Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:2352 ECLI:NL:RVS:2026:2352 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2352 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:2352
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202600968/2/R2. Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoekster A] en [verzoeker B], gevestigd respectievelijk wonend in Lith, gemeente Oss, verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 24 februari 2026 in zaak nrs. 25/2263 en 26/14 in het geding tussen: [verzoekers] en het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:2352 · Raad van State: Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van [verzoekers] mede betrekking op de invorderingsbesluiten.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202600968/2/R2. Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoekster A] en [verzoeker B], gevestigd respectievelijk wonend in Lith, gemeente Oss, verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 24 februari 2026 in zaak nrs. 25/2263 en 26/14 in het geding tussen: [verzoekers] en het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop Bij besluit van 20 maart 2025 heeft het college zowel [verzoekster A] als [verzoeker B] onder oplegging van dwangsommen gelast om gestelde overtredingen op de percelen aan de [locatie] in Lith te beëindigen en beëindigd te houden door, onder meer, de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie (last 1), te stoppen met het (laten) huisvesten van meer dan twee arbeidsmigranten in de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw (last 5) en het aantal slaapplaatsen in de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw terug te brengen naar het aantal in de vergunde situatie of, indien sprake is van meerdere woningen, naar het aantal gezinsleden plus twee personen (last 6).

Bij besluit van 12 augustus 2025 heeft het college, beslissend op het daartegen gerichte bezwaar van [verzoekers], het besluit van 20 maart 2025 in stand gelaten. Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld. Bij afzonderlijke besluiten van 18 maart 2026 heeft het college besloten tot invordering van door [verzoekster A] verbeurde dwangsommen van in totaal € 13.500,00 en van door [verzoeker B] verbeurde dwangsommen van in totaal € 22.500,00.

Het college heeft het door [verzoekers] tegen de besluiten van 18 maart 2026 gemaakte bezwaar met toepassing van de artikelen 6:15 en 5:39 van de Awb aan de Afdeling doorgezonden. [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 21 april 2026, waar [verzoeker B], bijgestaan door mr. P.J.A. Engelvaart, en het college, vertegenwoordigd door J.F.A.C. Verbruggen, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Op de zitting hebben [verzoekers] desgevraagd toegelicht dat hun verzoek is gericht op schorsing van de invorderingsbesluiten en de besluiten tot oplegging van de lasten onder dwangsom wegens het illegaal huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw. Met dit verzoek willen zij voorkomen dat volgens het college verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Ook willen zij voorkomen dat nieuwe dwangsommen worden verbeurd en door het college worden ingevorderd.

3. Gelet op het feit dat het verzoek mede is gericht op schorsing van de lasten onder dwangsom, neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.

4. De voorzieningenrechter zal met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

5. Voor zover het de lasten onder dwangsom betreft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [verzoekers] bij schorsing daarvan minder zwaar weegt dan het belang van het college bij uitvoering van de lasten. [verzoekers] hebben op de zitting erkend dat, om aan de lasten te voldoen, niets hoeft te worden afgebroken op het perceel. De verbeurte van dwangsommen kan worden voorkomen door het huisvesten van meer dan twee arbeidsmigranten in de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw te beëindigen en beëindigd te houden. [verzoekers] hebben niet weersproken dat daaraan op betrekkelijk eenvoudige wijze kan worden voldaan. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in zoverre een voorlopige voorziening te treffen.

6. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van [verzoekers] mede betrekking op de invorderingsbesluiten.

7. Het college heeft de invorderingsbesluiten genomen in verband met de in het procesverloop genoemde lasten 1, 5 en 6. Volgens het college is niet of niet volledig aan deze lasten voldaan en hebben [verzoekers] daarom respectievelijk € 13.500,00 en € 22.500,00 aan dwangsommen verbeurd. [verzoekers] hebben niet onderbouwd dat het nu moeten betalen van deze dwangsommen onomkeerbare gevolgen voor hen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom ook hierin geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

8. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.T. Schipper, griffier. w.g. Uylenburg voorzieningenrechter w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 1075