Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3252 ECLI:NL:RVS:2026:3252 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3252 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3252
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is vastgesteld op 10 november 2022, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 17 april 2022 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De enige grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3252 · Raad van State: Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881, is de behandeling van de eerste asielaanvraag dus afgerond en is de datum van indiening van die eerste asielaanvraag dus niet meer bepalend. De tweede in Nederland ingediende asielaanvraag van appellant moet worden aangemerkt als een ‘volgend verzoek’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn. De datum van die aanvraag is in dit geval bepalend voor de ingangsdatum van de verleende vergunning. Dat, zoals appellant betoogt, de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft, maakt dit niet anders.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:881
202107377/1/V1. Datum uitspraak: 4 maart 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 november 2021 in zaak nr. NL21.15579 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 3 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
ECLI:NL:RVS:2024:4518
202301617/1/V2. Datum uitspraak: 7 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 februari 2023 in zaak nr. NL22.16920 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, met ingang van 8 september 2020 ingewilligd.
ECLI:NL:RVS:2018:2098
201701568/1/V1. Datum uitspraak: 28 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2017 in zaak nr. 16/17018 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.002128 ECLI:NL:RVS:2026:3252 Datum uitspraak: 9 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 april 2026 in zaak nr. NL25.22228 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister een opvolgende aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is vastgesteld op 10 november 2022, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 17 april 2022 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De enige grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank de datum van de eerste door appellant in Nederland ingediende asielaanvraag, namelijk 4 augustus 2018, had moeten aanmerken als de ingangsdatum van de asielvergunning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de datum waarop appellant een tweede asielaanvraag in Nederland heeft ingediend, namelijk 17 april 2022, moet worden aangemerkt als de ingangsdatum. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant naar aanleiding van zijn eerste in Nederland ingediende asielaanvraag is overgedragen aan Duitsland, waar zijn asielaanvraag vervolgens inhoudelijk is beoordeeld.

Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881, is de behandeling van de eerste asielaanvraag dus afgerond en is de datum van indiening van die eerste asielaanvraag dus niet meer bepalend. De tweede in Nederland ingediende asielaanvraag van appellant moet worden aangemerkt als een ‘volgend verzoek’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn. De datum van die aanvraag is in dit geval bepalend voor de ingangsdatum van de verleende vergunning. Dat, zoals appellant betoogt, de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft, maakt dit niet anders.

De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4518, onder 5.1-5.4. Daaruit en uit de uitspraken van 4 maart 2024, onder 5.1, en 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2098, onder 3.1 en 3.2, volgt bovendien dat dit oordeel in overeenstemming is met het Unierecht. De grief faalt. 1.1. Uit deze uitspraken volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Vulpen griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026 1073