ECLI:NL:RVS:2025:5263 · Raad van State
Legislator summary
AI generated202407571/1/V3. Datum uitspraak: 3 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2024 in zaak nr. NL24.46376 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2025:5263 · Raad van State: 202407571/1/V3. Datum uitspraak: 3 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2024 in zaak nr. NL24.46376 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Full text
202407571/1/V3. Datum uitspraak: 3 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2024 in zaak nr. NL24.46376 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.L. Sarin, advocaat in Zaandam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De Afdeling stelt vast dat de eerste en de tweede grief van het hoger beroep zijn gericht tegen overwegingen die niet in de uitspraak van de rechtbank staan. Ten aanzien van de derde grief geldt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Ristra-Peeters lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025 918