Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:427 ECLI:NL:RVS:2026:427 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:427 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:427
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202405132/1/V1. Datum uitspraak: 27 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoeker], verzoeker, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Procesverloop Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 juli 2024 in zaak nr. NL24.23203. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb, artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:427 · Raad van State: Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

Keywords

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75 van de Awb artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 27 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoeker], verzoeker, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
artikel 8:75 van de Awb
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen.
artikel 6:24 van de Awb
Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:1855
201907349/1/V1. Datum uitspraak: 5 augustus 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 september 2019 in zaak nr. NL19.13526 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2023:4125
202300717/1/V1.Datum uitspraak: 8 november 2023 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Verwijzingsuitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023 in zaak nr. NL22.21969 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij brief van 13 oktober 2022 heeft de vreemdeling de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag van 10 april 2022 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2024:2829
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) 2.
ECLI:NL:RVS:2025:2219
202406486/3/V1. Datum uitspraak: 14 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij uitspraak van 24 september 2024, van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, in zaken nrs. NL24.18651 en NL24.18656 heeft de rechtbank de beroepen van appellanten gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard, het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten vernietigd, de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak appellanten te horen en binnen acht weken na dat gehoor, in elk geval binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak, besluiten te nemen op de aanvragen om aan appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en bepaald dat de minister aan appellanten gezamenlijk een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag dat zij die termijnen overschrijdt, tot een maximum van € 7.500,00.
ECLI:NL:RVS:2025:5543
202501164/1/V2. Datum uitspraak: 17 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.25324 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202405132/1/V1. Datum uitspraak: 27 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoeker], verzoeker, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Procesverloop Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. F. Zeven, advocaat in Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 juli 2024 in zaak nr. NL24.23203. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend.

Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten. Overwegingen Het verzoek om een proceskostenveroordeling 1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).

2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.

3. Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of verzoeker zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij besluit van 22 december 2025 een aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is.

De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 10 november 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

4. De Afdeling wijst het verzoek toe. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 22 december 2025 5. De minister is in het besluit van 22 december 2025 geheel aan de aanvraag van verzoeker tegemoetgekomen. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft verzoeker niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit.

Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026 392