Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3906 ECLI:NL:RVS:2026:3906 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3906 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3906
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 8 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:3906 · Raad van State: De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 6 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden. Overwegingen 1. Het bezwaar bij de minister en het verzoek bij de rechtbank zijn ingediend tijdens de procedure bij de Afdeling over het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2026. Uit de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, onder 2 en, 15 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1.1, volgt dat de Afdeling, in een geval als dat van verzoeker, bevoegd is om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788
201103977/1/V1. Datum uitspraak: 21 februari 2013 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2011 in zaak nr. 10/15195 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2010 heeft de minister van Justitie het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2016:353
201507815/1/V2. Datum uitspraak: 5 februari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 oktober 2015 in zaak nr. 15/12165 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 21 juni 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:457
201609659/1/V2 en 201609659/4/V2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.003157 ECLI:NL:RVS:2026:3906 Datum uitspraak: 7 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juni 2026 in zaak nr. NL26.20367 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 8 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 6 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden. Overwegingen 1. Het bezwaar bij de minister en het verzoek bij de rechtbank zijn ingediend tijdens de procedure bij de Afdeling over het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2026. Uit de uitspraken van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, onder 2 en, 15 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1.1, volgt dat de Afdeling, in een geval als dat van verzoeker, bevoegd is om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen.

Daarom worden het bezwaar en het verzoek aangemerkt als een nadere onderbouwing van het bij de voorzieningenrechter ingediende verzoek.

2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de voorgenomen overdracht aan Letland op 8 juli 2026 achterwege blijft.

2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).

3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt overgedragen, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 644-1161