtshandelingen dragen er zorg voor dat de wetgevingsafdelingen van de betrokken ministeries daarbij worden ingeschakeld.
2 De inschakeling vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium, doch uiterlijk bij de invulling van het in aanwijzing 9.15 bedoelde formulier.
1 Met betrekking tot een aan Nederland toegezonden voorstel voor een bindende EU-rechtshandeling vult het eerstverantwoordelijke ministerie op verzoek van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen het daarvoor bestemde fiche in.
2 Indien meer ministeries bij de uitvoering van de desbetreffende bindende EU-rechtshandeling zijn betrokken, geschiedt de invulling in overeenstemming met die ministeries.
3 De invulling geschiedt door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het voor de implementatie eerstverantwoordelijke ministerie.
4 De ingevulde formulieren berusten bij het secretariaat van de Werkgroep beoordeling nieuwe Commissievoorstellen.
1 Bij nieuwe voorstellen voor bindende EU-rechtshandelingen wordt door de eerstverantwoordelijke minister steeds bezien of er aanleiding is om ten behoeve van de bepaling van het Nederlandse standpunt adviescolleges en representatieve organisaties van belanghebbenden te raadplegen die de regering zou horen indien het regeringsvoorstellen betrof.
2 In beginsel wordt over het ontwerp van een implementatieregeling geen advies gevraagd of extern overleg gevoerd en wordt een zodanig ontwerp niet voorgepubliceerd, ter inzage gelegd of anderszins extern bekendgemaakt.
1 Indien vereist, wordt van een voorstel voor een EU-richtlijn door of in overeenstemming met de wetgevingsafdeling van het eerstverantwoordelijke ministerie een implementatieplan opgesteld, zo nodig samen met andere betrokken ministeries.
2 Het implementatieplan wordt uiterlijk binnen twee maanden na vaststelling van de desbetreffende EU-richtlijn bij de ICER-I ingediend.
3 Het implementatieplan geeft zo gedetailleerd mogelijk weer op welke wijze de betrokken EU-richtlijn zal worden geïmplementeerd.
4 Het eerstverantwoordelijke ministerie verwerkt de gegevens van het implementatieplan in de interdepartementale implementatiedatabase.
1 Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een algemene maatregel van bestuur nodig is, wordt het ontwerp daarvoor ten minste 9 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
2 Indien voor implementatie van een bindende EU-rechtshandeling een wet nodig is, wordt een voorstel daarvoor ten minste 18 maanden voor afloop van de implementatietermijn aan de ministerraad voorgelegd.
3 In afwijking van het eerste of het tweede lid wordt het ontwerp respectievelijk het voorstel zo snel mogelijk doch uiterlijk 2 maanden na vaststelling van de bindende EU-rechtshandeling aan de ministerraad voorgelegd, indien de implementatietermijn bij vaststelling korter is dan 9 respectievelijk 18 maanden.
1 Bij de voorbereiding en vaststelling van implementatieregelingen beziet het eerstverantwoordelijke ministerie steeds of Europese verplichtingen ertoe noodzaken de Europese Commissie van het ontwerp van de implementatieregeling dan wel van de vastgestelde implementatieregeling in kennis te stellen.
2 De notificatie van regelingen ter implementatie van EU-richtlijnen geschiedt elektronisch via het daartoe bestemde notificatiesysteem van de Europese Commissie.
3 De notificatie van regelingen ter implementatie van andere soorten bindende EU-rechtshandelingen geschiedt schriftelijk aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat de gegevens doorzendt aan de Europese Commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de Raad van de Europese Unie.
4 Door middel van de notificatie wordt de Europese Commissie in kennis gesteld van: a. de daartoe voorgenomen of vastgestelde implementatieregelingen en de bijbehorende transponeringstabel(len); b. de bestaande nationale regelingen die reeds aan de te implementeren bindende EU-rechtshandeling voldoen; c. de datum met ingang waarvan de regelingen ter omzetting van de te implementeren bindende EU-rechtshandeling in de Nederlandse rechtsorde van toepassing zijn, of met ingang waarvan de effectieve werking ervan verzekerd is.
Deze aanwijzingen hebben betrekking op regelingen die onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen, en, voor zover uitdrukkelijk aangegeven, op verdragen, bindende besluiten van instellingen van de Europese Unie en andere besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Toelichting
In deze aanwijzingen staan met name de wetgevingstechniek en de wetgevingskwaliteit centraal. Zie voor de meer procedurele en organisatorische aspecten van het wetgevingsproces het Draaiboek voor de regelgeving, te raadplegen op de website van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving (www.kcbr.nl). Het Draaiboek bevat ook de modelbrieven die behoren bij de verschillende fasen van het wetgevingsproces.
Zie voor de toepasselijkheid van de aanwijzingen op internationale regelingen en bindende EU-rechtshandelingen de hoofdstukken 8 en 9. Zie met betrekking tot de voorbereiding, totstandkoming en nationale implementatie van Europese regelgeving ook de Handleiding Wetgeving en Europa, eveneens te raadplegen op de website van het Kenniscentrum.