Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3950 ECLI:NL:RVS:2026:3950 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3950 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3950
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202506059/1/R4. Datum uitspraak: 8 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht Awb )in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 november 2025 heeft het college zijn beslissing om op 27 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:3950 · Raad van State: Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen alleen ter inzameling mogen worden aangeboden via de daarvoor aangewezen inzamelvoorziening, het daarvoor aangewezen inzamelmiddel of het daarvoor aangewezen brengdepot. Artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018 houdt in dat het verboden is afvalstoffen naast de inzamelvoorziening te plaatsen.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 8 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht Awb )in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:728
202201267/1/A3. Datum uitspraak: 22 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2022 in zaak nr. 21/1263 in het geding tussen: [appellant] en Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: SUWR). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft de SUWR [appellant] een urgentieverklaring verleend wegens medische noodzaak. Bij besluit van 28 januari 2021 heeft de SUWR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:2055
202102658/1/A3. Datum uitspraak: 20 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 4 maart 2021 in zaak nr. 19/5209 in het geding tussen: [wederpartij] en het college. Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2019 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Bij besluit van 13 januari 2020 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2021:2196
202104635/1/V3. Datum uitspraak: 4 oktober 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 juli 2021 in zaak nr. NL21.9263 en NL21.9270 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 14 juni 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem in bewaring gesteld.
ECLI:NL:RVS:2018:2432
201702617/1/A1. Datum uitspraak: 18 juli 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2016 heeft het college zijn beslissing om op 5 december 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202506059/1/R4. Datum uitspraak: 8 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht Awb )in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 november 2025 heeft het college zijn beslissing om op 27 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2018 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellant] komen. Bij besluit van 27 november 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen 1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 27 oktober 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de Ruigenhoek in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn naam en adresgegevens. De afvalcontainer bevindt zich op een afstand van ongeveer 17 kilometer van het woonadres van [appellant]. 2. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

Hij voert aan dat het enkel herleiden van de aangetroffen kartonnen doos tot zijn naam-, adres- en woonplaatsgegevens onvoldoende is om vast te stellen dat hij het afval onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Volgens hem handelt het college daarmee in strijd met de artikelen 3:2, 5:25 en 7:12 van de Awb. Verder noemt hij drie uitspraken van de Afdeling, namelijk de uitspraken van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:728, 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2055 en 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2196. [appellant] stelt dat hij destijds niet in Rotterdam is geweest en niet weet hoe de kartonnen doos op die plaats terecht is gekomen.

Volgens hem bestaat een plausibel alternatief scenario, zodat de herleidbaarheid van het afval onvoldoende is om hem als overtreder aan te merken. Verder stelt hij dat volgens vaste jurisprudentie de bewijslast ligt bij het bestuursorgaan.

3. Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen alleen ter inzameling mogen worden aangeboden via de daarvoor aangewezen inzamelvoorziening, het daarvoor aangewezen inzamelmiddel of het daarvoor aangewezen brengdepot. Artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen Rotterdam 2018 houdt in dat het verboden is afvalstoffen naast de inzamelvoorziening te plaatsen.

4. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen. Dat vermoeden kan worden weerlegd, waarbij geen onomstotelijk tegenbewijs wordt gevraagd.

Dat kan een betrokkene bijvoorbeeld doen door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder zijn toedoen, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou een betrokkene met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen maken dat hij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432. 4.1. Hoewel de verkeerd aangeboden doos op een afstand van 17 kilometer van het woonadres is aangetroffen en daarmee het vermoeden eerder ontkracht zou kunnen worden dan in andere situaties, heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan eraan kan worden getwijfeld dat hij degene is geweest die de kartonnen doos onjuist ter inzameling heeft aangeboden. [appellant] heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de doos op die plaats.

Hij stelt echter enkel dat hij destijds niet in Rotterdam aanwezig is geweest en niet weet hoe de kartonnen doos op die plaats terecht is gekomen. Hij heeft dat verder niet in het minst nader geconcretiseerd of met objectieve omstandigheden onderbouwd. Daarmee heeft hij geen concrete verklaring gegeven op grond waarvan aannemelijk is dat de kartonnen doos buiten zijn toedoen naast de container is terechtgekomen. Ook zijn verwijzing naar de door hem genoemde uitspraken van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling is van oordeel dat die uitspraken, zoals het college in het verweerschrift terecht heeft gesteld, volstrekt andere gevallen betreffen dan hier aan de orde.

Het gaat daarin over een verleende urgentieverklaring, een verzoek op grond van de toenmalige Wet openbaarheid van bestuur en vreemdelingenrechtelijke besluiten. Voor het volgen van de stelling van [appellant] dat het college heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2, 5:25 en 7:12 van de Awb, bestaat geen grond. Nu op de doos naam-, adres- en woonplaatsgegevens van [appellant] zijn aangetroffen en hij het daaruit voortvloeiende bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, mocht het college hem als overtreder aanmerken. Het betoog slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Van Veldhuizen lid van de enkelvoudige kamer w.g. Sparreboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 195