Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:327 ECLI:NL:RVS:2026:327 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:327 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:327
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202500137/1/V2. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.20066 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:327 · Raad van State: Drie medewerkers van de AVIM hebben appellant geschouwd. In het proces-verbaal van verhoor hebben de medewerkers het volgende genoteerd: "Uiterlijk en gedrag komt overeen met de opgegeven leeftijd, maar ze zou ook ouder kunnen zijn dan 16 jaar. Ze is meewerkend maar geeft soms wel vage antwoorden op de vragen." Hieruit concluderen de medewerkers unaniem dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. 3.3. Eén medewerker van de IND heeft appellant geschouwd. In het verslag van het aanmeldgehoor worden eerst enkele lichamelijke kenmerken van appellant benoemd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:3801
202404551/1/V1. Datum uitspraak: 20 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 25 juni 2024 in zaak nr. NL23.12913 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 25 juni 2024 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 april 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de minister is uitgegaan van de geboortedatum 1 februari 1998 en de geboortedatum van betrokkene vastgesteld op 1 maart 2004.
ECLI:NL:RVS:2025:3991
202304073/1/V1. Datum uitspraak: 20 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2023 in zaak nr. NL23.12478 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 11 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 21 juni 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de staatssecretaris de identiteit van betrokkene ongeloofwaardig heeft geacht en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2024:3992
202201742/1/V2. Datum uitspraak: 9 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 maart 2022 in zaak nr. NL21.10401 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 1 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202500137/1/V2. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.20066 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen Inleiding 1.1. Deze uitspraak gaat over de leeftijdsschouwen die door AVIM en de IND zijn verricht en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002.

Grief 1 - het in stand laten van de rechtsgevolgen Grief 2 - de beoordeling van de leeftijd 3.1. In de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 10, heeft de Afdeling overwogen dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk is. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is het vervolgens van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen, in het verslag worden beschreven.

De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. De Afdeling heeft in die uitspraak, onder 12.2, ook overwogen dat, als een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet twijfel bestaat over de verklaring van een vreemdeling dat hij minderjarig is. De Afdeling heeft verder onder 12.2 overwogen dat de minister in dat geval moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dat het aan haar is om die te ontzenuwen. 3.2.

Drie medewerkers van de AVIM hebben appellant geschouwd. In het proces-verbaal van verhoor hebben de medewerkers het volgende genoteerd: "Uiterlijk en gedrag komt overeen met de opgegeven leeftijd, maar ze zou ook ouder kunnen zijn dan 16 jaar. Ze is meewerkend maar geeft soms wel vage antwoorden op de vragen." Hieruit concluderen de medewerkers unaniem dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. 3.3. Eén medewerker van de IND heeft appellant geschouwd. In het verslag van het aanmeldgehoor worden eerst enkele lichamelijke kenmerken van appellant benoemd.

Daar staat dat betrokkene geen opvallende rimpels om haar ogen heeft, geen duidelijk zichtbare groeven rond haar mondhoeken, geen acne heeft en een hoofddoek draagt. Over het gedrag merkt de medewerker op dat appellant niet geconcentreerd en onrustig lijkt te zijn, maar wel aandacht heeft voor vragen en vriendelijk is. Tot slot wijst de medewerker op enkele verklaringen van appellant. Zij heeft verklaard dat zij geen identificerende documenten heeft, nooit naar school is geweest of heeft gewerkt, thuis les kreeg van haar vader en het huishouden deed.

Hieruit concludeert de medewerker van de IND dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. 3.4. Naar het oordeel van de Afdeling zijn beide schouwen in deze zaak onvoldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. In beide schouwen ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de conclusies die de medewerkers daaruit trekken. De Afdeling kan uit de stukken niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen van appellant hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de door haar opgegeven leeftijd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister de leeftijdsschouwen niet mocht betrekken bij haar standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven. 3.5.

Hoewel deze klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot het daarmee beoogde doel. Het voorgaande neemt namelijk niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3. In dit geval heeft de minister nader onderzoek gedaan in Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben daarbij bevestigd dat appellant geregistreerd staat met de geboortedatum 1 juni 2002. 3.6. In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat.

Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid.

De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken. 3.7. Appellant betoogt in deze zaak tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij doorslaggevend gewicht toekent aan de leeftijdsregistratie in Griekenland.

Anders dan appellant stelt, is de minister namelijk ingegaan op haar verklaringen dat aan de leeftijdsregistratie in Griekenland geen gewicht toekomt, omdat zij bij het eerste contact met de Griekse autoriteiten in een ziekenhuis op Kos lag en daar geen tolk aanwezig was. Daarbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf geen voldoende plausibele uitleg is waarom appellant in Nederland een geboortedatum heeft opgegeven die afwijkt van die in Griekenland is geregistreerd. Deze afwijkende verklaringen van appellant doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door appellant in Nederland opgegeven geboortedatum.

Appellant heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt hoe de Griekse autoriteiten aan de geboortedatum 1 juni 2002 zijn gekomen. De Afdeling wijst er in dit verband op dat appellant niet heeft betwist dat haar naam in Griekenland wel overwegend juist is geregistreerd. Nu appellant verder heeft verklaard dat zij bij haar inreis en registratie in Griekenland niet over enig document beschikte, kan uit de naamregistratie worden afgeleid dat er tussen haar en de Griekse autoriteiten in zekere mate communicatie over haar persoonsgegevens mogelijk is geweest.

De rechtbank wijst er in dat verband ook op dat appellant minstens twee keer contact heeft gehad met de Griekse autoriteiten en dat zij voldoende tijd heeft gehad om de gestelde onjuiste registratie na het eerste contact aan te laten passen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor haar niet mogelijk was. Er zijn dus geen aanknopingspunten dat de in Griekenland geregistreerde geboortedatum onjuist zou zijn. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat appellant geen pogingen heeft ondernomen om zelf aan documenten over haar geboortedatum te komen, terwijl zij bijvoorbeeld wel contact had kunnen opnemen met haar nog in Somalië verblijvende, en haar steunende, familieleden en de diplomatieke vertegenwoordiging van Somalië in Brussel.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de minister het vermoeden dat appellant minderjarig is, heeft ontzenuwd en terecht is uitgegaan van de geboortedatum 1 juni 2002. 3.8. De tweede grief slaagt niet. Conclusie Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Toonen griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 986