Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1706 ECLI:NL:RVS:2026:1706 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1706 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1706
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202406674/1/A3. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Sittard-Geleen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 september 2024 in zaak nr. 23/1980 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Sittard-Geleen. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant]. Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1706 · Raad van State: De aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester uit mocht gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage waaruit volgt dat [appellant] door een dienstdoende agent is gezien terwijl hij op straat drugs verkocht. Deze rapportage geeft volgens de rechtbank voldoende onderbouwing om vast te stellen dat [appellant] artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De burgemeester hoefde niet voorafgaand aan het opleggen van de last een zienswijze op te vragen bij [appellant] omdat de vereiste spoed bij deze vorm van straathandel en de aard van de last maakt dat hiervan mocht worden afgezien.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:3580
202206557/1/R3. Datum uitspraak: 30 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Deventer, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 oktober 2022 in zaken nrs. 21/1324 en 22/702 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Deventer. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2020 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd (hierna: last onder dwangsom 1). Daarin is [appellant] opgedragen om alle zonder omgevingsvergunning opgerichte bouwwerken op het perceel [locatie] te Deventer (hierna: het perceel) en van de openbare ruimte bij het perceel geheel te verwijderen en verwijderd te houden.
ECLI:NL:RVS:2020:1117
201904187/1/A3. Datum uitspraak: 22 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 april 2019 in zaak nr. 18/2757 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Ermelo. Procesverloop Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om niet binnen de gemeente Ermelo op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarbij te bemiddelen (artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Ermelo 2016 (hierna: de APV)).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202406674/1/A3. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Sittard-Geleen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 september 2024 in zaak nr. 23/1980 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Sittard-Geleen. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant]. Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De burgemeester heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. McKernan, advocaat in Sittard-Geleen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.M. Hellenbrand, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1.

Volgens een bestuurlijke rapportage heeft [appellant] op straat drugs verhandeld. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: de Apv). Ingevolge dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. Indien de last wordt overtreden verbeurt [appellant] een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 20.000,-.

De aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester uit mocht gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage waaruit volgt dat [appellant] door een dienstdoende agent is gezien terwijl hij op straat drugs verkocht. Deze rapportage geeft volgens de rechtbank voldoende onderbouwing om vast te stellen dat [appellant] artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De burgemeester hoefde niet voorafgaand aan het opleggen van de last een zienswijze op te vragen bij [appellant] omdat de vereiste spoed bij deze vorm van straathandel en de aard van de last maakt dat hiervan mocht worden afgezien.

De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom in verhouding staat tot het met artikel 2:74 van de Apv te dienen doel en dat deze ook in het geval van [appellant] niet onevenredig is. Het hoger beroep 3. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De weergave in de bestuurlijke rapportage is volgens hem onjuist omdat hij door de agent is verwisseld met de bijrijder van de scooter waar hij op zat. Deze bijrijder heeft de drugs verkocht en hijzelf was niet op de hoogte van wat de bijrijder deed.

De overige aangetroffen verdovende middelen waren voor eigen gebruik. [appellant] betoogt daarnaast dat hij in zijn belangen is geschaad doordat hij niet de gelegenheid heeft gekregen een zienswijze in te dienen voorafgaand aan het opleggen van de last. Tot slot betoogt [appellant] dat zijn persoonlijke omstandigheden met zich brengen dat had moeten worden afgezien van het opleggen van de last. Hij heeft namelijk niet de financiële middelen om een verbeurde dwangsom te kunnen betalen, gelet op zijn afhankelijkheid van een uitkering op grond van de Participatiewet.

Het terugdringen van drugshandel rechtvaardigt verder niet zo’n hoge dwangsom en in andere gemeenten worden lagere bedragen gehanteerd. Het oordeel van de Afdeling 4. Anders dan [appellant] betoogt volgt uit de bestuurlijke rapportage afdoende dat hij degene was die de drugs heeft verkocht. Uit deze rapportage volgt namelijk overtuigend dat de bestuurder van de scooter, degene met de helm, de verkoper was en niet de bijrijder die geen helm droeg. Niet kan worden gesteld dat [appellant] in zijn belangen is geschaad door het niet vooraf vragen van een zienswijze.

Als hier al sprake zou zijn van een gebrek kan dit in bezwaar worden geheeld. [appellant] heeft de gelegenheid gekregen zijn belangen op een hoorzitting in bezwaar naar voren te brengen maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt opgevolgd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De financiële omstandigheden van een overtreder mogen in beginsel geen rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom.

De Afdeling verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld haar uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3580, onder 18.1. Met het opleggen van de last wordt beoogd de overlast en verstoring van de openbare orde die drugshandel op straat met zich brengt terug te dringen. Uit dat oogpunt is een dwangsom van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,- niet onevenredig (vergelijk onder meer de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117, onder 4.4.). Het betoog dat andere gemeenten een veel lager bedrag zouden hanteren is niet onderbouwd en kan alleen al daarom niet slagen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Langeveld griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 317-1146