Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:2047 ECLI:NL:RVS:2026:2047 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:2047 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:2047
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202600437/1/A2. Datum uitspraak: 9 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van Hogeschool Inholland, verweerder. Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: mr. M. Rijsdijk Jurist: mr. L.J.A. van Gils Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. Elbers, vergezeld van [persoon][. ==================================== Het beroep richt zich tegen een beslissing van het college van 14 januari 2026, waarbij het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 17 november 2025 ongegrond is verklaard. Bij die beslissing heeft de centrale studentenadministratie, namens het instellingsbestuur, de inschrijving van [appellant] beëindigd wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichting. [appellant] betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden hem belemmerden om aan de eerder getroffen betalingsregeling te voldoen. Voor de persoonlijke omstandigheden is hij inmiddels een behandeling gestart en krijgt hij financiële ondersteuning van familie. De gevolgen van de beëindiging van de inschrijving zijn voor hem verstrekkend. Hij verblijft in Nederland met een studentenvisum. Beslissing De Afdeling verklaart het beroep ongegrond. Gronden Het college heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inschrijving van [appellant] mocht worden beëindigd. In wat hij in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie dan het college te komen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat het college terecht de afweging heeft gemaakt dat het niet wenselijk is de schuld nog verder op te laten lopen, ondanks dat deze beslissing mogelijk gevolgen heeft voor de verblijfstitel van [appellant]. w.g. Jurgens lid van de enkelvoudige kamer w.g. Rijsdijk griffier 705-1043

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2026:2047 · Raad van State: 202600437/1/A2. Datum uitspraak: 9 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van Hogeschool Inholland, verweerder. Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: mr. M. Rijsdijk Jurist: mr. L.J.A. van Gils Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. Elbers, vergezeld van [persoon][. ==================================== Het beroep richt zich tegen een beslissing van het college van 14 januari 2026, waarbij het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 17 november 2025 ongegrond is verklaard. Bij die beslissing heeft de centrale studentenadministratie, namens het instellingsbestuur, de inschrijving van [appellant] beëindigd wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichting. [appellant] betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden hem belemmerden om aan de eerder getroffen betalingsregeling te voldoen. Voor de persoonlijke omstandigheden is hij inmiddels een behandeling gestart en krijgt hij financiële ondersteuning van familie. De gevolgen van de beëindiging van de inschrijving zijn voor hem verstrekkend. Hij verblijft in Nederland met een studentenvisum. Beslissing De Afdeling verklaart het beroep ongegrond. Gronden Het college heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inschrijving van [appellant] mocht worden beëindigd. In wat hij in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie dan het college te komen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat het college terecht de afweging heeft gemaakt dat het niet wenselijk is de schuld nog verder op te laten lopen, ondanks dat deze beslissing mogelijk gevolgen heeft voor de verblijfstitel van [appellant]. w.g. Jurgens lid van de enkelvoudige kamer w.g. Rijsdijk griffier 705-1043

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text