Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3137 ECLI:NL:RVS:2026:3137 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3137 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3137
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vraag hoe de minister de zware gronden die aan de bewaring ten grondslag worden gelegd moet motiveren, heeft de Afdeling beantwoord in onder andere haar uitspraken van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, en 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442. 1.1. Uit deze uitspraken volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3137 · Raad van State: Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.001795 ECLI:NL:RVS:2026:3137 Datum uitspraak: 4 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 april 2026 in zaak nr. NL26.14606 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vraag hoe de minister de zware gronden die aan de bewaring ten grondslag worden gelegd moet motiveren, heeft de Afdeling beantwoord in onder andere haar uitspraken van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, en 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442. 1.1. Uit deze uitspraken volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie.

Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. De eerste, tweede en vierde grief leiden evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.1. In de eerste en vierde grief zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31). 2.2. De door appellant in de tweede grief opgeworpen vraag over het verzenden van een aanvraag om een laissez-passer te verstrekken, raakt niet de rechtmatigheid van de bewaring. De beantwoording daarvan is dus niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten Cilfit, punt 10, Consorzio Italian Management, punt 34, en Remling, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026 872