Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3472 ECLI:NL:RVS:2026:3472 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3472 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3472
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant heeft betoogd in grief 2, is het vereiste dat het gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks afkomstig uit artikel 15, eerste lid, onder b, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, zoals geïmplementeerd in artikel 3.1a, eerste lid, onder d, van het Vb 2000.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3472 · Raad van State: Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant heeft betoogd in grief 2, is het vereiste dat het gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks afkomstig uit artikel 15, eerste lid, onder b, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, zoals geïmplementeerd in artikel 3.1a, eerste lid, onder d, van het Vb 2000.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.002785 ECLI:NL:RVS:2026:3472 Datum uitspraak: 19 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2026 in zaak nr. NL25.50222 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 14 april 2025 heeft de minister vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming.

Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant heeft betoogd in grief 2, is het vereiste dat het gezinslid afhankelijk moet zijn van de persoon die al tijdelijke bescherming geniet, rechtstreeks afkomstig uit artikel 15, eerste lid, onder b, van de Richtlijn tijdelijke bescherming, zoals geïmplementeerd in artikel 3.1a, eerste lid, onder d, van het Vb 2000.

De rechtbank heeft door dit te overwegen dus geen aanvullend vereiste gesteld dat niet uit de richtlijn volgt. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd.

De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Verheij lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026 846