Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1697 ECLI:NL:RVS:2026:1697 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1697 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1697
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202505032/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) in het geding tussen: [verzoeker] verzoeker, en de minister van Asiel en Migratie verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4381, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:88 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over een verzoek van [verzoeker] om schadevergoeding (hierna: het verzoek). [verzoeker] heeft het verzoek nader toegelicht.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:88 van de Awb, Artikel 71a van de Vw, artikel 6:3 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:1697 · Raad van State: De gestelde schade is namelijk een gevolg van de beslissing van het COa tot overplaatsing en geen rechtstreeks gevolg van de kennisgeving van de minister. Een vreemdeling kan in een dergelijk geval desgewenst bij het betrokken bestuursorgaan een zelfstandig verzoek om vergoeding van de gestelde geleden schade indienen. De Afdeling heeft daarom de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2024 vernietigd en het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding 3. [verzoeker] betoogt dat de kennisgeving een onrechtmatig besluit is dan wel een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:88 van de Awb Artikel 71a van de Vw artikel 6:3 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) in het geding tussen: [verzoeker] verzoeker, en de minister van Asiel en Migratie verweerder.
artikel 8:88 van de Awb
Artikel 71a van de Vw
Artikel 71a van de Vw is van overeenkomstige toepassing.
artikel 6:3 van de Awb
Een kennisgeving is volgens de Afdeling echter een niet zelfstandig appellabele beslissing in de zin van artikel 6:3 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:4381
202405147/1/V2. Datum uitspraak: 16 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 18 juli 2024 in zaak nr. NL24.5308 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (hierna: de kennisgeving) van 29 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) laten weten de geboortedatum van betrokkene te hebben gewijzigd.
ECLI:NL:RVS:2024:613
202103835/1/A2. Datum uitspraak: 14 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 mei 2021 in zaak nr. 20/6526 op een verzoek om schadevergoeding van [verzoeker] als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procesverloop [verzoeker] heeft de rechtbank op 24 juli 2020 verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris), op grond van art. 8:88, eerste lid, van de Awb, te veroordelen tot vergoeding van schade.
ECLI:NL:RVS:2024:5256
202305421/1/V2. Datum uitspraak: 18 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 juli 2023 in zaak nr. NL22.26907 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (hierna: de kennisgeving) van 26 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) laten weten de geboortedatum van de vreemdeling te hebben gewijzigd.
ECLI:NL:RVS:2024:2011
202206953/1/V1. Datum uitspraak: 15 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 4 november 2022 in zaak nr. 22/6354 in het geding tussen: [de vreemdeling] en het COa. Procesverloop Op 26 augustus 2022 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar een opvangvoorziening voor meerderjarigen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202505032/1/A2. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) in het geding tussen: [verzoeker] verzoeker, en de minister van Asiel en Migratie verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4381, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:88 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over een verzoek van [verzoeker] om schadevergoeding (hierna: het verzoek). [verzoeker] heeft het verzoek nader toegelicht.

De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 11 februari 2026, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. B.J. Riesebos, advocaat in Eindhoven, en de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. C.J. Ohrtmann, zijn verschenen. Overwegingen 1. In geschil is of [verzoeker] recht heeft op vergoeding van schade die hij door een onrechtmatig besluit van de minister heeft geleden. Achtergrond van het geschil 2. [verzoeker] heeft de Eritrese nationaliteit. Bij de indiening van zijn asielaanvraag, op 5 november 2022, heeft hij gesteld dat hij is geboren op [geboortedatum A] 2007.

De minister heeft naar aanleiding van een treffer in Eurodac de registratie van de geboortedatum van [verzoeker] op 29 november 2022 gewijzigd in [geboortedatum B] 1998 (hierna: de kennisgeving). Volgens de minister was [verzoeker] daarom meerderjarig op het moment van zijn asielaanvraag. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa) heeft hem vervolgens op 13 maart 2023 overgeplaatst van de minderjarigenopvang naar de meerderjarigenopvang. [verzoeker] heeft vervolgens op 24 mei 2023 verzocht om terugplaatsing naar een opvangvoorziening voor minderjarigen.

Het COa heeft dit verzoek afgewezen. Hangende het bezwaar tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 december 2023 is [verzoeker] op 29 december 2023 weer overgeplaatst naar de minderjarigenopvang. De minister heeft vervolgens bij besluit van 22 januari 2024 het bezwaar van [verzoeker] tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk verklaard, omdat de kennisgeving volgens haar niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 2.1.

