Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:4903 ECLI:NL:RVS:2025:4903 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4903 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:4903
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202501413/1/A2. Datum uitspraak: 3 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 31 januari 2025 in zaak nr. 24/2965 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 13:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer; mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2025:4903 · Raad van State: Ook wil zij met haar kinderen blijven wonen. Zij betoogt dat het college desnoods toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.| 2. Het college heeft bij besluit van 4 juli 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften gehandhaafd. Volgens het college kan niet vastgesteld worden dat zich een bijzondere noodsituatie, die buiten eigen toedoen is ontstaan, voordoet. [appellante] beschikt over woonruimte en de ervaren woonproblematiek wordt mede veroorzaakt door de keuze om deze woning niet op haar beperkingen aan te laten passen.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 3 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 31 januari 2025 in zaak nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202501413/1/A2. Datum uitspraak: 3 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 31 januari 2025 in zaak nr. 24/2965 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 13:45 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer; mr.

C. Kouidar, griffier. Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Rijkers; Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 31 januari 2025 van de rechtbank Oost­Brabant. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak. Motivering: 1. [appellante] woont samen met haar twee meerderjarige kinderen in een eengezinswoning die uit drie verdiepingen bestaat. Zij wil verhuizen naar een gelijkvloerse woning, omdat zij vanwege lichamelijke beperkingen niet meer lopend de trap op kan om de slaapkamer en de badkamer te bereiken. Zij wil geen traplift laten plaatsen, omdat dit voor haar een te grote psychische impact heeft.

Ook wil zij met haar kinderen blijven wonen. Zij betoogt dat het college desnoods toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.| 2. Het college heeft bij besluit van 4 juli 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften gehandhaafd. Volgens het college kan niet vastgesteld worden dat zich een bijzondere noodsituatie, die buiten eigen toedoen is ontstaan, voordoet. [appellante] beschikt over woonruimte en de ervaren woonproblematiek wordt mede veroorzaakt door de keuze om deze woning niet op haar beperkingen aan te laten passen.

Zij heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de situatie dusdanig onhoudbaar is, dat het college toepassing moet geven aan de hardheidsclausule. 3. [appellante] heeft niet onderbouwd dat de psychische impact van het aanpassen van haar woning op haar beperkingen dusdanig groot is, dat van haar niet gevergd kan worden dat zij blijft wonen in haar huidige woning. De Afdeling volgt daarom het oordeel van de rechtbank dat zich in dit geval geen bijzondere noodsituatie voordoet. Ook volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat haar (medische) situatie acuut onhoudbaar is, zodat het college geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule.

De betogen slagen niet.

4. Het hoger beroep is ongegrond.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Bangma lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kouidar griffier 1120