Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3104 ECLI:NL:RVS:2026:3104 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3104 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3104
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202500016/1/A2. Datum uitspraak: 3 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 december 2024 in zaak nr. 23/1022 in het geding tussen: [appellant] en de deken van de orde van advocaten Amsterdam (de deken). Procesverloop Bij e-mail van 3 januari 2023 heeft de deken het verzoek van [appellant] om een advocaat aan te wijzen afgewezen. Bij besluit van 14 maart 2023 heeft de deken het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3104 · Raad van State: De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid van de Advocatenwet staat de bestuursrechtelijke weg tegen de e-mail van 3 januari 2023 niet open. Aan [appellant] is meermaals medegedeeld dat hij tegen dergelijke beschikkingen geen bezwaar kan maken. [appellant] kon daarom weten dat het instellen van beroep in deze procedure evident geen kans van slagen had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [appellant] de bevoegdheid om beroep in te stellen zonder redelijk doel heeft aangewend. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:2058.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202500016/1/A2. Datum uitspraak: 3 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 december 2024 in zaak nr. 23/1022 in het geding tussen: [appellant] en de deken van de orde van advocaten Amsterdam (de deken). Procesverloop Bij e-mail van 3 januari 2023 heeft de deken het verzoek van [appellant] om een advocaat aan te wijzen afgewezen. Bij besluit van 14 maart 2023 heeft de deken het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De deken heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant] en de deken, vertegenwoordigd door mr. S.M. de Waard, via videoverbinding, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 16 december 2022 heeft [appellant] op grond van artikel 13 van de Advocatenwet verzocht tot aanwijzing van een advocaat in verband met een financiële vordering op Atlantic Realty.

De deken heeft [appellant] in de op dat verzoek volgende afwijzing van 3 januari 2023 erop gewezen dat hij binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking beklag kan doen bij het Hof van Discipline. Bij e-mail van 2 februari 2023 heeft de griffier van het Hof van Discipline [appellant] bericht dat zijn beklag niet in behandeling zal worden genomen door het Hof van Discipline wegens misbruik van klachtrecht. [appellant] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de e-mail van de deken van 3 januari 2023. De deken heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid van de Advocatenwet staat de bestuursrechtelijke weg tegen de e-mail van 3 januari 2023 niet open. Aan [appellant] is meermaals medegedeeld dat hij tegen dergelijke beschikkingen geen bezwaar kan maken. [appellant] kon daarom weten dat het instellen van beroep in deze procedure evident geen kans van slagen had. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [appellant] de bevoegdheid om beroep in te stellen zonder redelijk doel heeft aangewend. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, waaronder ECLI:NL:RVS:2024:2058.

In deze zaken heeft de Afdeling de hoger beroepen van [appellant] tegen vergelijkbare berichten van dekens van diverse arrondissementen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De rechtbank heeft overwogen dat de redenen voor dat oordeel ook in deze procedure bestaan. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van het recht om beroep in te stellen. Beoordeling van het hoger beroep 3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd.

De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 22 mei 2024, terecht geoordeeld dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om beroep in te stellen. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 3.1 tot en met 3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Conclusie 4.

Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5. De deken hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Borman voorzitter w.g. Yildiz griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 594-1180