Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:2858 ECLI:NL:RVS:2026:2858 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2858 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:2858
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945 en ECLI:NL:RVS:2025:5943, volgt namelijk dat de door appellant in zijn enige grief opgeworpen vraag naar de rechtmatigheid van de voorafgaande eerste maatregel van bewaring niet bij de beoordeling mag worden betrokken in deze procedure over de tweede maatregel, en dat, anders dan hij betoogt, het gestelde gebrek in de eerste maatregel in dit geval los moet worden gezien van de tweede maatregel. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2858 · Raad van State: Uit deze uitspraken volgt ook dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals toegepast door de Afdeling. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.001218 ECLI:NL:RVS:2026:2858 Datum uitspraak: 22 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL26.9689 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945 en ECLI:NL:RVS:2025:5943, volgt namelijk dat de door appellant in zijn enige grief opgeworpen vraag naar de rechtmatigheid van de voorafgaande eerste maatregel van bewaring niet bij de beoordeling mag worden betrokken in deze procedure over de tweede maatregel, en dat, anders dan hij betoogt, het gestelde gebrek in de eerste maatregel in dit geval los moet worden gezien van de tweede maatregel. 1.1.

Uit deze uitspraken volgt ook dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals toegepast door de Afdeling. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026 18