Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:612 ECLI:NL:RVS:2026:612 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:612 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:612
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202403808/1/A2. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024 in zaak nr. 23/4387 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatiebedrag van € 35.992,00 toegekend. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het compensatiebedrag gewijzigd naar € 40.326,00.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:612 · Raad van State: Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat er in het persoonlijke dossier van [appellante] stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het geschil en die op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht behoren deel uit te maken van het procesdossier. De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover [appellante] betoogt dat haar immateriële schade groter is dat de toegekende vergoeding en dat de Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de forfaitaire bedragen, de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid heeft om bij het berekenen van de forfaitaire immateriële schadevergoeding af te wijken van het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

Keywords

AI generated
artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat er in het persoonlijke dossier van [appellante] stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het geschil en die op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht behoren deel uit te maken van het procesdossier.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:2864
202304197/1/A2. Datum uitspraak: 2 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 mei 2023 in zaak nr. 22/1736 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: Dienst Toeslagen). Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatiebedrag van € 61.783,00 toegekend. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en naar aanleiding van een herziene compensatieberekening aan [appellante] een compensatiebedrag van in totaal € 88.332,00 toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:2990
202305484/1/A2. Datum uitspraak: 2 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023 in zaak nr. 22/3526 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: Dienst Toeslagen). Procesverloop Bij besluit van 22 juni 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatiebedrag van € 45.725,00 toegekend. Bij besluit van 29 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, en naar aanleiding van een herziene compensatieberekening aan [appellante] een compensatiebedrag van in totaal € 55.825,00 toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:3380
202401693/1/A2. Datum uitspraak: 23 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 7 maart 2024 in zaak nr. 23/2765 in het geding tussen: [appellant] en Belastingdienst/Toeslagen (lees: de Dienst Toeslagen). Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd aan [appellant] een compensatie toe te kennen voor de jaren 2008 tot en met 2011. Bij besluit van 9 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2017:3204
201702802/1/A2. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2017 in zaak nr. 16/6835 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op kinderopvangtoeslag over 2014 definitief vastgesteld op een bedrag van € 6.630,00 en het teveel betaalde van haar teruggevorderd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202403808/1/A2. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2024 in zaak nr. 23/4387 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een compensatiebedrag van € 35.992,00 toegekend. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het compensatiebedrag gewijzigd naar € 40.326,00.

Bij uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire.

Zij heeft recht op compensatie over het toeslagjaar 2009.

2. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 5 augustus 2021 aan [appellante] een compensatiebedrag van € 35.992,00 toegekend. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen bij besluit van 16 mei 2023 het compensatiebedrag herzien en het bedrag verhoogd naar € 40.326,00. De vergoeding van immateriële schade is daarbij opnieuw berekend en gewijzigd van € 7.500,00 naar € 9.500,00, en de einddatum van de rentevergoeding is aangepast van de datum van het primaire besluit naar de datum van de beslissing op bezwaar.

Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat er in het persoonlijke dossier van [appellante] stukken zijn opgenomen die betrekking hebben op het geschil en die op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht behoren deel uit te maken van het procesdossier. De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover [appellante] betoogt dat haar immateriële schade groter is dat de toegekende vergoeding en dat de Dienst Toeslagen had moeten afwijken van de forfaitaire bedragen, de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid heeft om bij het berekenen van de forfaitaire immateriële schadevergoeding af te wijken van het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om deze bepaling in dit geval buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet staat daar aan in de weg. Er is geen sprake van een situatie waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De wetgever heeft uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding die is berekend op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht niet in alle gevallen tegemoet komt aan de werkelijk geleden schade.

De wetgever heeft namelijk voorzien in de mogelijkheid voor ouders om, als zij vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade te doen. Dat betekent dat de bepaling niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Hoger beroep 4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, omdat de Dienst Toeslagen haar niet het volledige persoonlijke dossier heeft verstrekt, het voor haar en de rechterlijke instanties onmogelijk is om de juistheid van de compensatieregeling te beoordelen of de volledige schade vast te stellen. [appellante] betoogt verder dat de vastgestelde forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar onvoldoende is.

In haar geval ligt de werkelijk geleden immateriële schade hoger dan het uitgekeerde compensatiebedrag. 4.1. Deze gronden betreffen rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraken van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2864, onder 9.4 tot en met 9.6, 11.1 en 11.2, en ECLI:NL:RVS:2025:2990, onder 8.4 tot en met 8.6, 9.1 en 9.2). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. 5. [appellante] betoogt verder dat de Dienst Toeslagen de in artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen gestelde termijnen, heeft overschreden en daarmee vooringenomen heeft gehandeld.

De definitieve beschikking over het jaar 2009 is namelijk pas op 21 juli 2015 vastgesteld. Daar komt bij dat de termijnen niet als termijnen van orde kunnen worden gekwalificeerd. 5.1. Deze gronden betreffen rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, onder 5.8, en van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3204, onder 5.1). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.

6. Tot slot betoogt [appellante] dat zij in aanmerking komt voor een aparte of aanvullende immateriële schadevergoeding wegens discriminatie. 6.1. Deze grond slaagt alleen al niet omdat, zoals de Dienst Toeslagen in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, [appellante] al een verzoek daartoe heeft ingediend bij de zogenoemde Commissie werkelijke schade en de Dienst Toeslagen naar aanleiding daarvan bij besluit van 23 mei 2024 aan [appellante] een aanvullende vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend ter hoogte van € 19.190,00. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 488-1112