Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:622 ECLI:NL:RVS:2026:622 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:622 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:622
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202501783/1/A3. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Garderen, gemeente Barneveld, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2025 in zaken nrs. 24/2777 en 24/6154 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Barneveld. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2023 heeft de burgemeester aan Genot van Garderen B.V. een exploitatievergunning verleend. Bij besluit van 27 maart 2024 de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7:1a van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:622 · Raad van State: De onderneming opent al om 10:00 uur, is niet na 00:00 uur ‘s nachts open en de hoofdactiviteit is de restaurant/brasseriefunctie. Het karakter is dan ook wezenlijk anders dan dat van avondhorecabedrijven, die tot dieper in de nacht geopend zijn en die zich in hoofdzaak richten op uitgaanspubliek. Verder vallen volgens de rechtbank de parkeerplaatsen buiten de aanvraag voor de exploitatievergunning. Ook heeft de burgemeester, mede gelet op de beleids- en beoordelingsruimte die hem toekomt, de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf voldoende meegewogen.

Keywords

AI generated
artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht artikel 7:1a van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 7:1a van de Awb
Tegen dit besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:5580
202301590/1/A3. Datum uitspraak: 26 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante A] en [appellant B], respectievelijk gevestigd en wonend in Ermelo, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 januari 2023 in zaak nr. 21/1031 in het geding tussen: [appellante A] en [appellant B] en de burgemeester van Ermelo. Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2020 heeft de burgemeester een vergunning aan [partij] verleend voor de exploitatie van [restaurant] aan de [locatie] in Ermelo. Bij besluit van 18 januari 2021 heeft de burgemeester het door [appellante A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de vergunning ingetrokken en een nieuwe exploitatievergunning verleend.
ECLI:NL:RVS:2007:BA1703
Procesverloop Bij besluit van 21 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (hierna: het college) aan de "Stichting Sociale Huisvesting Wageningen" (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woon-winkelgebouw op het perceel Vijzelstraat 8/Burgtstraat 2-6, te Wageningen (hierna: het perceel). Bij besluit van 8 december 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202501783/1/A3. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Garderen, gemeente Barneveld, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2025 in zaken nrs. 24/2777 en 24/6154 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Barneveld. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2023 heeft de burgemeester aan Genot van Garderen B.V. een exploitatievergunning verleend. Bij besluit van 27 maart 2024 de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de burgemeester op een tweede aanvraag beslist en een nieuwe exploitatievergunning verleend. Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 13 december 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit de burgemeester van 3 juni 2024 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. L.P. Berg, zijn verschenen. Verder is op de zitting het Genot van Garderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] woont op plusminus 12 tot 15 meter van brasserie en restaurant het Genot van Garderen (hierna: de vergunninghouder) aan de [locatie] in Garderen. De burgemeester heeft voor de horeca inrichting een exploitatievergunning verleend. [appellant] is het hiermee niet eens, omdat hij van mening is dat de verlening in strijd is met het ter plaatse van de horeca inrichting geldende bestemmingsplan "Garderen", vastgesteld door de raad van Barneveld op 12 november 2013 en hij geluids- en parkeeroverlast vreest.

De burgemeester heeft hangende beroep een nieuwe exploitatievergunning verleend omdat een groter terras is aangevraagd. Tegen dit besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De vraag is of de burgemeester de beide exploitatievergunningen op goede gronden heeft verleend. Uitspraak van de rechtbank 2. Volgens de rechtbank is de verlening van de exploitatievergunning niet in strijd met het bestemmingsplan, omdat het Genot van Garderen, hoewel in de aanvraag café-restaurant staat, alles overziend geen avondhorecabedrijf is.

De onderneming opent al om 10:00 uur, is niet na 00:00 uur ‘s nachts open en de hoofdactiviteit is de restaurant/brasseriefunctie. Het karakter is dan ook wezenlijk anders dan dat van avondhorecabedrijven, die tot dieper in de nacht geopend zijn en die zich in hoofdzaak richten op uitgaanspubliek. Verder vallen volgens de rechtbank de parkeerplaatsen buiten de aanvraag voor de exploitatievergunning. Ook heeft de burgemeester, mede gelet op de beleids- en beoordelingsruimte die hem toekomt, de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf voldoende meegewogen.

