Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:471 ECLI:NL:RVS:2025:471 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:471 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:471
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202202398/1/V1. Datum uitspraak: 11 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4], [vreemdeling 5], [vreemdeling 6] en [vreemdeling 7], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022 in zaak nr. 21/1330 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2025:471 · Raad van State: Voor een antwoord op die vraag is de individuele situatie van referent van belang. Gelet op de context van het nationale jongvolwassenenbeleid kan onder die individuele situatie ook vallen dat referent als jongvolwassene behoort tot het gezin van zijn ouders en dat hij gelet op zijn leeftijd en levensfase alleen naar vermogen kan voorzien in het onderhoud van zijn gezinsleden. 2.2. De vreemdelingen betogen terecht dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de omstandigheden dat referent op zichzelf woont, zijn eigen zaken regelt, een studie volgt en bijbaantjes heeft in hun nadeel wegen in de belangenafweging.

Keywords

AI generated
artikel 8 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister in reguliere gezinsherenigingszaken een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM maakt, nadat hij heeft vastgesteld dat het jongvolwassenenbeleid uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 van toepassing is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:2145
202103800/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 mei 2021 in zaak nr. 20/7126 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:1187
202107069/1/V2. Datum uitspraak: 27 maart 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 oktober 2021 in zaak nr. 21/1185 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 januari 2021 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2024:4912
202204212/1/V1. Datum uitspraak: 4 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juni 2022 in zaak nr. NL22.325 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:4965
202205929/1/V1. Datum uitspraak: 4 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 september 2022 in zaak nr. 20/1488 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202202398/1/V1. Datum uitspraak: 11 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4], [vreemdeling 5], [vreemdeling 6] en [vreemdeling 7], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022 in zaak nr. 21/1330 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De eerste en tweede grief van de vreemdelingen leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister in reguliere gezinsherenigingszaken een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM maakt, nadat hij heeft vastgesteld dat het jongvolwassenenbeleid uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 van toepassing is.

De rechtbank heeft de uitkomst van die belangenafweging vervolgens terecht enigszins terughoudend getoetst. Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 10, en 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 tot en met 6.2. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. De vreemdelingen klagen in de derde grief over het oordeel van de rechtbank dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in hun nadeel uitvalt. Volgens de vreemdelingen heeft de rechtbank onder meer niet onderkend dat de minister te veel gewicht heeft toegekend aan het economisch belang van Nederland. De minister heeft in de belangenafweging ten onrechte in hun nadeel meegewogen dat referent op zichzelf woont, zijn eigen zaken regelt, een studie volgt en bijbaantjes heeft. 2.1. Uit de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, onder 7.1 tot en met 8, en ECLI:NL:RVS:2024:4965, onder 4.1, volgt dat de minister bij zijn waardering van het economisch belang van Nederland rekening moet houden met het antwoord op de vraag of referent alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om financieel onafhankelijk te zijn.

Voor een antwoord op die vraag is de individuele situatie van referent van belang. Gelet op de context van het nationale jongvolwassenenbeleid kan onder die individuele situatie ook vallen dat referent als jongvolwassene behoort tot het gezin van zijn ouders en dat hij gelet op zijn leeftijd en levensfase alleen naar vermogen kan voorzien in het onderhoud van zijn gezinsleden. 2.2. De vreemdelingen betogen terecht dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de omstandigheden dat referent op zichzelf woont, zijn eigen zaken regelt, een studie volgt en bijbaantjes heeft in hun nadeel wegen in de belangenafweging.

De Afdeling volgt de vreemdelingen in hun betoog dat deze omstandigheden erop wijzen dat referent inspanningen verricht om een baan te kunnen krijgen en de vreemdelingen te kunnen onderhouden. De minister heeft dat ten onrechte niet betrokken bij zijn waardering van het economisch belang van Nederland. De vreemdelingen betogen alleen al daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangenafweging van de minister getuigt van een ‘fair balance’ tussen de belangen van de vreemdelingen en het economisch belang van Nederland. 2.3.

De derde grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder aanvoeren te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 10 februari 2021 wordt vernietigd. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar moet nemen. Daarbij moet de minister deze uitspraak in acht nemen. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022 in zaak nr. 21/1330; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 10 februari 2021, V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V[…] en V-[…]; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2025 1028