ECLI:NL:RVS:2026:689 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedProcesverloop Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:689 · Raad van State: Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
BRS.25.002319 ECLI:NL:RVS:2026:689 Datum uitspraak: 10 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 november 2025 in zaak nr. NL25.1366 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen 1. De griffier heeft verzoeker er bij brieven van 9 december 2025 en 15 december 2025 op gewezen dat hij voor het verzoek om een voorlopige voorziening griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 22 december 2025 te betalen. In de laatstgenoemde brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
2. Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Gazai griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026 966