Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3022 ECLI:NL:RVS:2026:3022 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3022 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3022
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202405686/1/A3. Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats] (Egypte), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024 in zaak nr. 24/420 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 30 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1:245 van het BW; ECLI:NL:RVS:2026:3022 · Raad van State: Het hoger beroep 3. [appellant] voert aan dat zijn ouders gedeeld ouderlijk gezag over hem hadden toen hij minderjarig was, en het verlies van de nationaliteit van rechtswege daarom niet mag intreden als gevolg van eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders. Artikel 16, eerste lid, onder d, van de RWN gaat uit van het handelen van één ouder en houdt geen rekening met de situatie waarin de ouders gedeeld gezag hebben over een minderjarig kind. Dat artikel is daarom in strijd met artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Keywords

AI generated
artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek artikel 1:245 van het BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek
Dat artikel is daarom in strijd met artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
artikel 1:245 van het BW
Volgens [appellant] zijn de belangen van het kind leidend en gaat artikel 1:245 van het BW daarom voor op de RWN.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:933
202105231/1/A3. Datum uitspraak: 6 maart 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2021 in zaak nr. 16/8516 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2025:6013
202305092/1/A3. Datum uitspraak: 10 december 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats (Zwitserland), appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2023 in zaak nr. 22/4540 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2021 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 23 juni 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2025:5370
202306561/1/A3. Datum uitspraak: 12 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats] (Turkije), appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023 in zaak nr. 22/7846 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de minister geweigerd om de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen. Bij besluit van 30 september 2022 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202405686/1/A3. Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats] (Egypte), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024 in zaak nr. 24/420 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 30 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, en de minister van Buitenlandse Zaken, vertegenwoordigd door L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft een Nederlands paspoort aangevraagd. Hij heeft bij zijn geboorte in 2002 het Nederlanderschap verkregen, omdat zijn vader op dat moment de Nederlandse nationaliteit had. [appellant] heeft sinds zijn geboorte ook de Egyptische nationaliteit, omdat zijn ouders allebei de Egyptische nationaliteit hebben.

Besluitvorming 2. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat [appellant] op 10 april 2014 het Nederlanderschap is verloren. Op dat moment heeft zijn vader namelijk het Nederlanderschap verloren. De vader van [appellant] heeft op 10 april 2004 Nederland verlaten. Omdat hij hierna tien jaar lang hoofdverblijf heeft gehad in Egypte, en aan hem geen Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het Nederlanderschap is verstrekt, is hij de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren op 10 april 2014. Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft ook [appellant] toen de Nederlandse nationaliteit verloren.

Het hoger beroep 3. [appellant] voert aan dat zijn ouders gedeeld ouderlijk gezag over hem hadden toen hij minderjarig was, en het verlies van de nationaliteit van rechtswege daarom niet mag intreden als gevolg van eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders. Artikel 16, eerste lid, onder d, van de RWN gaat uit van het handelen van één ouder en houdt geen rekening met de situatie waarin de ouders gedeeld gezag hebben over een minderjarig kind. Dat artikel is daarom in strijd met artikel 1:245 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Volgens [appellant] zijn de belangen van het kind leidend en gaat artikel 1:245 van het BW daarom voor op de RWN. Beoordeling 3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beroepsgrond dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege niet mag intreden als gevolg van het eenzijdig handelen of nalaten van één van zijn gezaghebbende ouders niet slaagt omdat het ouderlijk gezag in dit geval niet van belang is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:933, r.o. 5.1, is in de RWN uitputtend bepaald onder welke omstandigheden het Nederlanderschap van rechtswege verloren gaat.

De essentie van de dwingend geformuleerde termijnbepaling in artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN, is dat degene die na zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland heeft, van rechtswege zijn Nederlanderschap verliest, ook als die persoon hiervan niet op de hoogte was. Dat betekent dat [appellant] van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. 3.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6013, r.o. 3.10, volgt uit het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind geen onvoorwaardelijke verplichting voor de Nederlandse Staat om [appellant] zijn Nederlandse nationaliteit te laten behouden.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in strijd is met artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze vraag aan de orde kan komen in het kader van de evenredigheidstoetsing. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, r.o. 8.3, is per 1 april 2022 in artikel 6, eerste lid, aanhef, en onder p, van de RWN een optierecht opgenomen waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen.

De Unierechtelijke evenredigheidstoets wordt als gevolg daarvan niet meer uitgevoerd in de paspoortprocedure, maar in een aparte procedure waarbij een optieverklaring wordt afgelegd. Deze mogelijkheid staat ook open voor [appellant]. 3.3. Gelet op het voorgaande heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort terecht buiten behandeling gesteld. 3.4. Het betoog slaagt niet. Conclusie 4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier. w.g. Den Ouden lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kamperman griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 1000