Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:657 ECLI:NL:RVS:2025:657 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:657 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:657
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202403036/1/V6. Datum uitspraak: 19 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2024 in zaak nr. 23/7289 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2022 heeft de minister van Defensie een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Bij besluit van 22 september 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een verzoek van [appellant] tot heroverweging van het besluit van 5 juli 2022 als bezwaar aangemerkt en ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2025:657 · Raad van State: Willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en bijzondere omstandigheden 2. [appellant] betoogt in zijn eerste hogerberoepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wél onder de tweede groep valt en wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op informatie die volgens hem al voor 11 oktober 2021 bij Defensie bekend was. Zo zou Defensie bekend moeten zijn met een database van een salarislijst en een database met toegangspasjes voor lokaal personeel. Ook heeft hij gewezen op e-mails waaruit blijkt dat de voormalig directeur van ASG verschillende keren contact met Defensie heeft gezocht om om hulp te vragen voor de achtergebleven bewakers waar nog geen contact mee was.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 19 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2024 in zaak nr.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:719
202206138/1/V6. Datum uitspraak: 22 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, appellanten, en de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2021 heeft de projectdirecteur van het Ministerie van Defensie de aanvraag van appellanten om op enige wijze hun overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Bij uitspraak van 11 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2024:1507
202305862/1/V6.Datum uitspraak: 10 april 2024 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2023 in zaak nr.
ECLI:NL:RVS:2024:3299
202306253/1/V6. Datum uitspraak: 14 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2023 in zaak nr. 23/2158 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2024:2160
202307165/1/V6. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023 in zaak nr. 23/2725 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister). Procesverloop Bij besluit van 1 maart 2023 (hierna: het besluit) heeft de minister de aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Tegen het besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2023:718
202206155/1/V6. Datum uitspraak: 22 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, appellanten, en de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2021 heeft de projectdirecteur van het Ministerie van Defensie de aanvraag van appellanten om op enige wijze hun overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Bij uitspraak van 11 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202403036/1/V6. Datum uitspraak: 19 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2024 in zaak nr. 23/7289 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2022 heeft de minister van Defensie een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen. Bij besluit van 22 september 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een verzoek van [appellant] tot heroverweging van het besluit van 5 juli 2022 als bezwaar aangemerkt en ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.H.A. Kessels, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft op verzoek van de Afdeling een reactie gegeven. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Met toestemming van partijen is een onderzoek op een zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Hij heeft op 28 mei 2022 gevraagd om hem vanuit Afghanistan naar Nederland over te brengen. Hij stelt dat hij tussen 2008 en 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan, Afghanistan. 1.1. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860; hierna: de Kamerbrief).

Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Niet in geschil is dat [appellant] niet is genomineerd door een niet-gouvernementele organisatie in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder de eerste groep van de speciale voorziening valt. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] ook niet onder de tweede groep valt, omdat hij niet voorkomt in de database van het Ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken die voor 11 oktober 2021 zijn gedaan.

Willekeur, strijd met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en bijzondere omstandigheden 2. [appellant] betoogt in zijn eerste hogerberoepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wél onder de tweede groep valt en wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op informatie die volgens hem al voor 11 oktober 2021 bij Defensie bekend was. Zo zou Defensie bekend moeten zijn met een database van een salarislijst en een database met toegangspasjes voor lokaal personeel. Ook heeft hij gewezen op e-mails waaruit blijkt dat de voormalig directeur van ASG verschillende keren contact met Defensie heeft gezocht om om hulp te vragen voor de achtergebleven bewakers waar nog geen contact mee was.

Dat sommige bewakers wel zijn aangemeld door Defensie of op tijd zijn gewezen op de mogelijkheid van een aanvraag en andere bewakers niet, getuigt volgens [appellant] van willekeur en is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien blijkt volgens hem uit de Kamerbrief niet duidelijk wat met de afbakening tot "nu bij Defensie beschikbare data" wordt bedoeld. Tot slot betoogt [appellant] dat hem niet valt te verwijten dat hij te laat zijn aanvraag heeft ingediend, omdat hij ondergedoken zat, geen contact had met anderen, geen beschikking had over internet, digibeet is, het onduidelijk was hoe hij de aanvraag moest indienen en er na de machtsovername door de Taliban te weinig tijd was om tijdig een aanvraag in te dienen. 2.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, gaat het bij de speciale voorziening om buitenwettelijk en begunstigend beleid en heeft het kabinet bij het opstellen van dergelijk beleid veel beleidsruimte. De minister beroept zich niet ten onrechte op het belang van een duidelijke afbakening, die hanteerbaar en eindig is. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:719, onder 5.1, 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1507, onder 5.1, en 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3299, onder 2.1. Dat meldingen en hulpverzoeken om de overkomst naar Nederland te faciliteren uiterlijk op 11 oktober 2021 moeten zijn gedaan, is niet onredelijk.

Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2, en 14 augustus 2024, onder 2.3. 2.2. [appellant] heeft zijn aanvraag op 28 mei 2022 ingediend. Omdat de einddatum bepalend is voor het antwoord op de vraag of een verzoeker onder de speciale voorziening valt of niet, en [appellant] zijn aanvraag ruim een half jaar na die einddatum heeft ingediend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van verzoekers die wel onder de speciale voorziening vallen, geen sprake is.

Ter vergelijking wijst de Afdeling op de hiervoor genoemde uitspraak van 14 augustus 2024, onder 3. 2.3. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het in de Kamerbrief neergelegde beleid niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4 tot en met 4.3. Bijzondere omstandigheden kunnen in voorkomende gevallen aanleiding zijn voor het oordeel dat de afwijzing onevenredig is, maar in de hiervoor onder 2 genoemde omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de afwijzing onevenredig is.

Ter vergelijking wijst de Afdeling op de hiervoor genoemde uitspraak van 14 augustus 2024, onder 4.1. Overigens blijkt uit de aanvraag van [appellant] van 28 mei 2022 en zijn aanvulling op die aanvraag van diezelfde datum niet dat hij digibeet is en de Engelse taal niet beheerst. Hoewel [appellant] zich in moeilijke omstandigheden bevond en mogelijk nog bevindt, onderscheidt hij zich met de door hem gestelde bijzondere omstandigheden niet van andere evacués die ook een verzoek om overbrenging hebben ingediend. 2.4. De rechtsvraag over de lezing van ‘de nu bij Defensie beschikbare data’ in de Kamerbrief, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2, en de hiervoor genoemde uitspraak van 14 augustus 2024, onder 2.2, beantwoord.

Daaruit volgt dat de lezing van de minister dat in de Kamerbrief met ‘nu bij Defensie beschikbare data’ niet het hele archief van het Ministerie van Defensie is bedoeld, niet onredelijk is. Het gaat namelijk om meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken die tijdens of kort na de evacuatie zijn gedaan en in een databestand zijn verzameld. In de Kamerbrief staat daarbij dat het om een afgebakende groep gaat van ongeveer 500 Afghanen (inclusief kerngezinnen). Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. 2.5.

De hogerberoepsgrond slaagt niet. Vrees voor onmenselijke of vernederende behandeling en vervolging 3. De Afdeling heeft zich eerder uitgelaten over wat [appellant] in zijn tweede hogerberoepsgrond betoogt over de vrees voor een onmenselijke of vernederende behandeling dan wel vervolging. De Afdeling verwijst naar haar hiervoor genoemde uitspraken van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2, en 10 april 2024, onder 7.1. 3.1. Uit de onder 3 genoemde uitspraken volgt dat de hogerberoepsgrond niet slaagt. Conclusie 4. Het hoger beroep is ongegrond.

De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nouta griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025 922