Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1698 ECLI:NL:RVS:2026:1698 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1698 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1698
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202503121/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 mei 2025 in zaak nr. 24/1371 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister geweigerd een private schuld van [appellant] over te nemen. Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1698 · Raad van State: Uit deze uitspraak volgt dat de wetgever de eis van een notariële akte bewust heeft gesteld en dat de wetgever de gevolgen van deze eis voor gedupeerde ouders bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht onder ogen heeft gezien en daarmee heeft verdisconteerd. Omdat geen sprake is van niet-verdisconteerde omstandigheden, bestaat er, gelet op het toetsingsverbod, voor de bestuursrechter geen ruimte om artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht aan algemene rechtsbeginselen te toetsen. De rechtbank is terecht tot diezelfde conclusie gekomen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2024:494
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/2601 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2024 in de zaak tussen [eiseres] , uit Amstelveen , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2024:2040
202304486/1/A2. Datum uitspraak: 15 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2023 in zaak nr. 22/4380 in het geding tussen: [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen (thans: de minister van Financiën, hierna ook: de minister). Procesverloop Bij besluit van 4 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen op grond van het Besluit betalen private schulden geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen. Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2025:456
202402226/1/A2. Datum uitspraak: 12 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 28 maart 2024 in zaak nr. 23/3667 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen. Bij besluit van 4 januari 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202503121/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 mei 2025 in zaak nr. 24/1371 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister geweigerd een private schuld van [appellant] over te nemen. Bij besluit van 12 december 2023 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant], vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. M.I. Bal, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. A.R. Kandhai, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een schuld van € 20.000,00.

Deze schuld komt voort uit een overeenkomst van geldlening die hij op 2 december 2011 is aangegaan. De minister heeft de schuld niet overgenomen, omdat sprake is van een privé-schuld die niet is vastgelegd in een notariële akte. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op juiste gronden de schuld niet heeft overgenomen. Omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte is niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) voldaan. Verder blijkt uit de parlementaire stukken dat de wetgever de eis van een notariële akte bewust heeft gesteld, waardoor er voor de rechter gelet op het toetsingsverbod geen ruimte bestaat om artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht aan algemene rechtsbeginselen te toetsen.

Verder heeft [appellant] niet onderbouwd dat in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere of schrijnende omstandigheden dat met toepassing van de hardheidsclausule van de eis van een notariële akte had moeten worden afgeweken. Overigens heeft [appellant] ook niet aannemelijk gemaakt dat en wanneer de schuld opeisbaar is geworden. Beoordeling in hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wetgever de eis van de notariële akte bewust heeft gesteld en daarbij ook de gevolgen daarvan voor gedupeerde ouders voor ogen heeft gehad.

In dit kader wijst hij op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494, en op de commotie in de Eerste en Tweede Kamer over het vasthouden aan de eis van een notariële akte. Volgens [appellant] is de eis van een notariële akte onredelijk en mist deze elke menselijke maat. Hij kon immers vooraf niet voorzien welke eisen aan een geldschuld zouden worden gesteld. Ook beschikte hij destijds niet over de financiële middelen om een notaris te betalen. 3.1. De grond die [appellant] aanvoert gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 18 tot en met 24).

Uit deze uitspraak volgt dat de wetgever de eis van een notariële akte bewust heeft gesteld en dat de wetgever de gevolgen van deze eis voor gedupeerde ouders bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht onder ogen heeft gezien en daarmee heeft verdisconteerd. Omdat geen sprake is van niet-verdisconteerde omstandigheden, bestaat er, gelet op het toetsingsverbod, voor de bestuursrechter geen ruimte om artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht aan algemene rechtsbeginselen te toetsen. De rechtbank is terecht tot diezelfde conclusie gekomen.

Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. 4. [appellant] betoogt dat in zijn geval de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Hij bevond zich destijds in een moeilijke periode en had dringend geld nodig. 4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3, volgt dat bij de toepassing van de hardheidsclausule niet wordt gekeken naar de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest, maar naar de actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.

Verder volgt uit deze uitspraak dat degene die een beroep doet op de hardheidsclausule in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid van zijn of haar situatie uit bestaat en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. 4.2. Hoewel het aannemelijk is dat [appellant] de lening is aangegaan, omdat hij destijds in financiële nood verkeerde, is dit geen actuele omstandigheid die samenhangt met (de gevolgen van) het besluit op het verzoek tot compensatie van de schulden. [appellant] heeft in hoger beroep geen andere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast.

De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige schrijnende (financiële) situatie dat de minister niet zou mogen vasthouden aan de wettelijke voorwaarden voor het compenseren van deze schulden. Conclusie 5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 284-1160