ECLI:NL:RVS:2026:247 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedTegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte een beroepsgrond niet heeft besproken. Hij heeft op 12 november 2025 een beroepschrift zonder gronden ingediend. Bij brief van 17 november 2025 heeft hij de rechtbank laten weten zich te refereren aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank. Bij brief van 24 november 2025 heeft hij alsnog een beroepsgrond ingediend.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2026:247 · Raad van State: De rechtbank had het onderzoek echter al op 21 november 2025 gesloten. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Full text
BRS.25.002265 ECLI:NL:RVS:2026:247 Datum uitspraak: 16 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2025 in zaak nr. NL25.55529 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 10 november 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 27 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank ten onrechte een beroepsgrond niet heeft besproken. Hij heeft op 12 november 2025 een beroepschrift zonder gronden ingediend. Bij brief van 17 november 2025 heeft hij de rechtbank laten weten zich te refereren aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank. Bij brief van 24 november 2025 heeft hij alsnog een beroepsgrond ingediend.
De rechtbank had het onderzoek echter al op 21 november 2025 gesloten. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026 1020