Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:596 ECLI:NL:RVS:2026:596 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:596 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:596
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202407031/1/V1. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 oktober 2024 in zaak nr. NL24.31792 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:596 · Raad van State: Dat heeft de minister bij het besluit van 20 maart 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van haar hoger beroep.

Keywords

AI generated
artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:24 van de Awb
Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:4125
202300717/1/V1.Datum uitspraak: 8 november 2023 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Verwijzingsuitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023 in zaak nr. NL22.21969 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij brief van 13 oktober 2022 heeft de vreemdeling de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag van 10 april 2022 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2024:2829
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) 2.
ECLI:NL:RVS:2025:2219
202406486/3/V1. Datum uitspraak: 14 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij uitspraak van 24 september 2024, van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, in zaken nrs. NL24.18651 en NL24.18656 heeft de rechtbank de beroepen van appellanten gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten vernietigd, de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak appellanten te horen en binnen acht weken na dat gehoor, in elk geval binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak, besluiten te nemen op de aanvragen om aan appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en bepaald dat de minister aan appellanten gezamenlijk een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag dat zij die termijnen overschrijdt, tot een maximum van € 7.500,00.
ECLI:NL:RVS:2025:5543
202501164/1/V2. Datum uitspraak: 17 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.25324 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202407031/1/V1. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 oktober 2024 in zaak nr. NL24.31792 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op haar aanvraag.

Dat heeft de minister bij het besluit van 20 maart 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van haar hoger beroep.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.

4. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 20 maart 2025 een aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 22 september 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

5. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.

6. De minister is in het besluit van 20 maart 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft desgevraagd laten weten het eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026 977