ECLI:NL:RVS:2026:3841 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedTegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V. Sarkisian, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft bij brief van 27 mei 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-forma hogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 27 mei 2026.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2026:3841 · Raad van State: Omdat appellant geen gronden heeft ingediend, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
Cited Case Law
AI generatedFull text
BRS.26.002610 ECLI:NL:RVS:2026:3841 Datum uitspraak: 6 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 29 april 2026 in zaak nr. NL24.8379 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V. Sarkisian, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft bij brief van 27 mei 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-forma hogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 27 mei 2026.
Omdat appellant geen gronden heeft ingediend, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Snijders griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026 279