Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1573 ECLI:NL:RVS:2026:1573 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1573 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1573
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202501879/1/A3. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/4871 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:5 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2026:1573 · Raad van State: Op grond van artikel 28 van de Paspoortwet kan de aanvrager worden verzocht de nodige bewijsstukken over te leggen. Verder volgt uit artikel 2.1, eerste lid, van het Paspoortbesluit dat voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap, gebruik wordt gemaakt van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

Keywords

AI generated
artikel 4:5 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:5 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:2853
202302831/1/R3. Datum uitspraak: 17 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Rockanje, gemeente Voorne aan Zee, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2023 in zaken nrs. 21/1315 en 21/1162 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee. Procesverloop Bij brief van 15 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (nu: Voorne aan Zee) het verzoek van [appellante] om over te gaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsommen voor het hekwerk op het perceel aan de [locatie] te Rockanje (hierna: het perceel) gedeeltelijk toegewezen.
ECLI:NL:RVS:2012:BX5969
Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 16 juli 2010 heeft de minister de aanvragen voor een nieuw paspoort van [appellante A] (hierna: de moeder) en van [appellante B] (hierna: de dochter) niet in behandeling genomen. Bij afzonderlijke besluiten van 23 februari 2011 heeft de minister de door de moeder en de dochter daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 augustus 2011, verzonden op 29 augustus 2011, heeft de rechtbank de door de moeder en de dochter daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 23 februari 2011 vernietigd, het bezwaar (lees: de bezwaren) gegrond verklaard, bepaald dat de aanvragen worden afgewezen met overneming van de in de vernietigde besluiten gebruikte motivering en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
ECLI:NL:RVS:2025:4980
202306817/1/A3. Datum uitspraak: 22 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 25 september 2023 in zaak nr. 22/5775 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Hilversum. Procesverloop Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: brp) afgewezen. Bij besluit van 8 november 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2025:5118
202504597/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 augustus 2025 in zaak nr. NL25.21222 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202501879/1/A3. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/4871 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.L.K. Hu, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is geboren in Vietnam en heeft een Vietnamese moeder en een Nederlandse vader.

Op 28 september 2023 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een Nederlands paspoort. Bij het besluit van 3 oktober 2023 heeft de minister laten weten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het is de minister namelijk niet bekend of de vader [appellant] heeft erkend, omdat op de geboorteakte alleen zijn moeder als informant is opgenomen. Daarmee heeft [appellant] niet de Nederlandse nationaliteit verkregen en kan hij geen Nederlands paspoort aanvragen. Bij het besluit van 28 maart 2024 is de minister bij zijn beslissing gebleven en heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Er kan niet worden vastgesteld dat de vader [appellant] heeft erkend. [appellant] kan niet zijn Nederlandse nationaliteit aan die van zijn vader ontlenen. Een in beroep overgelegde kopie van de Vietnamese "Decision on recognition of parents recognize out of wedlock child" maakt dat niet anders. Omdat de aanvraag niet in behandeling is genomen, beperkt het geding zich volgens de rechtbank tot de vraag of de minister dit terecht heeft gedaan.

Er kunnen dan ook alleen bewijsmiddelen een rol spelen die gaan over die vraag. Bewijsmiddelen die de onvolledige aanvraag aanvullen blijven buiten beschouwing, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853. Ook is het document niet gelegaliseerd. Het besluit is ten slotte niet onzorgvuldig voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] de op de zaak betrekking hebbende stukken toegestuurd gekregen. [appellant] heeft niet verzocht om inzage in stukken uit eerdere procedures. Wettelijk kader 3.

De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank de omvang van het geding ten onrechte heeft beperkt. Volgens [appellant] is geen sprake van een buitenbehandelingstelling op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarover de uitspraak van 17 juli 2024 gaat. De rechtbank stelt de situatie van [appellant] ten onrechte hieraan gelijk, aldus [appellant]. Beoordeling hoger beroep 5. Een aanvraag om een paspoort wordt niet in behandeling genomen als de aanvrager ten tijde van de aanvraag geen Nederlander is in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet.

