Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:5012 ECLI:NL:RVS:2025:5012 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:5012 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:5012
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202505026/1/V3. Datum uitspraak: 20 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 in zaak nr. NL25.38487 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft appellant op 14 augustus 2025 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de wettelijke grondslag van de ophouding. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:5012 · Raad van State: 202505026/1/V3. Datum uitspraak: 20 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 in zaak nr. NL25.38487 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft appellant op 14 augustus 2025 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de wettelijke grondslag van de ophouding. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202505026/1/V3. Datum uitspraak: 20 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 in zaak nr. NL25.38487 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft appellant op 14 augustus 2025 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.H. van Wingerden, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de wettelijke grondslag van de ophouding. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.

2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025 872