Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:3015 ECLI:NL:RVS:2026:3015 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:3015 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:3015
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202504491/1/A2. Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr. 24/3708 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellante] om zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:3015 · Raad van State: Uit de door [appellante] overlegde stukken is niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Ook haar stelling dat zij geen aangifte inkomstenbelasting kon doen, omdat zij in Duitsland woont, kan aan het dwingendrechtelijke karakter van deze termijn niet afdoen. In het buitenland wonende Nederlanders zijn onder omstandigheden ook (inkomsten)belastingplichtig in Nederland. De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, waar [appellante] een beroep op heeft gedaan, is niet van toepassing, omdat die uitspraak gaat over artikel 6:11 van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:11 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr.
artikel 6:11 van de Awb
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, waar [appellante] een beroep op heeft gedaan, is niet van toepassing, omdat die uitspraak gaat over artikel 6:11 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:3125
202204151/1/A2. Datum uitspraak: 16 augustus 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Belastingdienst/Toeslagen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 25 mei 2022 in zaak nr. 20/3666 in het geding tussen: Belastingdienst/Toeslagen en [wederpartij]. Procesverloop Bij besluit van 21 oktober 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag om huurtoeslag over 2019 van [wederpartij] afgewezen. Bij besluit van 30 november 2020 heeft Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2024:1160
202205864/1/A2. Datum uitspraak: 20 maart 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 29 augustus 2022 in zaken nrs. 21/3604 en 21/3605 in de gedingen tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij brief van 21 augustus 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot zorgtoeslag van [appellant] over 2020 herzien en vastgesteld op nihil en bepaald dat [appellant] teveel betaalde voorschotten moet terugbetalen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202504491/1/A2. Datum uitspraak: 27 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr. 24/3708 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellante] om zorgtoeslag over de jaren 2020 en 2021 afgewezen. Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft op 28 augustus 2023 een aanvraag om zorgtoeslag ingediend voor 2020 en 2021. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat hij deze te laat heeft ontvangen. Volgens de Dienst Toeslagen had [appellante], gelet op artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de aanvraag voor 2020 vóór 1 september 2021 en de aanvraag voor 2021 vóór 1 september 2022 moeten indienen. In haar bezwaarschrift heeft [appellante] onder meer te kennen gegeven dat zij ook zorgtoeslag voor 2019 wil ontvangen.

In het besluit van 21 maart 2024, waarbij het besluit van 17 oktober 2023 is gehandhaafd, heeft de Dienst Toeslagen ook voor dat jaar geweigerd om haar zorgtoeslag toe te kennen. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft, onder meer, de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd. 2.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3125) volgt dat de in artikel 15, eerste lid, van de Awir gestelde termijn voor het aanvragen van zorgtoeslag dwingendrechtelijk is. Van deze termijn kan worden afgeweken als de aanvrager uitgenodigd is om over het berekeningsjaar aangifte inkomstensbelasting te doen binnen een termijn die na 1 september volgende op het berekeningsjaar verloopt.

Uit de door [appellante] overlegde stukken is niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Ook haar stelling dat zij geen aangifte inkomstenbelasting kon doen, omdat zij in Duitsland woont, kan aan het dwingendrechtelijke karakter van deze termijn niet afdoen. In het buitenland wonende Nederlanders zijn onder omstandigheden ook (inkomsten)belastingplichtig in Nederland. De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, waar [appellante] een beroep op heeft gedaan, is niet van toepassing, omdat die uitspraak gaat over artikel 6:11 van de Awb.

Dit artikel ziet op de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep en niet op de termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag. 2.2. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Uit het wettelijk systeem volgt dat het initiatief voor het aanvragen van zorgtoeslag bij de aanvrager ligt. Dat [appellante] te laat was met het indienen van haar aanvraag, omdat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om dit te doen, komt dan ook voor haar rekening.

De Dienst Toeslagen is op grond van artikel 15, zevende lid, van de Awir niet verplicht om aan een potentiële aanvrager een aanvraagformulier toe te zenden. Verder is de Dienst Toeslagen een ander bestuursorgaan dan de Belastingdienst en verrichten zij afzonderlijk en los van elkaar werkzaamheden. De Dienst Toeslagen beschikt dus, anders dan [appellante] stelt, niet automatisch over de inkomensgegevens die aanwezig zijn bij de Belastingdienst. Ook het beroep op artikel 21a van de Awir kan niet slagen. [appellante] heeft immers geen kinderopvangtoeslag ontvangen over de jaren 2019, 2020 en 2021, aldus de rechtbank.

Hoger beroep 3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Dienst Toeslagen ten tijde van het besluit van 21 maart 2024 niet bevoegd was om op de aanvraag om zorgtoeslag te beslissen en heeft verzuimd om deze aanvraag naar het bevoegde bestuursorgaan - de Belastingdienst - door te sturen. 3.1. Dit betoog slaagt niet. De Dienst Toeslagen is een zelfstandig bestuursorgaan in de zin van artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Awb dat op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag bevoegd is om een besluit te nemen over een aanvraag om zorgtoeslag.

De Dienst Toeslagen was niet gehouden om de aanvraag van [appellante] door te zenden naar een ander bestuursorgaan. 4. [appellante] betoogt verder dat zij in een bij de Sociale Verzekeringsbank ingediend bezwaarschrift van 14 november 2019, in een bij de Belastingdienst ingediend bezwaarschrift van 30 maart 2020 en in een bij de Belastingdienst ingediend verzoek om teruggaaf van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van 28 mei 2020 (ook) tijdig een aanvraag om verlening van zorgtoeslag heeft ingediend. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1160, waaruit volgens haar volgt dat bij een gebonden recht als de zorgtoeslag geen ruimte bestaat voor een strikte, discretionaire toepassing die leidt tot verlies van een aanspraak.

Omdat niet tijdig op haar aanvraag is beslist, heeft zij recht op schadevergoeding. 4.1. [appellante] heeft de bezwaarschriften van 14 november 2019 en 30 maart 2020 niet overgelegd. Uit de door haar gegeven omschrijving van de inhoud van deze stukken blijkt niet van een intentie om zorgtoeslag aan te vragen. Hetzelfde geldt voor de inhoud van het door haar overgelegde verzoek van 28 mei 2020. Haar betoog dat zij daarmee tijdig een aanvraag om zorgtoeslag heeft ingediend wordt daarom gepasseerd. Ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1160, slaagt niet.

Uit die uitspraak volgt niet dat de Dienst Toeslagen in het geval van [appellante] gehouden was om haar zorgtoeslag toe te kennen. Het toepasselijke wettelijke kader is te vinden in artikel 15, eerste lid, van de Awir. Die bepaling vereist een tijdige aanvraag. Die heeft [appellante] niet ingediend. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht afgewezen. Het betoog slaagt niet.

5. De gronden die [appellante] in hoger beroep voor het overige aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat zij hierover ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De Dienst hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier. w.g. Van Altena lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hazen griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 452-1190