ECLI:NL:RVS:2026:3597 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedBij besluit van 10 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 te voldoen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2026:3597 · Raad van State: Bij uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 te voldoen.
Full text
BRS.26.001033 ECLI:NL:RVS:2026:3597 Datum uitspraak: 24 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 februari 2026 in zaak nr. NL25.47546 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 te voldoen.
Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij aangetekende brief van 8 mei 2026 laten weten dat het griffierecht alsnog uiterlijk op 22 mei 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier haar daartoe bij brief van 26 mei 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026 938-1173