De minister heeft de aanvraag van [appellant] niet in behandeling genomen omdat het de minister niet is gebleken dat [appellant] erkend is door zijn vader en hij daardoor niet de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. De minister is na onderzoek tot dit standpunt gekomen. [appellant] heeft in beroep stukken overgelegd waaruit volgens hem anders blijkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank deze stukken ten onrechte niet betrokken. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, waarin is bepaald dat in het geval het bestuursorgaan een aanvraag onvolledig vindt en daarom die aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling laat, niet altijd een nieuw bewijsmiddel in beroep of in hoger beroep kan worden ingebracht. [appellant] betoogt terecht dat in dit geval geen sprake is van een buitenbehandelingstelling op grond van artikel 4:5 van de Awb maar van een buitenbehandelingstelling wegens het niet voldoen aan de voorwaarde voor een paspoort, namelijk het ontbreken van de Nederlandse nationaliteit.

Een dergelijke aanvraag wordt op grond van artikel 52 van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 niet in behandeling genomen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5969, onder 2.5. De omvang van het geding is terecht beperkt tot de vraag of de minister de aanvraag buiten behandeling heeft mogen laten, maar binnen die omvang valt wel de vraag of [appellant] Nederlander is en in dat kader bewijsmiddelen kan overleggen. Het oordeel van de rechtbank is dan ook op onjuiste gronden tot stand gekomen. 5.1.

Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling bespreekt en beoordeelt het beroep. Beoordeling van het beroep 6. [appellant] heeft betoogd dat de minister bij zijn besluitvorming stukken had moeten betrekken die gaan over de aanvraag om een voorlopige verblijfsvergunning (mvv-aanvraag). Volgens [appellant] zijn dat op de zaak betrekking hebbende stukken en had hij inzage in deze stukken moeten krijgen voor het aanvullen van de gronden van zijn bezwaar. [appellant] stelt ten onrechte niet in de bezwaarfase te zijn gehoord. 6.1.

De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat het besluit van de minister onzorgvuldig is voorbereid omdat hij geen inzage heeft gehad in de stukken die gaan over de mvv-aanvraag. De Afdeling leest in het verzoek om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat daaronder ook de mvv-aanvraag valt. [appellant] is overigens voldoende gehoord. 7. [appellant] heeft betwist dat hij niet de Nederlandse nationaliteit heeft door in beroep onder meer het document ‘Decision on recognition of parents recognize out of wedlock child’ (Decision on recognition) over te leggen.

De Afdeling zal beoordelen of [appellant] met overlegging van dit stuk heeft aangetoond dat hij het Nederlanderschap bezit. 7.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de Decision on recognition niet kan worden vastgesteld dat [appellant] het Nederlanderschap bezit. Er is slechts een kopie van dit document overgelegd. Volgens de minister moet bij een eerste paspoortaanvraag een origineel document, inclusief de vereiste legalisatie, worden overgelegd. 7.2. Voor de aanvraag van een Nederlands paspoort is het vereist dat de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager worden vastgesteld.

Op grond van artikel 28 van de Paspoortwet kan de aanvrager worden verzocht de nodige bewijsstukken over te leggen. Verder volgt uit artikel 2.1, eerste lid, van het Paspoortbesluit dat voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap, gebruik wordt gemaakt van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

Volgens artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit wordt een gericht onderzoek ingesteld als onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager. Dit onderzoek wordt gedaan met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit. 7.3. De Afdeling is van oordeel dat van [appellant] mag worden verlangd de Decision on recognition in origineel over te leggen. Het is de Afdeling niet gebleken dat het voor [appellant] niet mogelijk was om een origineel document te overleggen, bijvoorbeeld omdat het originele document onder de registerhouder of burgerlijke stand van een land moet blijven en alleen een uittreksel of afschrift daarvan verkregen kan worden.

