Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2018:1069 ECLI:NL:HR:2018:1069 AI generated

ECLI:NL:HR:2018:1069 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2018:1069
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

3 juli 2018 Strafkamer nr. S 16/04812 NA/LBS Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 september 2016, nummer 22/001764-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2018:1069 · Hoge Raad: Het Hof heeft het onder 7 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen". 2.3. Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het "verwerven of voorhanden hebben" als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van het geldbedrag "gebruik heeft gemaakt" en dat heeft "omgezet" als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:702
25 maart 2014 Strafkamer nr.
NJ 2014/302
HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218).
ECLI:NL:HR:2016:2842
13 december 2016 Strafkamer nr.
NJ 2017/218
HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218).
ECLI:NL:HR:2015:3043
13 oktober 2015 Strafkamer nr.
NJ 2016/80
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

3 juli 2018 Strafkamer nr. S 16/04812 NA/LBS Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 september 2016, nummer 22/001764-15, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. Nu deze reactie na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 7 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert. 2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat: "hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, in Nederland, een geldbedrag, te weten, - in totaal (ongeveer) EUR 15.679 (te weten onverklaarbaar vermogen betreffende contante uitgaven in het jaar 2011) heeft witgewassen, hebbende hij, verdachte, voornoemd voorwerp voorhanden gehad, omgezet en gebruik van gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf." 2.2.2.

Het Hof heeft het onder 7 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen". 2.3. Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het "verwerven of voorhanden hebben" als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van het geldbedrag "gebruik heeft gemaakt" en dat heeft "omgezet" als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "voorhanden hebben" van het geldbedrag, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80). 2.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld. 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T.

Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.