ECLI:NL:HR:2017:586 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generated4 april 2017 Strafkamer nr. S 16/03560 U ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016, nummer RK 15/8333, op een verzoek van Canada tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2017:586 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van art. 7, eerste lid onder b sub (i), van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada. 2.2. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de Advocaat-Generaal bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het verzoek om uitlevering alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde Warrant for Arrest.
Full text
4 april 2017 Strafkamer nr. S 16/03560 U ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016, nummer RK 15/8333, op een verzoek van Canada tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft een conclusie genomen. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel 2.1. Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van art. 7, eerste lid onder b sub (i), van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada. 2.2. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de Advocaat-Generaal bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het verzoek om uitlevering alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde Warrant for Arrest.
Dit bevel tot aanhouding voldoet aan de eisen van voormelde verdragsbepaling. 2.3. Gelet hierop mist de opgeëiste persoon belang bij gegrondbevinding van het middel en vernietiging van de bestreden uitspraak deswege. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld. 3Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017.