Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:2212 ECLI:NL:RVS:2026:2212 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2212 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:2212
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit onderdeel is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn noch andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2212 · Raad van State: S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit onderdeel is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn noch andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht. 1.1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.26.001456 ECLI:NL:RVS:2026:2212 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 maart 2026 in zaak nr. NL26.13546 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor een bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit onderdeel is een omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Uit deze richtlijn noch andere Unierechtelijke regelgeving volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn een vereiste is voor een bewaringsmaatregel die niet op uitzetting is gericht. 1.1.

Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift verder geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 872-1086