Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3068 ECLI:NL:RVS:2026:3068 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3068 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3068
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Procesverloop Bij besluit van 18 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aanvragen om verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:3068 · Raad van State: Bij uitspraak van 8 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtsgevolgen van het besluit van 18 april 2024 zijn namelijk opgeschort op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.002553 ECLI:NL:RVS:2026:3068 Datum uitspraak: 29 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 april 2026 in zaak nr. NL24.47199 in het geding tussen: [verzoeker] en de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop Bij besluit van 18 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aanvragen om verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en een EU‑verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtsgevolgen van het besluit van 18 april 2024 zijn namelijk opgeschort op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vw 2000.

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Meijer voorzieningenrechter w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026 967