Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2021:366 ECLI:NL:HR:2021:366 AI generated

ECLI:NL:HR:2021:366 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2021:366
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/00171 Datum 12 maart 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2021, nr. BRE 20/8510, betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2021:366 · Hoge Raad: BRE 20/8510, betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/00171 Datum 12 maart 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2021, nr. BRE 20/8510, betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald.

Artikel 28, lid 4, letter c, AWR bepaalt dat geen beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank als deze, die is gedaan met toepassing van artikel 8:84, lid 2, Awb. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q.

Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.