Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:528 ECLI:NL:RVS:2026:528 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:528 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:528
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Mustafazade, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5 tot en met 8 en 10 tot en met 13 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:528 · Raad van State: Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.25.001082 ECLI:NL:RVS:2026:528 Datum uitspraak: 2 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 juli 2025 in zaak nr. NL24.49444 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Mustafazade, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5 tot en met 8 en 10 tot en met 13 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1.

Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026 846