Gedurende de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft de minister de asielaanvraag van [verzoeker] bij besluit van 14 mei 2024 ingewilligd, waarbij zij ervan is uitgegaan dat zijn geboortedatum [geboortedatum B] 1998 is. De minister heeft bij besluit van 31 mei 2024 het besluit van 14 mei 2024 gewijzigd voor zover het de geboortedatum van [verzoeker] betreft en deze vastgesteld op [geboortedatum C] 2007. 2.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 juli 2024 het tegen het besluit van 22 januari 2024 door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar moet nemen.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het besluit van 31 mei 2024 in de asielprocedure niet afdoet aan het belang van [verzoeker] bij het beroep in deze procedure, omdat hij stelt als gevolg van de kennisgeving schade te hebben geleden doordat het COa hem heeft overgeplaatst van de minderjarigen- naar de meerderjarigenopvang. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de kennisgeving een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat deze de juridische positie van wijzigt van die van een minderjarige in die van een meerderjarige en daarmee is gericht op een rechtsgevolg. 2.3.

De Afdeling kwam, op het punt van de vraag of [verzoeker] belang heeft bij het ingestelde beroep, tot een ander oordeel dan de rechtbank. Zij heeft bij voormelde uitspraak van 16 september 2025 overwogen dat [verzoeker] met het besluit van 31 mei 2024 het doel van zijn procedure over de kennisgeving heeft bereikt, namelijk dat de minister uitgaat van de geboortedatum die hij bij de asielaanvraag heeft opgegeven. Dat [verzoeker] een verzoek om schadevergoeding wil indienen voor gestelde geleden immateriële schade als gevolg van de overplaatsing van de minderjarigen- naar de meerderjarigenopvang, doet volgens de Afdeling daar niet aan af.

De gestelde schade is namelijk een gevolg van de beslissing van het COa tot overplaatsing en geen rechtstreeks gevolg van de kennisgeving van de minister. Een vreemdeling kan in een dergelijk geval desgewenst bij het betrokken bestuursorgaan een zelfstandig verzoek om vergoeding van de gestelde geleden schade indienen. De Afdeling heeft daarom de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2024 vernietigd en het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding 3. [verzoeker] betoogt dat de kennisgeving een onrechtmatig besluit is dan wel een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft hij naar voren gebracht dat de minister bij het gewijzigde besluit van 31 mei 2024 zijn geboortedatum, anders dan volgt uit de kennisgeving, heeft vastgesteld op [geboortedatum C] 2007. Dit gewijzigde besluit is volgens [verzoeker] uitsluitend gebaseerd op de reeds bekende informatie bij de IND. Omdat de geboortedatum in de kennisgeving gecommuniceerd was met andere ketenpartners, had dat tot gevolg dat hij door het COa op 13 maart 2023 is overgeplaatst naar een opvanglocatie voor volwassenen. Op de zitting heeft hij in dit verband naar voren gebracht dat het COa hem zonder de kennisgeving niet naar de meerderjarigenopvang zou hebben overgeplaatst, zodat deze overplaatsing moet worden gezien als een rechtstreeks gevolg van de kennisgeving.

Hij heeft door de overplaatsing immateriële schade geleden. Hij heeft zich depressief en eenzaam gevoeld in de periode dat hij tussen volwassenen moest verblijven en verstoken was van de 24-uurs begeleiding, van zijn leeftijdgenoten en van de mogelijkheid om naar school te gaan. Hier is pas een einde aan gekomen toen de voorzieningenrechter op 22 december 2023 het COa heeft opgedragen om hem weer terug te plaatsen naar een minderjarigenopvang. Volgens [verzoeker] is sprake van onrechtmatig overheidshandelen in de zin van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

De minister is er namelijk van op de hoogte welke gevolgen de leeftijdswijziging voor minderjarigen heeft. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ter hoogte van € 2.500,-. Beoordeling door de Afdeling 4. In artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. 4.1.

In artikel 72a van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat artikel 8:88, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is op een verzoek tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatige handeling van dit bestuursorgaan ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig. Artikel 71a van de Vw is van overeenkomstige toepassing. Daarin is bepaald dat, in afwijking van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is tot behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van deze wet. 4.2.

De voorzieningenrechter is in zijn uitspraak van 22 december 2023 tot het voorlopige oordeel gekomen dat het COa, gelet op alle feiten en omstandigheden, niet zonder meer en zonder nader onderzoek te verrichten mocht uitgaan van de door de minister vastgestelde meerderjarigheid. Volgens de voorzieningenrechter rust op het COa een zelfstandige onderzoeksplicht om te beoordelen of [verzoeker] bijzondere opvangbehoeften heeft. De voorzieningenrechter heeft vervolgens na een belangenafweging bepaald dat [verzoeker] binnen één week wordt geplaatst in een opvang voor minderjarige asielzoekers.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] een week na de uitspraak van 22 december 2023, namelijk op 29 december 2023, is overgeplaatst naar de minderjarigenopvang. Uit het besluit van 31 mei 2024 blijkt dat de minister in dat besluit uitgaat van de door [verzoeker] bij zijn asielaanvraag opgegeven geboortedatum. 4.3. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de normen die gelden voor de opvang, begeleiding en het onderwijs van (niet begeleide) minderjarige asielzoekers tijdens de opvang gedurende de asielprocedure beschermen tegen immateriële schade zoals [verzoeker] die stelt te hebben geleden (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:613).

Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat [verzoeker] alleen om vergoeding van de geleden immateriële schade heeft verzocht. Wel is in geschil of de overplaatsing van [verzoeker] door het COa naar de meerderjarigenopvang en de daardoor door [verzoeker] gestelde geleden immateriële schade een rechtsreeks gevolg is van de kennisgeving en dus of sprake is van causaal verband tussen de kennisgeving en de gestelde geleden schade. 4.4. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een kennisgeving zoals in deze zaak aan de orde, gericht is op rechtsgevolg en dat een kennisgeving een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.

Een kennisgeving is volgens de Afdeling echter een niet zelfstandig appellabele beslissing in de zin van artikel 6:3 van de Awb. De kennisgeving is aan te merken als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit, namelijk het besluit op de asielaanvraag. Tegen dit besluit kan een vreemdeling in beroep en hoger beroep opkomen, ook in het geval dat de asielaanvraag is ingewilligd en de vreemdeling alleen wenst op te komen tegen de vastgestelde leeftijd. De kennisgeving hangende de besluitvorming op de asielaanvraag is dus geen definitieve vaststelling.

Hoewel de minister met de kennisgeving beoogt rechtsgevolgen te sorteren die losstaan van de beoordeling van de asielaanvraag, wordt de vreemdeling er niet rechtstreeks in zijn belangen door getroffen. Naar aanleiding van een kennisgeving treden er geen directe feitelijke gevolgen op, omdat daarvoor besluiten of handelingen van de minister of andere instanties nodig zijn. Als een derde instantie feitelijk handelt of een besluit neemt naar aanleiding van de kennisgeving, kan een vreemdeling daartegen opkomen (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256). 4.5.

De door [verzoeker] gestelde schadeoorzaak is de overplaatsing naar een meerderjarigenopvang. Zoals de minister terecht betoogt, beslist het COa om een vreemdeling van een minderjarigen- naar een meerderjarigenopvang te verplaatsen. De minister heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011, onder 5.2, er terecht op gewezen dat de overplaatsing vatbaar is voor bezwaar en beroep. In die procedure kan aan de orde worden gesteld of het COa uit mocht gaan van de door de minister vastgestelde leeftijd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 volgt verder dat het COa in beginsel mag uitgaan van de leeftijdsbepaling door de staatssecretaris, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd, bijvoorbeeld als een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij bij de staatssecretaris is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan.

In dat geval moet het COa navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling. Het COa heeft bij de overplaatsing dus ook een eigen verantwoordelijkheid. In tegenstelling tot wat [verzoeker] betoogt, is de overplaatsing dus geen rechtstreeks gevolg van de kennisgeving. Dat, zoals [verzoeker] op de zitting naar voren heeft gebracht, het COa hem zonder de kennisgeving nooit zou hebben overgeplaatst maakt dit, ook als dit juist zou zijn, niet anders.

Dan blijft immers staan dat het het COa is dat uiteindelijk beslist tot overplaatsing, en dat het COa, zoals hierboven is overwogen, daarbij een eigen verantwoordelijkheid heeft. In dit verband is van belang dat [verzoeker] bij het COa had kunnen opkomen tegen de overplaatsing. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. Wel heeft hij een verzoek tot terugplaatsing ingediend dat door het COa is afgewezen. Na deze afwijzing door het COa heeft de voorzieningenrechter, hangende het bezwaar van [verzoeker] tegen deze afwijzing van zijn verzoek om terugplaatsing, de voorlopige voorziening getroffen dat hij als minderjarige wordt aangemerkt en bepaald dat hij binnen een week geplaatst wordt in een minderjarigenopvang.

Daar heeft het COa aan voldaan. 4.6. De Afdeling is van oordeel dat de beslissing tot overplaatsing van de minderjarigen- naar de meerderjarigenopvang door het COa geen rechtstreeks gevolg is van de kennisgeving. De schade die uit de overplaatsing voortvloeit staat dus niet in causaal verband met de gestelde schadeoorzaak, namelijk de kennisgeving. De Afdeling zal daarom het verzoek om schadevergoeding afwijzen. Zoals ook volgt uit voormelde uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 en 15 mei 2024 en de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2025 over de kennisgeving in deze zaak, kan [verzoeker] een verzoek om schadevergoeding indienen bij het COa.

Conclusie 5. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af.

6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. van Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Jurgens voorzitter w.g. Yildiz griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 594