Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1940 ECLI:NL:RVS:2026:1940 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1940 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1940
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202203530/1/V6. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker Procesverloop [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2022 in zaak nr. 20/9038. Op 12 november 2025 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en tegelijk het verzoek aan de Afdeling gehandhaafd om de minister van Werk en Participatie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. [verzoeker] heeft binnen de gestelde termijn van twee weken niet verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1940 · Raad van State: De redelijke termijn begint in niet-punitieve zaken op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In zaken waarin het gaat om een bestraffende sanctie, begint deze termijn in de regel met de boetekennisgeving. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5859, onder 2.8.1 en 2.8.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3853, onder 12.8, eindigt de in aanmerking te nemen termijn onder meer door een besluit waarmee volledig tegemoet wordt gekomen aan het hoger beroep van een appellant als vaststaat dat de appellant geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep en er door het tegemoetkomende besluit geen beroep van rechtswege door een derde is ontstaan. 1.3.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2009:BK5859
Procesverloop Bij besluit van 6 november 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellant] een boete van € 16.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 14 april 2008 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 28 november 2008, verzonden op 1 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:3853
202101836/1/A2. Datum uitspraak: 18 oktober 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 1 februari 2021 in zaak nr. 19/2506 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellante] over het toeslagjaar 2017 vastgesteld op nihil. Bij besluit van 16 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2016 definitief berekend en vastgesteld op € 2.707,00.
ECLI:NL:RVS:2014:188
201302106/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (lees: de rechtbank Oost-Brabant) van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/14453 in het geding tussen: [appellanten] en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij uitspraak van 1 februari 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant verzoeken van [appellanten] om vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202203530/1/V6. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [verzoeker], wonend in [woonplaats], verzoeker Procesverloop [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2022 in zaak nr. 20/9038. Op 12 november 2025 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en tegelijk het verzoek aan de Afdeling gehandhaafd om de minister van Werk en Participatie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. [verzoeker] heeft binnen de gestelde termijn van twee weken niet verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen 1. [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn volgens hem is overschreden. 1.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. 1.2.

De redelijke termijn begint in niet-punitieve zaken op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In zaken waarin het gaat om een bestraffende sanctie, begint deze termijn in de regel met de boetekennisgeving. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5859, onder 2.8.1 en 2.8.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3853, onder 12.8, eindigt de in aanmerking te nemen termijn onder meer door een besluit waarmee volledig tegemoet wordt gekomen aan het hoger beroep van een appellant als vaststaat dat de appellant geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep en er door het tegemoetkomende besluit geen beroep van rechtswege door een derde is ontstaan. 1.3.

In deze zaak ging het over een besluit waarin de minister [verzoeker] een boete had opgelegd en had bepaald dat [verzoeker] de lening die hij had afgesloten, volledig moest terugbetalen. Voor het deel van de procedure over de boete geldt dat de redelijke termijn is begonnen met de boetekennisgeving van 17 september 2019. De redelijke termijn is in het deel van de procedure over de lening gestart met de ontvangst van het bezwaarschrift van [verzoeker] door de minister op 22 maart 2020. De redelijke termijn is in beide gevallen geëindigd met het besluit van 27 augustus 2025, waarin de minister volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van [verzoeker].

Daarmee hebben de delen van de procedure ongeveer vijf jaar en elf maanden en vijf jaar en vijf maanden geduurd. De Afdeling zal voor de berekening van de redelijke termijn de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van de beantwoording van prejudiciële vragen die zij in een vergelijkbare andere zaak heeft gesteld, buiten beschouwing laten. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.7 en 4.7.1. Voor deze zaak betekent dit dat de periode tussen 7 februari 2023, de dag waarop de Afdeling partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van haar beslissing om de zaak aan te houden, en 4 februari 2025, de dag waarop het Hof van Justitie de prejudiciële vragen heeft beantwoord in het arrest Keren, ECLI:EU:C:2025:52, buiten beschouwing blijft.

Met aftrek van het afwachten van de prejudiciële procedure van twee jaar, is de redelijke termijn dus niet overschreden.

2. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Ruijter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 887