Vergelijk hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, onder 8.1. [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling verklaard de kopie van de Decision on recognition te hebben verkregen via het dossier van de mvv-aanvraag door de vader. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft geprobeerd het origineel te verkrijgen via de Vietnamese autoriteiten. Uit de overgelegde kopie van de Decision on recognition kan dan ook niet worden vastgesteld dat [appellant] het Nederlanderschap bezit. De minister hoefde dit document dan ook niet verder te betrekken bij de paspoortaanvraag. 8. [appellant] heeft in beroep verder betoogd dat uit de artikelen 10:100 en 10:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat het juridisch vaderschap van een ongehuwde man in een buitenlandse geboorteakte van een kind moet worden gelijkgesteld met een erkenning van dat kind.

Volgens [appellant] moet ook worden meegenomen of er andere aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de in de geboorteakte vermelde vader instemde met het opmaken van die akte. Er kan bijvoorbeeld een procedure zijn geweest in het land waar de geboorteakte is opgemaakt waarin is vastgesteld of de vader het kind erkende of dat de vader andere gedragingen en uitlatingen heeft gedaan waaruit de erkenning kan worden opgemaakt. Volgens [appellant] valt te denken aan een aanvraag voor een voorlopige verblijfsvergunning ten behoeve van het kind of een aanvraag voor kinderbijslag. 8.1.

Uit de artikelen 10:100 en 10:101 van het BW volgt dat voor het erkennen van buiten Nederland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming in beginsel een onherroepelijke rechterlijke beslissing uit het desbetreffende land dan wel een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte is vereist, die de afstammingsrelatie vaststelt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die artikelen (Kamerstukken II, 2009/10, 32 137, nr. 3, blz.

60) volgt dat voor erkenning van een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling ook grond kan bestaan buiten het geval dat het rechtsfeit of de rechtshandeling is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte. Hiertoe kan aanleiding bestaan als met voldoende zekerheid vaststaat dat naar buitenlands recht van het rechtsfeit of de rechtshandeling sprake is. Op degene die zich daarop beroept, rust de stelplicht en de bewijslast ter zake. Verder moeten er geen gronden zijn die zich verzetten tegen de erkenning. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2025:5118, onder 9. 8.2.

In de geboorteakte worden de door [appellant] gestelde erkenning en de daaruit voortvloeiende afstammingsrelatie niet als zodanig vastgesteld. Volgens artikel 30 van de Vietnamese Marriage and Family Law 1986 wordt een erkenning van een buiten het huwelijk geboren kind vastgelegd in een geboorteregister. [appellant] heeft een afschrift van dit geboorteregister niet overgelegd. De geboorteakte waarop de vader van [appellant] vermeld staat, kan dan ook niet als volledig bewijs van een rechtsgeldige erkenning en bewijs van een afstammingsrelatie tussen [appellant] en zijn vader worden aanvaard.

Daarvoor zijn meer bewijsstukken vereist, waaronder in dit geval een afschrift van het geboorteregister waarin de erkenning is vastgelegd.

9. Het betoog slaagt niet. Het beroep is ongegrond. De minister heeft daarom de paspoortaanvraag van [appellant] buiten behandeling mogen laten omdat de minister niet is gebleken dat [appellant] over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Conclusie 10. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Het beroep is ongegrond.

11. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/4871; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 289,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier. w.g. De Groot lid van de enkelvoudige kamer w.g. Langeveld griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 818-1104 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:5 1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien: a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. (…) Burgerlijk Wetboek Boek 10 Artikel 100 1.

Een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, wordt in Nederland van rechtswege erkend, tenzij: a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land; b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. (…) Artikel 101 1. Artikel 100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 van dit Boek is van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. (…) Paspoortwet Artikel 9 1.

Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen. (…) Artikel 28 1. De in artikel 26 bedoelde autoriteit verschaft zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager, en indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

2. De aanvrager kan worden verzocht in verband met het in het eerste lid bedoelde onderzoek de nodige bewijsstukken over te leggen. (…) Rijkswet op het Nederlanderschap Artikel 3 1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden. (…) Artikel 4 (…) 2. Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend. (…) 4. Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont. (…) Paspoortbesluit Artikel 2.1.

Vaststelling identiteit en Nederlanderschap 1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens of van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten.

2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken. Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 Artikel 52 1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 2.1 tot en met 2.17 van het besluit en de artikelen 11 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen. (…)