ECLI:NL:RVS:2026:3573 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedTegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat in Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister in de bewaringsmaatregel een refoulementbeoordeling had moeten maken. Dit, omdat er nog geen claimakkoord was op het claimverzoek dat de minister bij de Duitse autoriteiten had ingediend naar aanleiding van de asielaanvraag die appellant op 26 januari 2026 in Duitsland had gedaan.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2026:3573 · Raad van State: De minister had dus ook nog geen overdrachtsbesluit genomen, waarin hij moest beoordelen of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het EU-Handvest. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen.
Cited Case Law
AI generatedFull text
BRS.26.000975 ECLI:NL:RVS:2026:3573 Datum uitspraak: 24 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [betrokkene], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 februari 2026 in zaak nr. NL26.6635 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat in Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister in de bewaringsmaatregel een refoulementbeoordeling had moeten maken. Dit, omdat er nog geen claimakkoord was op het claimverzoek dat de minister bij de Duitse autoriteiten had ingediend naar aanleiding van de asielaanvraag die appellant op 26 januari 2026 in Duitsland had gedaan.
De minister had dus ook nog geen overdrachtsbesluit genomen, waarin hij moest beoordelen of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het EU-Handvest. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). De Afdeling heeft in haar genoemde uitspraak van 12 juni 2026, onder 1.4, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Meurs-Heuvel griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026 47