Hij heeft er hierbij met het oog op geluid acht op geslagen dat de dichtstbijzijnde woningen meer dan 10 meter van het horecabedrijf afliggen, dat met voorschriften is gewaarborgd dat bij die woningen ook geen hogere geluidswaarden zijn toegestaan dan volgens de milieuregels is toegestaan, dat ook op het terras geluidsnormen van toepassing zijn en livemuziek niet is toegestaan. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit onevenredig nadelige gevolgen voor [appellant] heeft. Verder is naar het oordeel van de rechtbank een parkeerprobleem een ruimtelijk belang en geen probleem van openbare orde of veiligheid.

Anders dan [appellant] betoogt hoeft de burgemeester dat niet te betrekken in het kader van een exploitatievergunning. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de vergunning van 13 december 2023 impliciet is ingetrokken door de verlening van de vergunning van 3 juni 2024. Omdat die nieuwe vergunning in stand blijft en de eerste vergunning dus niet herleeft, heeft [appellant] geen procesbelang meer bij zijn beroep over de eerste vergunning. De rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om voor het beroep tegen het besluit van 13 december 2023 proceskosten en griffierecht toe te kennen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat hij geen andere keuze had dan beroep in te stellen omdat op dat moment de tweede vergunning nog niet was verleend en hij ook was gehouden dat beroep te handhaven, omdat de burgemeester niet duidelijk was over de verhouding tot de eerste vergunning. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de nieuwe exploitatievergunning van 3 juni 2024 heeft mogen verlenen. De rechtbank heeft niet onderkend dat het Genot van Garderen voldoet aan de definitie van een avondhorecabedrijf, omdat zij zich met name richt op avondpubliek en zichzelf in de aanvraag ook als café-restaurant omschrijft.

Dat de aangevraagde exploitatievergunning niet ziet op de parkeerplaatsen is daarnaast niet relevant, omdat het erom gaat of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. Dat is hier het geval, omdat door klanten van de horecaonderneming wordt geparkeerd op plekken met de bestemming (Bos), waar dat niet is toegestaan. Dit zal als gevolg van een handhavingsprocedure alleen nog maar toenemen, omdat het Genot van Garderen op eigen terrein maar acht parkeerplaatsen heeft. Dat tekort aan parkeerplaatsen zal ook nadelige gevolgen hebben voor de openbare orde in de omgeving.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester dit niet had hoeven te betrekken. Tot slot heeft de rechtbank niet onderkend dat de exploitatievergunning geweigerd had moeten worden omdat [appellant] aan de achterzijde van zijn perceel, waar het erg stil is, wel degelijk onevenredig nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat ervaart vanwege geluidsoverlast door muziek en de stemmen van bezoekers en spelende kinderen. Er had meer rekening gehouden moeten worden met het karakter van de straat en de wijk. Beoordeling 4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn.

De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2, 7.1, 8.2 en 9.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Dat betekent dat de laatst verleende exploitatievergunning in stand blijft. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de burgemeester weliswaar een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening moet weigeren als de exploitatie in strijd is met het geldende bestemmingsplan, maar die toetsing beperkt zich tot de vraag of de desbetreffende exploitatie in overeenstemming is met de activiteit die door de planregels wordt toegestaan (zie de uitspraak van 26 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5580 onder 5).

De rechtbank heeft in de door [appellant] geschetste parkeerproblemen, die volgens hem in strijd zijn met de bestemming "Bos", terecht geen aanleiding gezien om het beroep gegrond te verklaren. [appellant] heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Verder is de rechtbank de burgemeester terecht gevolgd in zijn standpunt dat de horecaonderneming, alles overziend, geen avondhorecabedrijf is en de exploitatie dus in zoverre in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft tot slot terecht geen aanleiding gezien de proceskosten voor het beroep tegen het besluit van 13 december 2023 te vergoeden.

Ten aanzien van de impliciete intrekking van dit eerdere besluit doet zich immers niet de situatie voor waarbij het bestuursorgaan aan [appellant] tegemoet is gekomen (vergelijk de uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1703, onder 2.3.2). Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden waardoor de proceskosten toch voor vergoeding in aanmerking komen. Slotsom 5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 802-1158