Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:2502 ECLI:NL:RVS:2026:2502 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2502 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:2502
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht omdat hij zich niet in een stabiele en bestendige situatie op de arbeidsmarkt bevond, zodat geen sprake was van een onbetwist verblijfsrecht. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2502 · Raad van State: Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht omdat hij zich niet in een stabiele en bestendige situatie op de arbeidsmarkt bevond, zodat geen sprake was van een onbetwist verblijfsrecht. 1.1.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.25.002043 ECLI:NL:RVS:2026:2502 Datum uitspraak: 4 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 oktober 2025 in zaak nr. NL24.51541 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 22 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht omdat hij zich niet in een stabiele en bestendige situatie op de arbeidsmarkt bevond, zodat geen sprake was van een onbetwist verblijfsrecht. 1.1.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1453, geoordeeld dat bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming een onbetwist verblijfsrecht inhoudt. Nu niet in geschil is dat appellant in de periode dat hij tijdelijk werd beschermd, minimaal een jaar bij dezelfde Nederlandse werkgever reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant geen legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste streepje, van het Besluit nr. 1/80 heeft verricht. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 1.2.

Uit de vorengenoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 28 november 2024. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 oktober 2025 in zaak nr. NL24.51541; III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 28 november 2024, V-[...]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Graat griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026 307-1169