ECLI:NL:RVS:2025:6265 · Raad van State
Legislator summary
AI generatedJankie, advocaat in Hoofddorp, de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van de uitspraak van 23 juli 2025. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1407) wordt een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen, opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De Afdeling zal het verzoek om herziening daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 24 april 2025.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2025:6265 · Raad van State: De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek, namelijk dat hij wel bezwaar zou hebben gehad tegen een schriftelijke afdoening als hij had geweten dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedCited Case Law
AI generatedFull text
ECLI:NL:RVS:2025:1857202504529/1/V3. Datum uitspraak: 22 december 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzoek van: [verzoeker], verzoeker, om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, in zaak nr. 202503124/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:3368. Procesverloop De Afdeling heeft met de hiervoor genoemde uitspraak van 23 juli 2025 het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1857, afgewezen. Bij brief van 24 juli 2025 heeft verzoeker, vertegenwoordigd door mr.
S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van de uitspraak van 23 juli 2025. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1407) wordt een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen, opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De Afdeling zal het verzoek om herziening daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 24 april 2025.
2. De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek, namelijk dat hij wel bezwaar zou hebben gehad tegen een schriftelijke afdoening als hij had geweten dat zijn beroep als eerste beroep moest worden aangemerkt, zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
3. De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025 846-1122