Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2026:1276 ECLI:NL:RVS:2026:1276 AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1276 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2026:1276
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302677/1/V2. Datum uitspraak: 5 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 januari 2023, en haar einduitspraak van 20 april 2023, in zaak nr. NL22.22813, in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie Procesverloop Bij besluit van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2026:1276 · Raad van State: Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat in Rijsbergen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant klaagt in haar vierde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:1530
202101991/1/V3. Datum uitspraak: 8 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 15 maart 2021 in zaak nr. NL18.7421 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Inleiding Het oordeel van de rechtbank De grieven van de staatssecretaris Volgorde van bespreking Voorvraag De momenten waarop er een terugkeerbesluit voor de vreemdeling gold De betekenis van de vormen van rechtmatig verblijf naar nationaal recht onder de Terugkeerrichtlijn Het verblijf in verband met medische uitzettingsbeletselen (artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000) Het verblijf in afwachting van de beslissing op het beroepschrift (artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000) 9 Tussenconclusie Het arrest TQ Het onderzoek naar adequate opvang Het leeftijdsonderscheid De fase tussen het nemen van het terugkeerbesluit en de fysieke verwijdering Toepassing van het arrest TQ en vervolgvragen De meeromvattende beschikking Het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk De mogelijkheid om het onderzoek naar adequate opvang voort te zetten na het afwijzen van de asielaanvraag en de verplichting tot voortvarend handelen De asielprocedure opdelen in twee fasen Het asielbesluit en het terugkeerbesluit opsplitsen bij de derde situatie Rechtmatig verblijf naar nationaal recht bij de derde situatie Voortvarend handelen, ook na het besluit over de materiële asielaanspraken Toepassing in deze zaak Zelf voorzien Conclusie Samenvatting Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken na afloop van het voorlopig verleende uitstel van vertrek te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).
ECLI:NL:RVS:2025:1413
202407614/1/V3. Datum uitspraak: 2 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 december 2024 in zaak nr. NL24.23426 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302677/1/V2. Datum uitspraak: 5 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 januari 2023, en haar einduitspraak van 20 april 2023, in zaak nr. NL22.22813, in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie Procesverloop Bij besluit van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Ook heeft hij ambtshalve geweigerd appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Bij tussenuitspraak van 25 januari 2023 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij brief van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris het besluit nader gemotiveerd. Bij brief van 7 maart 2023 heeft appellant daarop gereageerd. Bij uitspraak van 20 april 2023 heeft de rechtbank het tegen het besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.P.R. Peeters, advocaat in Rijsbergen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Appellant klaagt in haar vierde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid.

In haar einduitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister dit motiveringsgebrek niet heeft hersteld en het besluit om die reden vernietigd. Zij heeft vervolgens ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, onder verwijzing naar het standpunt van de minister dat appellant inmiddels meerderjarig is en daarom hoe dan ook niet meer voldoet aan de vereisten voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet met deze motivering mocht volstaan. Dat zou er immers toe leiden dat de minister zonder repercussies het onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst achterwege heeft kunnen laten.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 26. 1.1. De grief slaagt.

2. Wat appellant heeft aangevoerd in de overige grieven, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag van appellant moet nemen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1413, onder 5. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 april 2023 in zaak nr. NL22.22813, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 november 2022 in stand heeft gelaten;

III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Lagaaij griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026 936-1113