Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3213 ECLI:NL:RVS:2026:3213 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3213 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3213
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft op 18 november 2024 asiel aangevraagd. De minister heeft de desbetreffende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat appellant al een internationale beschermingsstatus heeft in Oostenrijk. De echtgenote van appellant en zijn drie minderjarige kinderen hebben in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3213 · Raad van State: Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 2 oktober 2025 volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, onder 13. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:4633
Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene heeft op 23 november 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat betrokkene al een internationale beschermingsstatus heeft in Oostenrijk. 1.1.
ECLI:NL:RVS:2026:1749
202300717/2/V1. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023 in zaak nr. NL22.21969 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij verwijzingsuitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, (verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de door haar gestelde vragen over het verlengen van de beslistermijn voor verzoeken om internationale bescherming in het licht van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.001227 ECLI:NL:RVS:2026:3213 Datum uitspraak: 5 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL24.49354 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant heeft op 18 november 2024 asiel aangevraagd. De minister heeft de desbetreffende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat appellant al een internationale beschermingsstatus heeft in Oostenrijk. De echtgenote van appellant en zijn drie minderjarige kinderen hebben in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Zijn enige grief richt appellant tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen asiel, maar gezinshereniging wil en de minister daarom de aanvraag terecht heeft opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Appellant betoogt terecht dat de minister de aanvraag had moeten zien als een aanvraag in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Hij heeft namelijk tijdens het gehoor van 29 november 2024 verklaard dat hij niet terug wil naar Oostenrijk, omdat hij hier in Nederland bij zijn gezin wil blijven. Hij heeft in dat gehoor geen beroep gedaan op internationale bescherming. De minister had daarom de aanvraag niet niet-ontvankelijk mogen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4633, onder 3 tot en met 3.2. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grief slaagt.

3. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 2 oktober 2025 volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, onder 13. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 4 december 2024. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister de aanvraag moet zien als een aanvraag in het kader van nareis als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL24.49354; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 4 december […]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th.

Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Van den Oosterkamp griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026 941-1078